- Arrest van 9 juni 2011

09/06/2011 - C.10.0307.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Bij overheidsopdrachten volstaat de indiening van de regelmatig opgemaakte factuur die geldt als verklaring van schuldvordering voor de betaling van intrest om de termijn voor de verjaring van voornoemde schuldvordering te doen ingaan (1). (1) Artt. 68 en 100 K.B. 10 dec. 1868, zowel vóór als na de wijziging ervan bij het K.B. 19 maart 2003; art. 15, §4, eerste lid, M.B. 10 aug. 1977, gewijzigd bij het M.B. 23 april 1991.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0307.F

WAALS GEWEST,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ENTREPRISE DE TRAVAUX PUBLICS RENE PIRLOT ET FILS bvba.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 27 november 2009 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De artikelen 1, eerste lid, a), b), en c) van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van de schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën en artikel 100, eerste lid, 1°, 2° en 3° van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit zijn gelijkluidend in zoverre zij bepalen dat verjaard en bepaald vervallen zijn ten voordele van de Staat, onverminderd de vervallenverklaringen uitgesproken door andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen, 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschiedde binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij ontstonden; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze werden overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de Ministers niet werden geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet werden geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan.

Die bepalingen zijn van toepassing op de schulden van de eiser krachtens artikel 71, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.

Behoudens wanneer het vaste uitgaven betreft zoals wedden of pensioenen, kan de schuldeiser de betaling van de schuldvordering slechts verkrijgen op voorwaarde dat die schuldeiser een aangifte, staat of factuur overlegt krachtens de artikelen 68 en 100 van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemene regeling op de Rijkscomptabiliteit, zowel voor als na de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 19 maart 2003.

In geval van openbare aanbestedingen die niet met vaste uitgaven kunnen worden gelijkgesteld bepaalt artikel 15, § 4, eerste lid, van de algemene aannemingsvoorwaarden van 10 augustus 1977, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 23 april 1991 dat voor de aanbestedingen die worden uitgeschreven na 1 januari 1986, de aannemer, zo de vastgestelde termijnen voor de betaling van de binnen het kader van de overheidsopdracht verschuldigde hoofdsommen worden overschreden, van rechtswege en zonder ingebrekestelling, per maand of per gedeelte van een maand vertraging, recht heeft op de betaling van een interest berekend naar rata van het aantal kalenderdagen vertraging.

Het tweede lid van dezelfde paragraaf preciseert dat het indienen van de voor de betaling van de werken regelmatig opgestelde factuur geldt als schuldvordering voor de betaling van de intrest, maar geen invloed heeft op het tijdstip waarop de intrest begint te lopen.

Krachtens artikel 1 van de wet van 14 juli 1976 op de openbare aanbestedingen, leveringen en diensten zijn die bepalingen van toepassing op de gewesten.

Bijgevolg is van rechtswege een aangifte van schuldvordering ingediend voor de intrest waarop de verweerster recht heeft, daar die begrepen is in de facturen die de verweerster aan de eiseres toegezonden heeft.

Het arrest stelt vast dat de factuur betreffende het saldo van de aanneming dagtekent van 7 april 1999, dat zij moest worden betaald binnen een termijn van 90 dagen, dat zij pas op 11 juli 2000 is betaald, en dat de verweerster op 27 september 2000 bij de eiser een schuldvordering heeft ingediend met de precisering dat zij betrekking had op de verwijlintrest.

Het arrest dat uit de verzending van de brief van 27 september 2000 afleidt dat de verjaring van de verwijlintrest voor het geheel pas begint te lopen vanaf 1 januari 2000, verantwoordt de beslissing niet naar recht dat de bij dagvaarding van 1 april 2004 ingestelde vordering tot betaling van de verwijlintrest niet verjaard is.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, als voorzitter, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Martine Regout, en in openbare rechtszitting van 9 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathiey, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Aanvang

  • Schuldvorderingen ten laste van de Staat

  • Overheidsopdrachten

  • Verwijlintrest