- Arrest van 25 mei 2011

25/05/2011 - P.11.0060.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het moreel bestanddeel van het misdrijf misbruik van vertrouwen bestaat in het opzet van de dader om zich de hem toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze aan de eigenaar te ontnemen en om er aldus als eigenaar over te beschikken; de goede trouw van de beweegreden van de dader doet daaraan geen afbreuk; het misdrijf misbruik van vertrouwen houdt dus niet op te bestaan louter en alleen omdat de dader, door gelden te verduisteren, een hem verschuldigd bedrag wil terugkrijgen (1). (1) Cass. 25 juni 2008, AR P.07.1873.F, AC, 2008, nr. 396.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0060.F

G. T.,

Mr. Philip Peerens, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

T. M. T.,

Mr. Thierry Moreau, advocaat bij de balie te Nijvel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de burgerrechtelijke beschikkingen van het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 24 november 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste en tweede onderdeel

Het misdrijf misbruik van vertrouwen vereist, met name, een overdracht van het precair bezit van het voorwerp aan de dader door de eigenaar of door een derde die voor diens rekening handelt.

Het arrest stelt vast dat de eiser gebruik heeft gemaakt van een volmacht die de verweerder hem had verleend in het kader van hun vroegere zakenrelatie. Volgens het hof van beroep heeft de beklaagde van zijn volmacht gebruik gemaakt om een geldsom op te nemen van de rekening van de burgerlijke partij die hij zich buiten haar medeweten en tegen haar wil in heeft toegeëigend, om een schuldvordering te doen betalen die hij naar eigen zeggen op haar had.

In zoverre het middel aanvoert dat het doel van de lastgeving erin bestond om de eiser vrij te laten beschikken over gelden van de opbrengst van zijn investeringen en arbeid, vereist het onderzoek ervan het nazicht van de feitelijke gegevens van de zaak, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Hetzelfde geldt in zoverre beweerd wordt dat de verweerder geen schade heeft geleden aangezien hij de van zijn rekening afgenomen bedragen verschuldigd was.

Aangezien het middel, wat dat betreft, recht en feit vermengt, is het niet ontvankelijk.

Met de hierboven overgenomen vaststelling verwijt het hof van beroep de eiser zowel het precair bezit van het voorwerp van het misdrijf als de onrechtmatige verandering ervan in bezit animo domino. Die bestanddelen maken deel uit van die welke het misdrijf uitmaken zoals dat in de bewoordingen van artikel 491 Strafwetboek is omschreven.

De overweging van het arrest met betrekking tot het feit dat de volmacht niet meer geldig was op het ogenblik van de geldopneming, heeft geen gevolgen voor de wettigheid van die beslissing. Het bestaan van het misbruik van vertrouwen waarvoor vervolging is ingesteld wordt immers niet afgeleid uit het feit dat de lastgeving niet langer bestond maar uit de vaststelling dat het gebruik dat ervan werd gemaakt op de dag van de telastlegging, niet beantwoordt aan het doel met het oog waarop die akte was opgemaakt.

Het arrest verduidelijkt de aard van die onverenigbaarheid aangezien het vermeldt dat, zoals hierboven gezegd, de volmacht heeft gediend om een zogenaamd onbetaald bedrag te recupereren, ofschoon zij tot doel had om een handelstransactie af te handelen.

De eiser voert aan dat een dergelijke uitlegging van de volmacht de bewijskracht van de stukken 5 en 33 van het voor hem bij het hof van beroep neergelegde dossier miskent, alsook de bewijskracht van artikel 8 van de tussen de partijen op 2 september 1985 gesloten overeenkomst tot overdracht van deelbewijzen.

Stuk nr. 5 is een stuk met als opschrift "volmacht" dat de verweerder op 9 april 1974 heeft opgemaakt te Lubumbashi. Het maakt de eiser bevoegd om al zijn commerciële zaken waar te nemen en de nodige maatregelen te nemen tot vrijwaring van zijn belangen.

Stuk nr. 33 is een attest van de bank in de boeken waarvan de verweerder de rekening bezat waarvoor het contract van lastgeving gold.

Het arrest verwijst naar geen van beide stukken aangezien het alleen melding maakt van een volmacht van 22 juli 1974. Die datum stemt niet overeen met de datum van stuk nr. 5 en evenmin met de datum van 20 juli 1974 die de eiser op pagina 12 en 18 van zijn memorie aan de aangevoerde lastgeving toeschrijft.

In de veronderstelling dat stuk nr. 5 in het appeldossier van de eiser samenvalt met de in het arrest vermelde volmacht, kan het Hof alleen vaststellen dat de bewoordingen ervan niet onverenigbaar zijn met de uitlegging die de appelrechters eraan hebben gegeven, namelijk een lastgeving in het kader van een tussen de partijen bestaande handelsrelatie.

Wat de overeenkomst van 2 september 1985 betreft, staat de bepaling volgens welke de deelbewijzen eerst zullen worden overgedragen op het ogenblik dat de overnemer de overdrager de integrale prijs betaalt, de beslissing niet in de weg dat aan de zakenrelatie die tussen hen heeft bestaan een einde is gekomen vanaf de ondertekening van de overeenkomst, met andere woorden nog vóór de overdracht effectief werd ten gevolge de vervulling van de gestipuleerde voorwaarde.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Het moreel bestanddeel van het misdrijf misbruik van vertrouwen bestaat in het opzet van de dader om zich de hem toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze aan de eigenaar te ontnemen en om er aldus als eigenaar over te beschikken. De goede trouw van de beweegreden van de dader doet daaraan geen afbreuk.

Het misdrijf houdt dus niet op te bestaan louter en alleen omdat de dader, door gelden te verduisteren, een hem verschuldigd bedrag wil terugkrijgen.

In zoverre het middel het tegendeel aanvoert, faalt het naar recht.

Derde onderdeel

Op de conclusie van de eiser die aanvoert dat hij eigenaar van de gelden was, dat hij niet verplicht was ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, en dat de klager geen schade heeft geleden, antwoordt het arrest dat de eiser die sommen als hem verschuldigd zijnde bedragen beschouwde, dat hij ze van de persoonlijke rekening van de verweerder buiten diens medeweten en tegen diens wil in heeft afgenomen, dat hij door die toewijzing zichzelf recht heeft verschaft, dat de lastgeving waarvan hij daartoe gebruik heeft gemaakt hem met aan ander doel was verleend.

De appelrechters omkleden hun beslissing aldus regelmatig met redenen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

De appelrechters oordelen dat de eiser zich op frauduleuze wijze meester heeft gemaakt van een geldbedrag dat hem niet toebehoort, ofschoon hij het wel als dusdanig opeiste.

Het arrest diende dat bedrag niet te verrekenen met dat waarvan de eiser beweert schuldeiser te zijn, vermits krachtens artikel 1293, 1°, Burgerlijk Wetboek, er geen schuldvergelijking plaatsvindt in geval van een eis tot teruggave van een zaak die de eigenaar wederrechtelijk is ontnomen.

Voor het overige antwoordt het arrest op de conclusie van de eiser waarin het bestaan wordt aangevoerd van een schuldvordering die door twee arresten van een buitenlands hof van beroep is erkend. Het arrest vermeldt immers dat, enerzijds, de aangevoerde rechtsplegingen geen gevolgen hebben voor de gegrondheid van de telastlegging en dat, anderzijds, de door de eiser overgelegde afschriften van arresten niet aan de voorwaarden voldoen die vereist zijn voor de erkenning van de echtheid ervan volgens het recht van de Staat waar ze werden gewezen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 24, § 1, van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, moet de partij die een beroep doet op de erkenning van een buitenlandse rechterlijke beslissing, of de uitvoerbaarverklaring ervan vordert, een uitgifte overleggen van de beslissing die volgens het recht van de Staat waar zij is gewezen, voldoet aan de voorwaarden nodig voor de echtheid ervan.

De tweede paragraaf van het voormelde artikel biedt de rechter de mogelijkheid om een termijn te bepalen voor de overlegging van de voormelde stukken.

Eensdeels legt de wet de rechter geen verplichting op om die termijn toe te kennen. Anderdeels waarschuwt het voormelde artikel 24 de partij die een beroep doet op een buitenlandse beslissing dat zij het risico loopt dat die beslissing niet wordt erkend of niet uitvoerbaar wordt verklaard zo zij de vereiste stukken niet overlegt.

De eiser kan bijgevolg geen miskenning van het recht van verdediging of van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak afleiden uit het feit alleen dat hij, na overlegging door hemzelf van stukken die niet conform het wettelijk voorschrift zijn, niet ambtshalve een termijn toegewezen kreeg om dat gebrek te verhelpen.

De schending van artikel 25 Gerechtelijk Wetboek wordt voor het overige alleen afgeleid uit de bewering dat het aan het hof van beroep stond om de arresten te erkennen waarop een beroep wordt gedaan of ze uitvoerbaar te verklaren.

De appelrechters wijzen dat verzoek evenwel naar recht af, op grond dat de in artikel 24, § 1, 1°, van de wet van 16 juli 2004 bedoelde stukken niet werden overgelegd.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Enerzijds vermeldt het arrest dat het hof van beroep, op grond van de overgelegde afschriften, in deze fase de buitenlandse arresten waarop de eiser een beroep doet niet kan erkennen om de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering niet ontvankelijk te doen verklaren.

Anderzijds beslist het arrest dat de voormelde vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond is.

In strijd met wat het middel aanvoert, zijn de reden en het beschikkend gedeelte die het tegenover elkaar plaatst, niet tegenstrijdig.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

De eiser voert aan dat het volstaat dat een zaak vóór 1 september 2007 is vastgesteld opdat het vonnis zou worden uitgesproken met inachtneming van de bij de oude artikelen 779 en 782 Gerechtelijk Wetboek bepaalde vormen.

Die bewering berust op een onvolledige lezing van de overgangsbepaling.

Artikel 31 van de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, gebiedt de toepassing van het nieuw artikel 782bis van het voormelde wetboek, dat het mogelijk maakt dat het vonnis alleen wordt uitgesproken door de voorzitter van de kamer, niet alleen in de zaken waarvoor geen rechtsdag is vastgesteld maar ook in de zaken waarvoor, ook al zijn ze vastgesteld, op de voormelde datum geen kalender voor de rechtspleging is vastgesteld.

Een zaak die, zoals te dezen, sedert haar inleiding tot op 1 september 2007 alleen maar werd uitgesteld, nu eens naar een vaste datum dan weer sine die, op verzoek van de partijen of van één van de partijen, zonder dat zij daartegen verzet aantekenen of omdat zij niet verschenen, kan worden beschouwd als een zaak waarvoor geen kalender van de rechtspleging is vastgesteld.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 25 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van afgevaardigd griffier Aurore Decottignies.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Moreel bestanddeel