- Arrest van 25 mei 2011

25/05/2011 - P.11.0199.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem wordt niet geschonden wanneer de bestanddelen van twee misdrijven in wezen niet dezelfde zijn; dat is het geval wanneer het strafbaar gestelde moreel bestanddeel van beide misdrijven verschillend is (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0199.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,

tegen

P. M.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 17 november 2010, in zoverre het de strafvordering niet ontvankelijk verklaart voor één van de twee misdrijven die de verweerder worden ten laste gelegd.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft een conclusie neergelegd die op de griffie van het Hof is ingekomen op 10 mei 2011.

Op de rechtszitting van 25 mei 2011 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel voert aan dat artikel 14.7 IVBPR, alsook de artikelen 71, eerste lid, 3°, 154, eerste lid, 1°, en 175, eerste lid, 1°, e, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, zijn geschonden.

De regel die in het voormelde artikel 14.7 is vastgelegd strekt ertoe te vermijden dat een zelfde persoon twee straffen van dezelfde aard worden opgelegd omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een zelfde gedraging.

Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem wordt niet geschonden wanneer de bestanddelen van de twee misdrijven in wezen niet dezelfde zijn. Dat is het geval wanneer, zoals te dezen, het strafbaar gestelde moreel bestanddeel van beide misdrijven verschillend is.

Artikel 154, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, straft een werkloze met tijdelijke uitsluiting van de uitkeringen, wanneer hij zijn prikkaart niet heeft doorgehaald vóór de aanvang van een beroepsactiviteit.

De gevangenisstraf en de geldboete die bij artikel 175, eerste lid, 3°, van datzelfde besluit daarop zijn gesteld, zijn toepasselijk op de werkloze die met name in het voormelde artikel 154 wordt bedoeld en die daarenboven met bedrieglijk opzet heeft gehandeld.

Het feit waarop de tweede straf staat, kan dus niet teruggebracht worden tot het feit waarop de eerste straf is gesteld.

Het bestreden arrest beslist niettemin dat de strafvordering die wegens overtreding van artikel 175 is ingesteld, niet ontvankelijk is omdat de verweerder reeds tijdelijk van de werkloosheidsuitkering was uitgesloten krachtens artikel 154 en dat de overtreding die deze uitsluiting heeft gewettigd overeenkomt met die welke correctioneel wordt vervolgd.

Het arrest leidt deze gelijkheid van beide feiten af uit de bewering, enerzijds, dat de directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening naar het bedrieglijk opzet van de verweerder verwijst om de verwijzing van het dossier naar het arbeidauditoraat te verantwoorden en, anderzijds, dat de directeur duidelijk met dat opzet rekening lijkt te hebben gehouden om de duur van de uitsluiting te bepalen, ook al zegt hij dat niet met zoveel woorden.

De bestraffing van het in artikel 175 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 bedoelde bedrieglijk opzet behoort bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht waarmee een bestuurlijke overheid zich niet mag bemoeien. Het staat niet aan de directeur van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening om het voormelde opzet te straffen. Laatstgenoemde heeft dat opzet bijgevolg niet in aanmerking kunnen nemen om de duur van de uitsluiting vast te stellen, en hij heeft dat effectief niet gedaan vermits hij alleen naar dat bijzonder moreel bestanddeel verwijst om de mededeling van de stukken aan het arbeidsauditoraat met het oog op eventuele vervolging te kunnen verantwoorden.

De appelrechters beslissen bijgevolg niet naar recht dat het feit waarvan zij kennis namen, overeenkwam met dat waarvoor de verweerder tijdelijk de werkloosheidsuitkeringen werden onthouden.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de strafvordering tegen de verweerder wegens overtreding van de artikelen 71, 154 en 175 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 niet ontvankelijk verklaart (telastlegging A.1).

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerder in de kosten

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 25 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van afgevaardigd griffier Aurore Decottignies.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Controlekaart

  • Verplichtingen

  • Administratieve sanctie

  • Strafrechtelijke sanctie

  • Moreel bestanddeel

  • Onderscheid

  • "Non bis in idem"