- Arrest van 24 mei 2011

24/05/2011 - P.11.0761.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De omstandigheid dat verklaringen werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, heeft niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte op eerlijke wijze te behandelen, want wanneer de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter gebruikt worden, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de verdachte zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de verdachte op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard; dit is ook het geval wanneer de verdachte met kennis van zaken verzaakt aan de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor (1). (1) Cass. 23 nov. 2010, AR P.10.1428.N, AC, 2010, nr. 690 met concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0761.N

R. A. J.,

inverdenkinggestelde,

eiser, aangehouden,

met als raadsman mr. Zvonimir Miskovic, advocaat bij de balie te Tongeren,

tegen

1. E. V. U.,

burgerlijke partij,

2. M. V.,

burgerlijke partij,

3. F. V. U.,

burgerlijke partij,

4. J. A., in eigen naam en als vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen K. A. en B. AP.,

burgerlijke partij,

5. P. B., in eigen naam en als vertegenwoordigerster van haar minderjarige kin-deren K. A. en B. A.,

burgerlijke partij,

6. R. A.,

burgerlijke partij,

7. I. P.,

burgerlijke partij,

8. J. B.,

burgerlijke partij,

9. H. S.,

burgerlijke partij,

10. E. A.,

burgerlijke partij,

11. D. B., in eigen naam en als vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon J. B.,

burgerlijke partij,

12. M. B., in eigen naam en als vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen B. B., B. B. en E. B.,

burgerlijke partij,

13. P. V., in eigen naam en als vertegenwoordigster van haar minderjarige kin-deren B. B., B. B. en E. B.,

burgerlijke partij,

14. L.V.,

burgerlijke partij,

15. J. V., in eigen naam en als vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon R. V.,

burgerlijke partij

16. I. H., in eigen naam en als vertegenwoordigster van haar minderjarige zoon R. V.,

burgerlijke partij,

17. M. V.,

burgerlijke partij,

18. K. P.,

burgerlijke partij,

19. C. P., ,

burgerlijke partij,

20. J. V.,

burgerlijke partij,

verweerders,

de verweerders 4, 5 en 6 met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie te Hasselt.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 maart 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkeid van het cassatieberoep

1. In zijn verklaring van cassatieberoep geeft de eiser de grond van de voor-ziening niet op.

2. Overeenkomstig artikel 252 Wetboek van Strafvordering is, onverminderd artikel 416, tweede lid, de mogelijkheid tot cassatieberoep tegen het arrest van verwijzing naar het hof van assisen beperkt tot de vijf in dat artikel vermelde ge-vallen.

3. In zoverre het cassatieberoep betrekking heeft op andere gevallen dan deze waarin onmiddellijk cassatieberoep is toegelaten, is het niet ontvankelijk.

Middel

4. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3 EVRM: het ar-rest oordeelt ten onrechte dat het feit dat de eiser belastende verklaringen heeft afgelegd zonder de bijstand van zijn advocaat, zijn recht van verdediging en recht op eerlijk proces niet miskennen; het recht op bijstand van een advocaat tijdens een verhoor is een fundamenteel recht en het recht van verdediging en het recht op eerlijk proces zijn onherstelbaar aangetast indien dergelijke verklaringen als door-slaggevend bewijs worden gebruikt.

5. In zoverre het middel aanvoert dat er geen materiële gegevens zijn die de stelling dat het slachtoffer werd misbruikt, staven, komt het op tegen de beoorde-ling van de bezwaren door de kamer van inbeschuldigingstelling.

Aldus komt het middel op tegen een beslissing die zelf niet vatbaar is voor een ontvankelijk cassatieberoep en is het in zoverre niet ontvankelijk.

6. Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een der-gelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rech-ten van de verdachte zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken.

7. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad wanneer een verdachte verklaringen aflegt tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat.

8. Deze omstandigheid heeft nochtans niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte op eerlijke wijze te behandelen. Wanneer de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter gebruikt worden, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de verdachte zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de verdachte op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard. Dit is ook het geval wanneer de verdachte met kennis van zaken verzaakt aan de bijstand van een advocaat tijdens zijn verhoor.

9. Het feit dat de Belgische wetgeving niet voorziet in de bijstand van een ad-vocaat tijdens het verhoor door de politiediensten voorafgaand aan de vrijheidsbe-roving, dient te worden beoordeeld in het licht van het geheel der wettelijke waar-borgen die diezelfde wetgeving de verdachte biedt ter vrijwaring van zijn recht van verdediging en van zijn recht op een eerlijk proces.

De korte duur van de grondwettelijke termijn van de vrijheidsberoving, de vorm-vereisten die bij artikel 47bis Wetboek van Strafvordering voor het verhoor van de verdachte zijn opgelegd, de onmiddellijke overhandiging aan de verdachte, op het ogenblik van de betekening van het bevel tot aanhouding, van alle in de artikelen 16, § 7, en 18, § 2, Voorlopige Hechteniswet bedoelde stukken, het recht van de verdachte om daarop onmiddellijk vrij verkeer te hebben met zijn advocaat over-eenkomstig artikel 20, § 1 en § 5, van de voormelde wet, de inzage van het dossier alvorens voor het onderzoeksgerecht te verschijnen, zoals dat in artikel 21, § 3, is geregeld, alsook de rechten die met name in de artikelen 61ter, 61quater, 61quinquies, 127, 135, 136 en 235bis Wetboek van Strafvordering zijn bedoeld, de inzage van het dossier en het vrij verkeer van de verdachte met zijn advocaat tijdens de procedure voor de feitenrechter, kunnen in hun geheel daadwerkelijke en passende remedies zijn op de afwezigheid van bijstand van een advocaat tij-dens het politieverhoor. Zij laten de verdachte immers toe zijn recht van verdedi-ging over het hele verloop van het strafproces ten volle uit te oefenen en waarbor-gen zijn recht op een eerlijk proces.

10. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het gebrek aan bijstand van een ad-vocaat tijdens een politieverhoor voorafgaand aan de vrijheidsberoving en tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter het recht van verdediging en recht op een eerlijk proces steeds onherstelbaar aantast, faalt het naar recht.

11. Verder staat het de rechter aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de afwezigheid van bijstand van een advocaat bij een verhoor door de politie of de onderzoeksrechter het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de verdachte onherstelbaar heeft aangetast.

12. Het arrest stelt vast dat:

- de eiser tijdens zijn eerste verhoor door de politie de ten laste gelegde feiten heeft ontkend;

- de eiser vanaf zijn aanhouding door de onderzoeksrechter de mogelijkheid heeft gehad om een advocaat te raadplegen en de naam van zijn advocaat op-gaf;

- de eiser de dag na zijn aanhouding, dit is op 6 januari 2010, tot bekentenissen is overgegaan en verklaarde dit te doen "zonder dwang en volledig vrijwillig";

- op 8 januari 2010 een nieuw verhoor werd aangevat maar de eiser eerst om een onderhoud met de onderzoeksrechter vroeg en tijdens deze ondervraging verklaarde dat hij nog heel wat vragen te bespreken had, hierover had overlegd met zijn advocaat die hem gezegd heeft beter alles te vertellen en de wens uitdrukte door dezelfde politiemensen te worden verhoord, zonder de bijstand van een advocaat maar met een psychiater;

- de eiser diezelfde dag, na de ondervraging door de onderzoeksrechter, een per-soonlijk onderhoud heeft gehad met zijn advocaat en dat hij verdere bekente-nissen wilde afleggen;

- de eiser in latere gedetailleerde verklaringen terugkwam op de ten laste gelegde verkrachting .

13. Hieruit leidt het arrest af dat de eiser zijn belastende verklaringen heeft afgelegd zonder dwang, dat vooraleer zijn bekentenissen op 6 en 7 januari 2010 af te leggen, hij beroep heeft gedaan of minstens heeft kunnen doen op zijn advocaat en dat hij zijn daaropvolgende hernieuwde bekentenissen op 8 januari 2010 heeft afgelegd na zowel ten aanzien van de onderzoeksrechter als de politie uitdruk-kelijk afstand te hebben gedaan van die bijstand.

14. Op grond van die redenen, is de beslissing dat eisers recht van verdediging en recht op eerlijk proces niet onherstelbaar zijn aangetast, naar recht verantwoord.

Het middel kan in zoverre niet aangenomen worden.

Ambtshalve onderzoek voor het overige van het verwijzingsarrest en van de be-slissing waarbij de gevangenneming wordt bevestigd

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 176,25 euro

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 24 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bij-stand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Artikel 6.3.c, E.V.R.M.

  • Politieverhoor in de loop van het onderzoek

  • Geen mogelijkheid van bijstand van een advocaat

  • Gevolg

  • Invloed op de eerlijke behandeling van de zaak