- Arrest van 17 juni 2011

17/06/2011 - C.10.0439.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In de faillissementen die op de datum van de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse bepalingen, d.i. 7 augustus 2005, nog niet waren afgesloten, hadden de schuldeisers die genoten van een persoonlijke zekerheidstelling tot 7 november 2005 de mogelijkheid de bijkomende verklaring, waarvan sprake in artikel 10, eerste lid, 1°, van die wet, ter griffie van de rechtbank van koophandel in te dienen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0439.N

A. V.,

eiseres,

aan wie rechtsbijstand werd verleend op 20 juli 2010 (G.10.0171.N),

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

KBC BANK nv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Havenlaan 2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest,

in aanwezigheid van

H. P., wonende

partij opgeroepen in gemeen- en bindendverklaring van het tussen te komen arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 maart 2010.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste en tweede onderdeel

1. Krachtens artikel 4 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen, wordt in artikel 63 Faillissementswet 1997, gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, tussen het eerste en het tweede lid, het volgende lid ingevoegd: "Elke schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerheidstelling vermeldt dit in zijn aangifte van schuldvordering of uiterlijk binnen zes maanden vanaf de datum van het vonnis van faillietverklaring, tenzij het faillissement eerder werd afgesloten, en vermeldt naam, voornaam en adres van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de gefailleerde, bij gebrek waaraan deze bevrijd is."

Krachtens artikel 10, eerste lid, 1°, van dezelfde wet van 20 juli 2005 gelden voor de lopende faillissementen die nog niet afgesloten zijn op het moment dat deze wet in werking treedt, de volgende overgangsbepalingen: "de schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerstelling dient binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet bij de griffie van de rechtbank van koophandel een bijkomende verklaring in met vermelding van de naam, voornaam en het adres van de persoonlijke zekersteller. Bij gebrek hieraan is die zekersteller bevrijd."

2. Krachtens artikel 4, tweede lid, Afkondigingswet zijn de wetten verbindend in het gehele Rijk de tiende dag na hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, tenzij de wet een andere termijn heeft bepaald.

3. De wet van 20 juli 2005 is op 28 juli 2005 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze wet voorziet niet in een bijzondere termijn voor de inwerkingtreding. Die wet is dus in werking getreden op 7 augustus 2005.

In de faillissementen die op die datum nog niet waren afgesloten, hadden de schuldeisers die genoten van een persoonlijke zekerheidstelling tot 7 november 2005 de mogelijkheid de bijkomende verklaring, waarvan sprake in artikel 10, eerste lid, 1°, van die wet, ter griffie van de rechtbank van koophandel in te dienen.

4. De appelrechter stelt vast dat:

- de brouwerij Perneel op bekentenis failliet werd verklaard bij vonnis van 30 januari 2002;

- de verweerster op 6 februari 2002 aangifte van schuldvordering deed in het faillissement van de Brouwerij Perneel;

- de verweerster op 8 september 2005 de verklaring aflegde overeenkomstig de bepalingen van de wet van 20 juli 2005.

5. De niet-betwiste vaststelling dat de verweerster de verklaring waarvan sprake in artikel 10, eerste lid, 1°, van de wet van 20 juli 2005 op 8 september 2005 aflegde, hetzij binnen de door de wet bepaalde termijn, schraagt de beslissing van de appelrechter om de eiseres als kosteloze borg hoofdelijk te veroordelen.

6. De onderdelen die, ook al zouden zij gegrond zijn, niet tot cassatie kunnen leiden, zijn, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Vordering tot bindendverklaring.

7. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op de som van 851,15 euro in debet en voor de verweerster op de som van 182,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Schuldeisers

  • Persoonlijke zekerheidsstelling

  • Bijkomende verklaring