- Arrest van 6 juni 2011

06/06/2011 - C.10.0186.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Hoewel de feitenrechter m.b.t. de lastgeving op onaantastbare wijze de feiten vaststelt waaruit hij het bestaan van een stilzwijgende bekrachtiging afleidt, gaat het Hof evenwel na of hij die beslissing wettig uit zijn vaststellingen heeft kunnen afleiden (1). (1) Zie Cass. 2 nov. 2007, AR C.05.0379.F, AC, 2007, nr. 524.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0186.F

S. R.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FORTIS BANK nv,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in tegenwoordigheid van

W. E.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 20 november 2009.

De zaak is bij beschikking van 18 mei 2011 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1382, 1383, 1315 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het hof van beroep te Luik verklaart de oorspronkelijke vordering van de eiser tegen de verweerster ontvankelijk maar niet-gegrond en veroordeelt de eiser in de kosten van de verweerster van de twee instanties.

Het hof van beroep verantwoordt die beslissing om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en in het bijzonder, in substantie, om de volgende reden:

"3. De rechtsvordering (van de eiser) tegen (de verweerster)

Allereerst moet erop gewezen worden dat (de eiser) geen duidelijkheid verschaft over de juridische grondslag van zijn rechtsvordering, die schijnt te berusten op de fout die hij vermeldt op bladzijde 3 van zijn laatste, voormelde conclusie.

(De eiser) moet in dat geval de fout van de (verweerster) aantonen. De (verweerster) ontkent dat zij een fout heeft begaan, daar zij alle litigieuze verrichtingen zou hebben gedaan via E.W., die haar naar eigen zeggen als de lasthebber (van de eiser) zou zijn voorgesteld.

Zij beweert daarenboven dat (de eiser) de bewuste verrichtingen heeft bekrachtigd.

Er moet a priori op gewezen worden dat de [verweerster] geen enkel geschrift kan voorleggen waaruit blijkt dat E.W. een lastgeving heeft ontvangen.

Toch kan uit de zeer bijzondere omstandigheden van de zaak worden afgeleid dat (de eiser) de handelingen van de (verweerster) op zijn minst heeft bekrachtigd.

In dat opzicht merkt het hof [van beroep] het volgende op:

- (de eiser) is kennelijk geen leek in beurszaken, aangezien hij erkent dat hij verschillende effectenrekeningen bezit, met name bij een Belgische bank, een Luxemburgse bank en bij een beursbedrijf, het agentschap Leleu ;

- als geloof moet worden gehecht aan zijn stelling dat hij niet de minste opdracht heeft gegeven met betrekking tot zijn rekeningen in het agentschap te C., dat geleid wordt door B.P., en dat hij geen lasthebber voor die rekeningen zou hebben, is het onwaarschijnlijk dat hij, toen hij de gedane verrichtingen zag, genoegen zou hebben genomen met de uitspraak dat hij die verrichtingen niet begreep: een normaal zorgvuldige en aandachtige persoon zou in die omstandigheden elke verrichting onmiddellijk hebben betwist en zou hebben geëist dat de gedane verrichtingen onmiddellijk ongedaan zouden worden gemaakt;

- integendeel, toen hij merkte dat er bedragen van zijn rekening waren gehaald om er effecten mee te kopen, heeft hij opnieuw een groot bedrag op de met de effectenrekening verbonden zichtrekening gestort;

- wat betreft die storting, is het [on]waarschijnlijk dat deze werd verricht om een hogere interestvoet op de zichtrekening te behalen, daar de beloofde interestvoet veel lager is dan die welke op een depositorekening kon worden behaald;

- wanneer (de eiser) daarenboven beweert dat hij geen lasthebber had en dat de (verweerster) geen enkele verrichting op die rekening mocht doen zonder dat zij daartoe van hem de opdracht had ontvangen, is het onbegrijpelijk dat (de eiser) rekeningen heeft geopend in het agentschap te C. om daarmee vervolgens géén effecten te kopen, daar hij zelf maandenlang geen verrichtingen heeft gedaan vanop de effectenrekening;

- het eerste geschrift dat (de eiser) bij het dossier heeft gevoegd, is een brief van 27 december 2000, die hij verschillende maanden na de litigieuze aankopen heeft geschreven (...); die brief verrast in meer dan één opzicht:

- hij was om te beginnen niet gericht tot de (verweerster) maar wel tot M.E. zelf, de zaakvoerder van de vorige bank (van de eiser);

- in die brief heeft (de eiser) het vervolgens over E.W. en hemzelf, waarbij hij beweert dat E.W. niet zijn lasthebber was, M.E. verwijt dat hij ten overstaan van B.P. zou hebben beweerd dat E.W. zijn ‘vertrouwensman' was, erkent dat hij het is die hem aan de genaamde E.W. heeft voorgesteld: ‘ik heb jullie alleen maar met elkaar in contact gebracht';

- uit de gegevens van de zaak blijkt dat [de eiser] het volste vertrouwen had in E.W., aangezien hij hem op zijn minst een lastgeving had verleend voor zijn rekening in Luxemburg en dat hij hem, volgens de voormelde brief, zelfs voorgesteld had aan een verantwoordelijke van een bankkantoor, hoewel hij geen terugvalbasis meer had in België omdat 'hij uit de beursvennootschap Leleu was gezet wegens verrichtingen met hoog risicogehalte' (zie de voormelde brief);

- daarenboven moeten ook de beweringen (van de eiser) met een korreltje zout worden behandeld, aangezien hij in de voormelde brief met name schrijft dat E.W. 'een kennis is, zonder meer, een "financieel raadgever" zoals hij zelf verkondigt, maar geen enkele lastgeving heeft ontvangen';

- met betrekking tot de lastgeving moet voorts erop gewezen worden dat (de eiser), bij zijn persoonlijke verschijning, verklaard heeft dat hij nog ergens een kopie moest hebben liggen van de lastgeving die hij voor E.W. had opgemaakt voor de Luxemburgse rekening, maar dat hij er niet aan dacht ze over te leggen.

- Met betrekking tot zowel de fout als de vermeende schade moet nog het volgende worden gezegd:

- de bedragen die van de zichtrekening zijn gehaald, zijn aangewend om er effecten mee te kopen die geplaatst werden op de effectenrekening (van de eiser), dat wil zeggen dat de geldafhalingen oorspronkelijk dezelfde tegenwaarde hadden;

- (de eiser) blijft hardnekkig weigeren om de schade toe te lichten, gelet op het specifiek karakter van de betrokken verrichtingen, terwijl de betrokken effecten volgens de (verweerster) warrants waren, dit wil zeggen ‘een recht om een financieel actief te kopen of te verkopen voor een prijs en voor een termijn die vooraf zijn overeengekomen' (zie de niet betwiste omschrijving van de (verweerster) in haar laatste appelconclusie);

- (de eiser), de houder van de effectenrekening, heeft geen enkele opdracht gegeven om de betrokken warrants te verhandelen en heeft ze zodoende laten verlopen en al hun waarde doen verliezen;

- (de eiser) kan niet beweren dat hij de werking van de betrokken effecten niet kende aangezien hij, nog vóór die einddatum was bereikt, hetzelfde probleem had met dezelfde effecten die E.W. had aangekocht via zijn Luxemburgse rekening".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1998 van het Burgerlijk Wetboek is de lastgever gehouden de verbintenissen na te komen die de lasthebber overeenkomstig de hem verleende macht heeft aangegaan. Hij is niet gehouden tot hetgeen daarbuiten mocht zijn gedaan, dan voor zover hij zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigd heeft. Hoewel de bekrachtiging van de daden van de lasthebber ook uitsluitend stilzwijgend kan geschieden, kan zij alleen worden afgeleid uit een handeling die noodzakelijkerwijs de bekrachtiging veronderstelt van wat de lasthebber heeft gedaan.

Het louter stilzwijgen van de lastgever vormt op zichzelf geen bekrachtiging van hetgeen een lasthebber buiten zijn macht heeft gedaan of van hetgeen een derde zonder lastgeving heeft gedaan. Het stilzwijgen moet omstandig zijn.

Krachtens de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek, moet de partij die beweert dat de lastgever de handeling heeft bekrachtigd die een lasthebber buiten de hem verleende macht of die een derde zonder lastgeving heeft verricht, het bewijs van die bekrachtiging leveren.

Het bestreden arrest, dat aanneemt dat de verweerster niet in staat is enig geschrift over te leggen dat betrekking heeft op de lastgeving die E.W. zou hebben ontvangen, wijst slechts op de volgende gegevens om daaruit het bestaan van een stilzwijgende bekrachtiging af te leiden:

- de eiser is kennelijk geen leek in beurszaken;

- het is onwaarschijnlijk dat hij, toen hij de gedane verrichtingen zag, genoegen zou hebben genomen met de uitspraak dat hij die verrichtingen niet begreep;

- integendeel, toen hij merkte dat er bedragen van zijn rekening waren gehaald om er effecten mee te kopen, heeft hij opnieuw een groot bedrag op de met de effectenrekening verbonden zichtrekening gestort; het is onwaarschijnlijk dat die storting werd verricht om een hogere interestvoet op de zichtrekening te behalen;

- het is onbegrijpelijk dat de eiser rekeningen heeft geopend in het agentschap te C. om daarmee vervolgens géén effecten te kopen, daar hij zelf maandenlang geen verrichtingen heeft gedaan vanop de effectenrekening;

- het eerste geschrift dat de eiser bij het dossier heeft gevoegd, is een brief van 27 december 2000, die hij dus verschillende maanden na de litigieuze aankopen heeft geschreven;

- uit de gegevens van de zaak blijkt dat de eiser het volste vertrouwen had in E.W.;

- daarenboven moeten ook de beweringen van de eiser met een korreltje zout worden behandeld, aangezien hij in de voormelde brief met name schrijft dat E.W. een kennis is, zonder meer, een financieel raadgever zoals hij zelf verkondigt, maar geen enkele lastgeving heeft ontvangen;

- de eiser heeft bij zijn persoonlijke verschijning verklaard dat hij nog ergens een kopie moest hebben liggen van de lastgeving die hij voor E.W. had opgemaakt voor de Luxemburgse rekening, maar dat hij er niet aan dacht ze over te leggen.

Uit die omstandigheden alleen kan niet noodzakelijkerwijs worden afgeleid dat de eiser goedgekeurd heeft wat de heer W. zonder lastgeving heeft gedaan. Het bestreden arrest, dat uitsluitend uit de hierboven vermelde feiten afleidt dat de eiser de door de verweerster gedane verrichtingen heeft bekrachtigd, schendt derhalve artikel 1998 Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden arrest ontslaat de verweerster daarenboven in strijd met de wet van de verplichting aan te tonen dat de eiser de door de verweerster gedane verrichtingen heeft bekrachtigd. Het schendt de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 1998, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, is de lastgever gehouden de verbintenissen na te komen die de lasthebber overeenkomstig de hem verleende macht heeft aangegaan.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de lastgever niet gehouden is tot hetgeen daarbuiten mocht zijn gedaan, dan voor zover hij zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigd heeft.

Hoewel de feitenrechter op onaantastbare wijze de feiten vaststelt waaruit hij het bestaan van een stilzwijgende bekrachtiging afleidt, gaat het Hof evenwel na of hij die beslissing wettig uit zijn vaststellingen heeft kunnen afleiden.

Het bestreden arrest beslist dat "uit de zeer bijzondere omstandigheden van de zaak kan worden afgeleid dat [de eiser] de handelingen van de [verweerster] op zijn minst heeft bekrachtigd".

Uit de omstandigheden die het arrest op de vierde en de vijfde bladzijde opsomt, hebben de appelrechters wettig kunnen afleiden dat de litigieuze verrichtingen zijn bekrachtigd ten gevolge van het omstandig stilzwijgen van de eiser.

Voor het overige, en in tegenstelling tot wat de eiser betoogt, ontslaat het arrest de verweerster niet in strijd met de wet van de verplichting het haar opgedragen bewijs te leveren, maar beslist het, op grond van de feitelijke gegevens die aan de bekrachtiging ten grondslag liggen, dat de verweerster het bewijs ervan geleverd heeft.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring van het arrest.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 6 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Lastgeving

  • Stilzwijgende bekrachtiging

  • Begrip

  • Beoordeling door de rechter

  • Toezicht