- Arrest van 17 juni 2011

17/06/2011 - C.08.0073.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De uitvoeringstermijn geeft de schuldenaar de gelegenheid de veroordeling uit te voeren; gedurende die termijn kan hij geen dwangsom verbeuren, daar de dwangsom slechts verschuldigd is indien de hoofdveroordeling niet of niet tijdig is uitgevoerd; art. 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt niet de voorwaarden voor het verlenen van die uitvoeringstermijn (1). (1) Zie Beneluxhof, 11 feb. 2011 (6 arresten), nrs. A 2010/1 t.e.m. A 2010/6, www.courbeneluxhof.be, met concl. van plv. advocaat-generaal Dubrulle, en Cass. 15 maart 2011, AR P.10.1282.N, AC, 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0073.N

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor de provincie Vlaams-Brabant, met kantoor te 3000 Leuven, Blijde Inkomststraat 103-105,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. A V,

2. M J,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 18 oktober 2005.

Het Hof heeft op 24 december 2009 drie prejudiciële vragen gesteld aan het Benelux-Gerechtshof.

Het Benelux-Gerechtshof heeft die vragen op 11 februari 2011 beantwoord.

De eiser heeft na het arrest van het Benelux-Gerechtshof een nota neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden bepalingen en algemeen rechtsbeginsel

- artikel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;

- de artikelen 6, 23, 24, 25, 26, 1138, 4° en 1385bis Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 65, §1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw;

- artikel 68, §1, tweede lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde de¬creet op de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing voor diens opheffing bij het decreet van 18 mei 1999;

- artikel 149, §1, laatste alinea, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003;

- algemeen rechtsbeginsel van het strafrechtelijk gezag van gewijsde.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 18 oktober 2005 verklaart het hof van beroep te Brussel eisers hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het vonnis, dat het bevel van 8 maart 2004 nietig verklaarde, zegde voor recht dat de termijn om tot uitvoering over te gaan, zoals in het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 werd bepaald op twaalf maanden en bevestigd in het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2002, slechts inging bij de betekening van het arrest, te weten op 8 maart 2004, zegde voor recht dat de dwangsom die aan de uitvoering werd verbonden bij voormeld vonnis en bevestigd bij voormeld arrest slechts zou verbeuren na verloop van de voorziene termijn van twaalf maanden die ingaat vanaf de betekening van het arrest op 8 maart 2004, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur veroordeelde om binnen 24 uren na uitspraak van het vonnis vrijwillige opheffing te verlenen, zegde voor recht dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn dit vonnis als opheffing geldt en hem in de kosten veroordeelde, met deze preciseringen dat de termijn om tot uitvoering over te gaan inging de dag dat het arrest kracht van gewijsde verkreeg, de akte van 8 maart 2004 geldig is met betrekking tot de betekeningen van het vonnis van 17 april 2000, het arrest van het hof van beroep van 28 oktober 2002 en het arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2003 en dat de opheffing van de inschrijving van de wettelijke hypotheek be¬volen wordt en dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de 24 uren na betekening van het arrest het als opheffing zal gelden. Deze beslissing is ge¬steund op volgende overwegingen:

"De eerste rechter heeft om wel overwogen redenen die het hof herneemt en tot de zijne maakt voor recht gezegd dat de dwangsom die aan de uitvoering van het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 werd verbonden bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2002, slechts zal verbeuren na verloop van de termijn van twaalf maanden die ingaat vanaf de betekening van het arrest op 8 maart 2004.

De eerste rechter heeft daarentegen verkeerdelijk gesteld dat ook de termijn om tot uitvoering over te gaan zoals bepaald bij voormeld arrest slechts inging bij de betekening van het arrest, te weten op 8 maart 2004 terwijl het arrest uitdrukkelijk voorziet dat 'de voor het herstel bepaalde termijn ingaat op de dag dat dit arrest kracht van gewijsde verkrijgt'.

Wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal ver¬schuldigd zijn na verloop van die termijn, heeft deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroorde¬ling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft. Deze termijn dient, wat de dwangsom betreft, te worden be¬schouwd als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, die slechts ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald (Cass., 28 maart 2003, R.W. 2004-05, 137).

(De eiser) stelt tevergeefs dat het arrest van het hof van beroep slechts een termijn voor de uitvoering heeft toegekend en wat de dwangsom betreft geen gewag maakt van de termijn van twaalf maanden nadat het arrest kracht van gewijsde had verworven zodat de uitvoeringstermijn van twaalf maanden niet aan de orde is bij het bepalen van de datum waarop de dwangsom verbeurt in geval van niet uitvoering van de herstelmaatregel.

Het arrest van het hof van beroep dd. 28 oktober 2002 heeft de termijn van twaalf maanden om de hoofdveroordeling uit te voeren bevestigd en heeft aan (de verweerders) een dwangsom van 15 euro opgelegd ‘per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de opgelegde herstelmaatregel'. De dwangsom kan bijgevolg slechts verbeuren vanaf de vertraging in de tenuitvoerlegging die slechts een aanvang kan nemen na het verstrijken van de termijn van twaalf maanden. (De verweerders) kunnen geen dwangsom verbeuren gedurende de termijn van twaalf maanden vermits de dwangsom slechts kan worden opge¬legd voor het geval de hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt nagekomen.

Dit wordt trouwens door (de eiser) zelf bevestigd in de akte van betekening van 8 maart 2004 vermits hierin vermeld wordt dat het bevolen herstel uiterlijk op 8 april 2004 moet uitgevoerd zijn en dat bij gebreke aan uitvoering voor deze datum (de verweerders) solidair een dwangsom verschuldigd zijn van 15 euro per dag vertraging. De datum van 8 april 2004 komt overeen met twaalf maanden nadat het arrest kracht van gewijsde heeft verkregen door het arrest van het Hof van Cassatie dd. 8 april 2003 dat de voorziening tegen het arrest van het hof van beroep heeft verworpen.

De dwangsom kan bijgevolg slechts worden verbeurd indien eenzelfde tijdspanne als de uitvoeringstermijn is verstreken. De termijn van twaalf maanden is bijgevolg een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, die slechts ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald.

In tegenstelling met hetgeen (de eiser) voorhoudt is de termijn die een aanvang neemt bij de betekening van de uitspraak die de dwangsom oplegt geen bijkomende sanctieloze termijn voor de uitvoering. Niets belette immers (de eiser) over te gaan tot betekening van het arrest van het hof van beroep eens het in kracht van gewijsde was getreden op 8 april 2003 in plaats van tot 8 maart 2004 te wachten".

De eerste rechter overwoog ter zake: "In het door (de verweerders) neergelegde arrest van 28 maart 2003 en in een ander arrest van dezelfde datum (R.A.B.G., 2003, 969, noot) oordeelde het Hof van Cassatie dat wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, deze termijn wat de dwangsom betreft, de strekking heeft aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft; dat deze termijn, wat de dwangsom betreft, dient beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek.

Ook indien in deze het dictum van het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 luidt dat het herstel van de plaats in de vorige toestand dient uitgevoerd "binnen de twaalf maanden nadat dit vonnis kracht van gewijsde verkregen heeft", en het dictum van het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2002 luidt dat "de voor het herstel bepaalde termijn ingaat de dag dat dit arrest kracht van gewijsde verkrijgt'', werd bijge¬volg aan (de verweerders) een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek toegekend.

Indien, in strafzaken, een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, kan de dwangsom slechts worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cas¬satieberoep verwerpt (Cass., 28 maart 2003, R.A.B.G., 2003, 980, noot).

Aangezien het verwerpingsarrest van 8 april 2003 aan (de verweerders) werd betekend op 8 maart 2004, betogen zij terecht dat de termijn van twaalf maanden om tot uitvoering over te gaan eerst inging op 8 maart 2004. De in het geding zijnde dwangsommen zijn bijgevolg niet opeisbaar geworden.

(...)

Aangezien de dwangsom nog niet opeisbaar is, kon (de eiser) geen hypothecaire inschrijving nemen op de onroerende goederen van (de verweerders).

De vordering tot opheffing van de inschrijving is gegrond".

Grieven

Eerste onderdeel

Te dezen werd door de eiser hoger beroep ingesteld tegen de beslis¬sing van de eerste rechter die verweerders' vordering gegrond verklaarde, het bevel van 8 maart 2004 nietig verklaarde, zegde voor recht dat de termijn om tot uitvoering over te gaan, zoals in het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 werd bepaald op twaalf maanden en bevestigd in het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2002, slechts inging bij de betekening van het arrest, te weten op 8 maart 2004, zegde voor recht dat de dwangsom die aan de uitvoering werd verbonden bij voormeld vonnis en bevestigd bij voormeld arrest slechts zal verbeuren na verloop van de voorziene termijn van twaalf maanden die ingaat vanaf de betekening van het arrest op 8 maart 2004, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur veroordeelde om binnen de 24 uren na uitspraak van het vonnis vrijwillige opheffing te verlenen, zegde voor recht dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn dit vonnis als opheffing geldt en hem in de kosten veroordeelde.

Het hof van beroep verklaart in het bestreden arrest het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, waarna het evenwel verklaart dat het het vonnis bevestigt met deze preciseringen dat de termijn om tot uitvoering over te gaan inging de dag dat het arrest kracht van gewijsde verkreeg, de akte van 8 maart 2004 geldig is met betrekking tot de betekeningen van het vonnis van 17 april 2000, het arrest van het hof van beroep van 28 oktober 2002 en het arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2003, dat de opheffing van de in¬schrijving van de wettelijke hypotheek bevolen wordt en dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de 24 uren na betekening van het arrest het als opheffing zal gelden.

Uit deze omschrijving volgt dat het hof van beroep minstens ten dele inging op het hoger beroep van de eiser.

Besluit

Waar het hof van beroep, enerzijds, het hoger beroep van de eiser ongegrond verklaart, doch, anderzijds, het bestreden vonnis bevestigt met de hierboven aangehaalde preciseringen en onder meer uitdrukkelijk verklaart dat de termijn om tot uitvoering over te gaan inging de dag dat het arrest kracht van gewijsde kreeg en dat de akte van 8 maart 2004 wel degelijk geldig is met betrekking tot de betekeningen van het vonnis dd. 17 april 2000, het arrest van het hof van beroep van 28 oktober 2002 en het arrest van het Hof van Cassa¬tie van 8 april 2003, is het bestreden arrest door een tegenstrijdigheid in zijn beschikkend gedeelte aangetast en derhalve niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek) en is het bestreden arrest evenmin regelmatig met redenen omkleed (schending van arti¬kel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

Tweede onderdeel

Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 werden de verweerders veroordeeld wegens een bouwmisdrijf tot het herstel van de plaatsen in de vorige staat van de plaats gelegen te Tremelo, Werchtersebaan 2/11 door afbraak van de daar wederrechtelijk opgerichte constructies, namelijk een weekendhuisje met bergplaatsen en veranda, en dit binnen de twaalf maanden nadat dit vonnis kracht van gewijsde verkregen heeft.

Het hof van beroep te Brussel bevestigde bij arrest van 28 oktober 2002 dit vonnis, behalve dat, benevens de wijziging van de bewezen tenlas¬teleggingen en van de straffen, geoordeeld werd dat de herstelmaatregel tevens de vijvers omvat, de voor het herstel bepaalde termijn ingaat de dag dat dit arrest kracht van gewijsde verkrijgt en aan iedere beklaagde een dwangsom wordt opgelegd van 15 euro per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel.

De dwangsom werd zodoende voor het eerst opgelegd in hoger beroep.

De beslissing tot het opleggen van een dwangsom werd gerecht¬vaardigd door de overweging "dat het gepast voorkomt, teneinde de tenuit¬voerlegging van het opgelegd herstel te bewerkstelligen, een dwangsom op te leggen waarvan het bedrag bepaald kan worden op 15 euro per dag".

Van enige respijttermijn, zijnde een termijn die dient te verstrijken alvorens de dwangsom kan verbeuren, was er in dat arrest geen sprake.

Besluit

Waar het hof van beroep in het bestreden arrest het arrest van 28 oktober 2002 aldus uitlegt dat hierin niet alleen een uitvoeringstermijn, maar ook een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek van dezelfde duur als de uitvoeringstermijn werd bepaald, zijnde een termijn tijdens dewelke de dwangsom niet kan verbeuren, en derhalve oordeelt dat er in het arrest van 28 oktober 2002 een dubbele termijn werd bepaald, daar waar blijkens de tekst van het kwestieuze arrest er, enerzijds, werd beslist dat de beslissing van de eerste rechter tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand binnen de aldaar bepaalde termijn van twaalf maanden nadat het vonnis kracht van gewijsde verkregen heeft, wordt bevestigd, met dien verstande dat het woord ‘arrest' aan het woord ‘vonnis' werd gesubstitu¬eerd, en, anderzijds, voor het eerst in hoger beroep een dwangsom van 15 euro per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de opgelegde herstelmaatregel werd bepaald, zonder dat in dat arrest werd gesteld dat de dwangsom eerst na het verstrijken van een zekere termijn zou kunnen verbeuren, heeft het hof aan voornoemd arrest een uitlegging gegeven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en derhalve de bewijskracht van dit arrest miskend (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek) evenals het rechterlijk gezag van gewijsde dat aan voornoemd arrest van 28 oktober 2002 kleeft (schending van de artikelen 23, 24, 25 en 26 Gerechtelijk Wetboek, alsook van het algemeen rechtsbeginsel van het strafrechterlijk gezag van gewijsde) en kon het derhalve niet wettig besluiten, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, dat de dwangsom die aan de uitvoering werd verbonden bij voormeld arrest, slechts zal verbeuren na verloop van de voorziene termijn van twaalf maanden die ingaat vanaf de betekening van het arrest op 8 maart 2004 (schending van artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek).

Derde onderdeel

Naar luid van artikel 6 Gerechtelijk Wetboek mogen de rechters in de zaken die aan hun oordeel zijn onderworpen, geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.

Voornoemde regel verzet zich zodoende ertegen dat een rechter, aan wie de vraag wordt voorgelegd of de dwangsomrechter aan de door hem opgelegde dwangsom een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, waarbinnen de dwangsom niet zal kunnen verbeu¬ren, te onderscheiden van een termijn verleend voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, heeft gekoppeld, tot een bevestigend antwoord komt om de enkele reden dat in het verleden een andere rechter, in casu het Hof van Cassatie in een arrest van 28 maart 2003, geoordeeld heeft dat wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn (onder te verstaan de termijn die werd verleend voor de uitvoering van de hoofdveroordeling), deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking heeft aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft en derhalve, wat de dwangsom betreft, dient te worden beschouwd als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, die slechts ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald.

De bepaling van een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek wordt immers overgelaten aan de apprecia¬tiebevoegdheid van de feitenrechter die zelf vrij bepaalt om aan het verbeuren van de dwangsom al dan niet een termijn te verbinden, hetgeen impliceert dat ter zake de bedoeling van de rechter dient te worden nagegaan om uit te maken of er al dan niet van een dergelijke termijn sprake is.

Besluit

Waar het hof van beroep besluit tot het bestaan van een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek omdat overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie moet worden aangenomen dat er sprake is van een termijn, zoals bedoeld in dat artikel, wanneer de dwangsomrechter een termijn voor de uitvoering van de hoofdveroordeling heeft bepaald en voorts heeft gesteld dat de dwangsom eerst na het verstrijken van die termijn zal verbeuren, zonder dat er in feite wordt nagegaan of het wel de bedoe¬ling van de feitenrechter was om ook een termijn waarbinnen de dwangsom niet kan verbeuren, zoals bedoeld bij voornoemd artikel, te bepalen, verleent het aan deze rechtspraak de waarde van een algemene en als regel geldende beschikking (schending van artikel 6 Gerechtelijk Wetboek) en doet het uitspraak in miskenning van de appreciatiebevoegdheid van de rechter die de dwangsom heeft opgelegd (schending van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek).

Vierde onderdeel

Blijkens artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek kan de rech¬ter op vordering van één der partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom voor het geval dat aan de hoofdveroordeling, al dan niet na het verstrijken van een bepaalde termijn, niet wordt voldaan.

Naar luid van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter tevens bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren. Hij is daartoe evenwel niet verplicht.

Blijkens laatstgenoemde bepaling zal er dan ook slechts van een respijttermijn in voornoemde zin sprake kunnen zijn wanneer de rechter gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die hem bij dit artikel wordt verleend om een termijn te bepalen waarbinnen de dwangsom niet zal verbeuren.

De enkele omstandigheid dat de rechter bij toepassing van een andere bepaling voorziet in een termijn waarbinnen de hoofdveroordeling moet worden uitgevoerd volstaat dan ook geenszins om tot het bestaan van een dergelijke respijttermijn te kunnen besluiten. Daartoe dient de bedoeling van de rechter te worden nagegaan.

Een dergelijke termijn dient meer bepaald te worden onderscheiden van de termijn, waarvan sprake in artikel 65, § 1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, nadien artikel 68, § 1, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening, vervolgens artikel 149, § 1, laatste alinea, van het de¬creet van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003.

Naar luid van deze bepalingen beveelt de rechtbank, rechtdoende in stedenbouwzaken, ofwel de plaats in de vorige staat te herstellen, ofwel bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren. De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn die een jaar niet mag overschrijden.

De bepaling van een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregel is zodoende bij de wet opgelegd en komt voor in iedere beslissing waarbij een herstelmaatregel wordt bevolen.

Het betreft hier bovendien een termijn waarbinnen dient te worden voldaan aan de hoofdveroordeling, anders gezegd een uitvoeringstermijn, die als dusdanig is te onderscheiden van een respijttermijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek.

Uit de enkele omstandigheid dat in een beslissing, gewezen inzake stedenbouw, een termijn voor de uitvoering werd bepaald mag noch kan bijgevolg zonder meer worden afgeleid dat de rechter ook een tweede, bijko¬mende termijn heeft willen bepalen waarbinnen de dwangsom niet zal kunnen verbeuren.

Besluit

Waar het hof van beroep oordeelt dat de dwangsom slechts kan worden verbeurd indien een zelfde tijdspanne als de uitvoeringstermijn is verstreken en aldus aanneemt dat uit de enkele omstandigheid dat er in een termijn voor de uitvoering van de hoofdveroordeling werd voorzien volgt dat er ook is voorzien in een termijn waarbinnen de dwangsom niet kan verbeuren, zoals bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, en aldus uit het oog verliest dat er van een respijttermijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek slechts sprake kan zijn voor zover de dwangsomrechter met toepassing van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek heeft beslist dat de dwangsom niet zal kunnen verbeuren vooraleer een bepaalde termijn, genaamd de respijttermijn, is verstre¬ken doet het hof van beroep uitspraak, enerzijds, in miskenning van het facul¬tatief karakter van de bevoegdheid verleend aan de dwangsomrechter om een termijn, zoals bedoeld in voornoemd artikel, te bepalen (schending van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek), anderzijds van de speci¬fieke aard van de termijn, waarvan sprake in de stedenbouwwetgeving, waarvan de bepaling verplicht is zodra een herstelmaatregel wordt bevolen (schending van artikelen 65, § 1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, 68, § 1, tweede lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing vóór diens opheffing bij het decreet van 18 mei 1999 en artikel 149, § 1, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003). Minstens is het bestreden arrest dat niet toelaat uit te maken waarop het hof van beroep steunt om te stellen dat de dwangsom slechts kan worden verbeurd indien een zelfde tijdspanne als de uitvoeringstermijn is verstreken, met dien verstande dat die laatste termijn slechts een aanvang zal nemen op het ogenblik van het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, en aldus de wettigheidscontrole van het Hof op deze beslissing onmogelijk maakt, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Vierde onderdeel

1. Artikel 1385bis, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

"De dwangsom kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld.

De rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren."

2. In zijn arrest A 2010/5 van 11 februari 2011 heeft het Benelux-Gerechtshof geoordeeld dat:

- artikel 1, lid 3 en lid 4, van de Eenvormige wet betreffende de dwangsom aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt en hiervoor een uitvoeringstermijn bepaalt vanaf het in kracht van gewijsde gaan van deze veroordeling met oplegging van een dwangsom zonder respijttermijn, de dwangsom verbeurd is indien zowel de uitvoeringstermijn is verstreken als betekening heeft plaatsgehad;

- uit het stilzwijgen van de rechter omtrent de termijn voor het verbeuren van de dwangsom niet mag worden afgeleid dat de termijn die bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening;

- artikel 1, lid 4, van de Eenvormige wet betreffende de dwangsom aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn bepaalt om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel niet verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat, berekend vanaf de betekening van de beslissing, dan de termijn toegestaan voor de uitvoering.

3. De uitvoeringstermijn geeft de schuldenaar de gelegenheid de veroordeling uit te voeren. Gedurende die termijn kan hij geen dwangsom verbeuren, daar de dwangsom slechts verschuldigd is indien de hoofdveroordeling niet of niet tijdig is uitgevoerd. Artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt niet de voorwaarden voor het verlenen van die uitvoeringstermijn.

De respijttermijn geeft de schuldenaar nog enige tijd de veroordeling na te komen, zonder dat de niet-nakoming de dwangsom verbeurt. Voor die respijttermijn geldt wel artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek.

4. Het staat aan de rechter te bepalen of hij naast de uitvoeringstermijn ook een respijttermijn toekent.

5. Wanneer de rechter enkel beslist dat de uitgesproken veroordeling moet uitgevoerd zijn binnen een bepaalde termijn, dit onder verbeurte van een dwangsom, dan verleent hij de schuldenaar uitsluitend een uitvoeringstermijn en geen respijttermijn.

Daaruit volgt dat na het verstrijken van de uitvoeringstermijn niet nog bijkomend eenzelfde respijttermijn begint te lopen vanaf de betekening.

Wanneer de rechter enkel een uitvoeringstermijn verleent, kan de dwangsom verbeurd worden vanaf het verstrijken van die termijn op voorwaarde dat de uitspraak die de dwangsom bepaalt, aan de schuldenaar is betekend.

6. Het bestreden arrest dat anders beslist, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige onderdelen

7. De drie overige onderdelen zijn reeds beantwoord bij arrest van het Hof van 24 december 2009.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de periode waarin de dwangsommen niet zijn verbeurd, uitspraak doet over de opheffing van de hypothecaire inschrijving en over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Stassijns, waarnemend voorzitter en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Alain Bloch, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2011 uitgesproken door raadsheer Eric Stassijns, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Verbeurte

  • Hoofdveroordeling

  • Uitvoeringstermijn

  • Begrip

  • Artikel 1385bis, vierde lid, Ger.W.

  • Toepasselijkheid