- Arrest van 23 mei 2011

23/05/2011 - C.09.0216.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beperking van de vrijheid van meningsuiting is nodig in een democratische samenleving wanneer zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke noodwendigheid, op voorwaarde dat de evenredigheid tussen het aangewende middel en het beoogde doel wordt geëerbiedigd en de beperking door steekhoudende en afdoende redenen verantwoord wordt (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0216.F

1. ROSSEL ET COMPAGNIE nv,

2. B. J.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

d. B. B.,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 19 maart 2008 van het hof van beroep te Luik.

De zaak is bij beschikking van 29 april 2011 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 27 april 2011 een conclusie neergelegd ter griffie.

Op de zitting van 23 mei 2011 heeft raadsheer Alain Simon verslag uitgebracht en heeft procureur-generaal Jean-François Leclercq geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 19 en 25 van de Grondwet;

- artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gedaan te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat het beroepen vonnis wijzigt, "veroordeelt (de eisers) om (aan de verweerder) 3.000 euro te betalen wegens morele schade en 1.250 euro voor de kosten van zijn verdediging in eerste aanleg" en "veroordeelt de (eiseres) om het eensluidend verklaard afschrift van het origineel van het arrest in extenso te publiceren in de kolommen van het dagblad Le Soir met als titel ‘Juridisch herstel'. Het beslist aldus om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en, inzonderheid, onder de titel "I. De aansprakelijkheid van de auteur (de eiser)", op grond dat "het betwiste krantenartikel van 31 oktober 2003, met als titel: ‘J.P.', handelt over ‘het proces C.', dat op dat ogenblik gevoerd werd voor het hof van assisen te Luik;

(...) De auteur beschrijft de persoon van J.P. en vermeldt dat hij de kunst verstaat om zich in de publieke opinie weinig sympathiek te maken;

Een van de redenen, volgens de auteur, is dat die advocaat een ware procedureslag voert;

Dat wordt toegelicht aan de hand van het ‘proces C.' (...);

Om zijn stelling verder toe te lichten, brengt de auteur andere dossiers en dus andere cliënten van die advocaat ter sprake;

Bijvoorbeeld ‘de zaak D.', waarin D. door meester J. P. werd verdedigd en voor wie hij het ‘spaghetti'-arrest van het Hof van Cassatie had verkregen, waardoor onderzoeksrechter C. van dat dossier werd gehaald;

Tevens wordt een dossier uit 1997 ter sprake gebracht, dat op (de verweerder) betrekking had. In die zaak werd hij verdedigd door meester J.P., die, volgens de steller van het artikel, poogde aan te tonen dat het onderzoek niet eerlijk was gevoerd en dat de tegen de verweerder ingestelde vervolgingen dus nietig waren. Een ander dossier dat vermeld wordt, is het proces ‘I.' dat in 1999 werd gevoerd voor de correctionele rechtbank te Hoei, alwaar meester J.P. kritiek uitoefende op de hiaten in het onderzoek en op de zwakke plekken in het dossier, die hij toeschreef aan de beperkte middelen van justitie;

Zo blijkt uit de lezing van het artikel dat het enige raakpunt tussen de verschillende, bij naam genoemde cliënten, onder wie (de verweerder), het feit is dat ze dezelfde raadsman hebben, te weten J.P., en dat hij verweermiddelen, dat wil zeggen proceduremiddelen gebruikt, waarvoor niet-ingewijden niet altijd begrip kunnen opbrengen en waardoor deze advocaat op weinig sympathie zou kunnen rekenen;

De auteur geeft echter ook als eerste verklaring voor het feit dat advocaat J.P. niet sympathiek overkomt bij het publiek, de volgende reden op: ‘omdat hij weinig populaire inverdenkinggestelden verdedigt (M.D., de [verweerder], arts S. uit S. ...)';

De omschrijving (van de verweerder) als een 'weinig populair' persoon berust op een louter subjectieve beoordeling van de auteur van het artikel en is nergens op gebaseerd, terwijl de auteur, wanneer hij advocaat J.P. omschrijft als een persoon die ‘niet sympathiek overkomt bij het publiek', die bewering in het artikel nader toelicht door erop te wijzen dat die advocaat gebruik maakt van zogenaamde proceduremiddelen, en meer bepaald dat hij ‘een procedureslag voert' die buiten het paleis ‘duidelijk op minder begrip kan rekenen'. Zo wordt de lezer geïnformeerd en zal hij zelf kunnen uitmaken of de beschrijving van de advocaat al dan niet terecht is;

De auteur verbindt de naam (van de verweerder) daarenboven aan die van M.D., waarvan niet betwist wordt dat hij in het collectieve bewustzijn afgrijzen en afkeuring oproept; de auteur schrijft trouwens in datzelfde artikel dat meester J.P. voor ‘ongedierte' werd uitgemaakt omdat hij aanvaard had M.D. te verdedigen, wat veel zegt over het beeld dat de publieke opinie van M.D. heeft;

Door M.D. en (de verweerder) in één adem weinig populaire inverdenkinggestelden te noemen - terwijl dat (...) bijvoeglijk voornaamwoord, in het geval van (de verweerder), in het artikel nergens met argumenten gestaafd wordt -, en hoewel hij de negatieve weerklank van de naam ‘M.D.' bij de publieke opinie kende, heeft de auteur van het artikel zich niet gedragen zoals elke normaal bedachtzame en voorzichtige journalist, in dezelfde omstandigheden, zich zou hebben gedragen, door zich met name niet alleen te houden aan zijn informatieplicht maar door ook ervoor te zorgen dat het evenwicht tussen de persvrijheid, vastgelegd in artikel 25 van de Grondwet, en de eerbiediging van het privé-leven en van het recht op de goede naam, niet verstoord wordt;

Zo worden M.D. en (de verweerder) onterecht in één adem vernoemd en werd laatstgenoemde in zijn eer aangetast, gezien de negatieve connotaties die M.D. bij elke lezer oproept;

Het feit dat (de verweerder) een bekend persoon is, dat hij vaak in de media verschijnt en dat hij deelgenomen heeft aan televisie-uitzendingen over, met name, zijn geschillen met de Staatsveiligheid, doen wat dat betreft niet ter zake",

en, onder titel "II. De aansprakelijkheid van de uitgever, de (eiseres)", op grond dat "de eerste rechter om oordeelkundige redenen, die door het hof van beroep worden overgenomen, beslist heeft dat de vordering tegen de uitgever ontvankelijk was;

De uitgever heeft het litigieuze artikel, dat de goede naam van (de verweerder) aantast, duidelijk afgedrukt op de eerste bladzijden van het dagblad, samen met een grote, opvallende foto van advocaat J.P., van wie niet betwist wordt dat hij bij het publiek welbekend is, en met een commentaar onder de foto die al even erg opvalt: ‘... de man die rechter C. en voorzitter G. ten val bracht'. De uitgever van het dagblad, dat een opinieblad is en geen zogeheten sensatieblad, heeft (de verweerder) dus in een bijzonder daglicht gesteld met de bedoeling de aandacht van de lezer te prikkelen, en zodoende heeft hij zich niet gedragen zoals een uitgever van dat soort dagbladen, die niet alleen de lezer wil informeren maar ook erover wil waken dat andermans eer niet wordt aangetast, zich in dezelfde omstandigheden zou hebben gedragen."

Grieven

Krachtens artikel 19 van de Grondwet is de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd. Artikel 25 van de Grondwet bepaalt dat de drukpers vrij is. Krachtens artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, kan de vrijheid van meningsuiting, die de vrijheid van meningsuiting omvat en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en die plichten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt, alleen worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties als zij bij wet worden voorzien en in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van, met name, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Dezelfde beginselen zijn vastgelegd in artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

De in die bepalingen gewaarborgde vrijheid van meningsuiting is één van de essentiële grondslagen van elke democratische samenleving. Zij geldt voor alle soorten inlichtingen of denkbeelden en niet alleen voor de intellectuele auteur van de uitdrukking zelf maar ook voor eenieder die, op de een of andere manier, rechtstreeks of onrechtstreeks bijdraagt tot de verspreiding van de beschermde boodschap, zoals de uitgever van een werk of van een tijdschrift. Zij is een grondbeginsel en de mogelijke uitzonderingen of de redenen om die vrijheid te beperken, moeten op beperkende wijze worden uitgelegd, zelfs wanneer daardoor andermans rechten in het gedrang komen.

De persvrijheid vormt, in de zin van die artikelen, een van de hoofdbestanddelen van de vrijheid van meningsuiting. De pers speelt in een democratische samenleving een essentiële rol, die erin bestaat inlichtingen en denkbeelden door te geven over kwesties van algemeen belang en biedt een essentieel forum voor een publiek debat en een onontbeerlijk instrument van toezicht. De journalisten hoeven dus geen bijzondere terughoudendheid in acht te nemen, ook niet wanneer de rechten van andere privépersonen op het spel staan. Voor het voeren van een vrij democratisch debat moet hun zoveel mogelijk vrijheid geboden worden om inlichtingen en denkbeelden te publiceren.

Door de prominente rol die de pers speelt in het voor een democratie kenmerkende openbaar en vrij discussieforum, moeten de desbetreffende veroordelingen met uiterst dringende redenen gemotiveerd worden opdat zij verenigbaar kunnen zijn met de voormelde bepalingen, die het recht van de journalisten om informatie over elke kwestie van algemeen belang te verspreiden beschermen, mits zij zich te goeder trouw uitdrukken, zich op de juiste feiten baseren en getrouwe en geloofwaardige inlichtingen verstrekken waarbij zij de journalistieke ethiek en de journalistieke plichten moeten eerbiedigen.

Het arrest vormt een inmenging in de vrijheid van de eisers om inlichtingen of denkbeelden door te geven. Het gerecht kan niet op onaantastbare wijze oordelen over het al dan niet geoorloofd karakter van een dergelijke inmenging maar dient dit te beoordelen aan de hand van de criteria bedoeld in artikel 10.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dat veronderstelt hoofdzakelijk dat die inmenging in een democratische samenleving vereist is om het daarmee beoogde, gewettigde doel te bereiken, met name de bescherming van de goede naam of de rechten van de verweerder.

De wettigheid van de sancties die aan een journalist of aan een persorgaan worden opgelegd, omdat zij misbruik zouden hebben gemaakt van hun vrijheid van meningsuiting, moet worden beoordeeld in het kader van het toezicht op de eerbiediging van die criteria, zoals zij worden uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Gelet op het belang van de vrijheid van meningsuiting voor de democratische samenleving is de grootste omzichtigheid geboden bij het opleggen van beperkingen aan die vrijheid.

Het arrest miskent het feit dat de inmenging in de vrijheid van meningsuiting, die de aan de eisers opgelegde sanctie toch is, noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving.

Artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden beschermt niet alleen de inhoud van de uitgedrukte denkbeelden en inlichtingen, maar ook de wijze waarop zij worden uitgedrukt, wat het terrein moet blijven van de journalist. Het is niet de taak van de rechter om in de plaats van de pers te beslissen hoe de journalisten verslag moeten uitbrengen. Zij mogen een polemische, méér nog, een agressieve toon aanslaan en zelfs een denigrerend, méér nog, beledigend taalgebruik wordt beschermd door die bepaling. Het gebruik van dergelijke bewoordingen verantwoordt op zich de beperking niet van de vrijheid van meningsuiting van degene die ze in de mond neemt. De vrijheid van de journalist sluit immers ook de vrijheid in om in zijn artikelen enigszins te overdrijven.

In tegenstelling tot wat het arrest aanneemt, vormt de hoedanigheid van de persoon die door een persartikel schade kan lijden, wel degelijk een relevant gegeven waarmee de rechter rekening dient te houden. De beperkingen van de vrijheid van meningsuiting kunnen vooral niet door de beugel wanneer de betrokken een publiek persoon is. Dat geldt voor elke particulier die, net als de verweerder, bekend is en aan het openbaar debat deelneemt en dus meer tolerantie aan de dag moet leggen wanneer kritiek op hem wordt gespuid.

Om de voorhanden zijnde belangen te beoordelen, moet er ook voor de drukpers een onderscheid worden gemaakt tussen de weergave van objectieve feiten en het geven van waardeoordelen, aangezien de eerstgenoemde wel maar de laatstgenoemde niet op hun juistheid kunnen worden beoordeeld. Dat onderscheid is vooral van belang wanneer het litigieuze artikel voor de betrokkene provocerend of polemisch kan overkomen.

In het licht van de bewezen feiten moet er worden nagegaan of de aangeklaagde meningsuiting wel door voldoende feiten gestaafd wordt. In dat geval kan ze niet als overdreven worden beschouwd.

Door te dezen te schrijven dat de verweerder, net als M.D., een beroep heeft gedaan op meester J.P. en dat de verweerder in verdenking was gesteld, heeft de eiser bewezen feiten aangehaald. De omstandigheid dat de verweerder "weinig populair" zou zijn, is dan weer een waardeoordeel dat, enerzijds, geenszins als een beledigende of denigrerende opmerking kan worden beschouwd en dat, anderzijds, niet geheel ongegrond is, aangezien de verweerder een mediafiguur is van wie mag worden verwacht dat hij kritiek zal krijgen van een journalist wiens vrijheid van meningsuiting, meer nog dan die van anderen, in een democratische samenleving waardevol is.

Het arrest, dat beslist dat de eiser - en bijgevolg ook de eiseres - een fout hebben begaan, op grond dat eerstgenoemde "de naam (van de verweerder) verbindt aan die van M.D., waarvan niet betwist wordt dat hij in het collectieve bewustzijn afgrijzen en afkeuring oproept" en "M.D. en (de verweerder) in één adem weinig populaire inverdenkinggestelden noemt (...), hoewel hij de negatieve weerklank van de naam ‘M.D.' bij de publieke opinie kende", terwijl de eiser slechts erop gewezen heeft dat de verweerder een cliënt van Meester J.P. was, zonder zijn persoon en die van M.D. of hun beider gedrag ook maar enigszins met elkaar te verwarren, vormt een inmenging in het recht op vrije meningsuiting van de eisers die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 10.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het is derhalve niet naar recht verantwoord (schending van alle in het middel bedoelde bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De eerste tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is niet duidelijk:

Het middel biedt de mogelijkheid te onderzoeken in welke mate de bedoelde artikelen zouden zijn geschonden.

De tweede tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is nieuw, in zoverre het de schending aanvoert van artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950:

Het middel verwijt het arrest dat het, door de eisers een fout te verwijten, zich inmengt in de vrijheid van meningsuiting, wat door die internationaalrechtelijke bepaling van openbare orde verboden wordt, en het verplicht het Hof niet feiten te onderzoeken.

De derde tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel oefent kritiek uit op de onaantastbare beoordeling van de appelrechters:

Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is onlosmakelijk verbonden met dat van het middel.

De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

De gegrondheid van het middel

Artikel 10.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt dat de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, dat de vrijheid omvat om inlichtingen of denkbeelden door te geven en dat rechten en verplichtingen met zich meebrengt, onderworpen kan worden aan bepaalde beperkingen of sancties, die bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van, met name, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

De beperking van de vrijheid van meningsuiting is nodig in een democratische samenleving wanneer zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke noodwendigheid, op voorwaarde dat de evenredigheid tussen het aangewende middel en het beoogde doel wordt geëerbiedigd en de beperking door steekhoudende en afdoende redenen verantwoord wordt.

Uit de beslissing van de rechter moet duidelijk worden dat hij het recht op de vrijheid van meningsuiting beoordeeld heeft in het licht van andere rechten bedoeld in artikel 10.2 van het Verdrag, zoals het recht op de bescherming van de goede naam, maar ook dat de opgelegde beperking, gelet op de context waarin de mening wordt geuit, de hoedanigheid van de partijen en de andere bijzondere omstandigheden van de zaak, aan een dwingende maatschappelijke noodwendigheid beantwoordt, steekhoudend is en dat de evenredigheid tussen het aangewende middel en het beoogde doel, na het opleggen van de sanctie, geëerbiedigd blijft.

De appelrechters beslissen dat de eisers zich niet gedragen hebben zoals elke normaal bedachtzame en voorzichtige journalist of uitgever dat in dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan, na erop te hebben gewezen dat de eiser "de naam van de verweerder verbindt aan die van M.D., waarvan niet betwist wordt dat hij in het collectieve bewustzijn afgrijzen en afkeuring oproept" en dat de eiser "M.D. en de verweerder in één adem weinig populaire inverdenkinggestelden noemt, hoewel hij de negatieve weerklank van de naam ‘M.D.' bij de publieke opinie kende".

Zij hebben de eisers vervolgens een sanctie opgelegd door aan de verweerder schadevergoeding toe te kennen en hen te veroordelen tot de bekendmaking van het arrest, zonder evenwel vast te stellen dat de opgelegde beperking beantwoordt aan een dringende maatschappelijke noodwendigheid of dat de evenredigheid tussen het aangewende middel en het beoogde doel is geëerbiedigd.

De appelrechters miskennen bijgevolg het recht op de vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en verantwoorden hun beslissing aldus niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 23 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vrijheid van meningsuiting

  • Beperking