- Arrest van 20 mei 2011

20/05/2011 - F.09.0114.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De in artikel 8.7 van de TIR-overeenkomst neergelegde verplichting voor de autoriteiten om, alvorens een vordering tot betaling in te dienen bij de organisatie die zich garant heeft gesteld, voor zover mogelijk de betaling te eisen van hen die rechtstreeks deze bedragen verschuldigd zijn, is een zorgvuldigheidsverplichting, waarvan de niet-naleving van aard kan zijn de aansprakelijkheid van de autoriteiten in het gedrang te brengen, maar die het instellen van een vordering tot betaling tegen de organisatie die zich garant heeft gesteld, niet belet (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.09.0114.N

FEBETRA, Koninklijke Federatie van Belgische Transporteurs en Logistiek Dienstverleners, met zetel te 1020 Brussel, Stapelhuisstraat 5A,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de ontvanger van het kantoor der douane te Genk, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-43-45,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 24 juni 2008.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 21 februari 2011een conclusie neergelegd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 8.1. van de toepasselijke TIR-overeenkomst verbindt de organisatie die zich garant heeft gesteld, zich tot voldoening van de rechten en heffingen ter zake van de invoer of de uitvoer, eventueel vermeerderd met de interest bij achterstallige betaling, welke verschuldigd zijn krachtens de douanewetten en -reglementen van het land waarin de onregelmatigheid met betrekking tot het TIR-vervoer is vastgesteld.

Krachtens dezelfde bepaling is de organisatie die zich garant heeft gesteld, gehouden tot betaling van bovenbedoelde bedragen, zowel hoofdelijk als gezamenlijk met de personen die deze bedragen verschuldigd zijn.

Krachtens artikel 8.7. van die TIR-overeenkomst moeten de autoriteiten, wanneer de in lid 1 en 2 van dit artikel bedoelde bedragen opeisbaar worden, voor zover mogelijk de betaling hiervan eisen van hen die rechtstreeks deze bedragen verschuldigd zijn, alvorens een vordering tot betaling in te dienen bij de organisatie die zich garant heeft gesteld.

2. Deze verplichting voor de autoriteiten om, alvorens een vordering tot betaling in te dienen bij de organisatie die zich garant heeft gesteld, voor zover mogelijk de betaling te eisen van hen die rechtstreeks deze bedragen verschuldigd zijn, is een zorgvuldigheidsverplichting, waarvan de niet-naleving van aard kan zijn de aansprakelijkheid van de autoriteiten in het gedrang te brengen, maar het instellen van een vordering tot betaling tegen de organisatie die zich garant heeft gesteld, niet belet.

De vraag of in de borgstellingovereenkomst afstand kan worden gedaan van het voordeel van artikel 8.7. TIR-overeenkomst vertoont aldus slechts belang in het kader van een aansprakelijkheidsvordering tegen de autoriteiten die de in dit artikel opgenomen zorgvuldigheidsverplichting niet zouden hebben nageleefd.

3. De aldus in de plaats gestelde redenen wettigen de beslissing van de appelrechters dat de verweerder wel degelijk van de eiseres betaling kan vorderen van de verschuldigde rechten wegens niet-zuivering van het carnet.

Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel

4. Krachtens artikel 1.b), TIR-overeenkomst, zoals hier van toepassing, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder "rechten en heffingen ter zake van de invoer of de uitvoer" de douanerechten en alle andere verschillende rechten, heffingen, vergoedingen en andere lasten die worden geheven bij of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen, met uitzondering van de vergoedingen en lasten waarvan het bedrag beperkt blijft tot ongeveer de kosten van de verleende diensten.

5. Krachtens artikel 3, § 1, l), van het toepasselijke koninklijk besluit van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles erop, wordt in dit besluit, en in de op grond van dit besluit genomen uitvoeringsbepalingen, verstaan door invoer: 1° het binnenbrengen van accijnsproducten in de Gemeenschap, vanuit een derde land, met inbegrip van de binnenkomst uit een gebied bedoeld in de uitzonderingen van littera d) of uit de Kanaaleilanden; 2° het onttrekken aan een communautaire douaneregeling waaronder een accijnsproduct werd geplaatst bij zijn binnenkomst in de Gemeenschap.

Krachtens artikel 4 van dit koninklijk besluit worden de in artikel 2 bedoelde producten aan accijnzen onderworpen bij de productie ervan en bij de invoer.

Krachtens artikel 5 van dit koninklijk besluit wordt van de in artikel 2 genoemde accijnsproducten de accijns verschuldigd bij de uitslag tot verbruik en wordt als uitslag tot verbruik beschouwd: - iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, van deze producten aan een schorsingsregeling; - elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer ze niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst.

6. Uit het geheel van de bepalingen volgt dat accijnzen, naargelang van het geval, moeten worden beschouwd als heffingen die worden geheven bij of in verband met de invoer van goederen in de zin van de artikelen 1.b) en 8.1 van de toepasselijke TIR-overeenkomst.

7. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 299,32 euro jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 20 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Wegvervoer

  • Internationaal vervoer

  • TIR-Overeenkomst

  • Zich garant stellende organisatie

  • Douaneautoriteiten

  • Vordering tot betaling

  • Voorafgaande verplichting