- Arrest van 27 juni 2011

27/06/2011 - S.10.0057.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De burgers van de Europese Unie die niet de hoedanigheid van werknemer hebben in de zin van artikel 39 van het Verdrag, worden beschermd tegen discriminatie op grond van nationaliteit in de uitoefening van hun vrijheden om zich binnen de Unie te verplaatsen en er te verblijven ; het arrest dat beslist dat de eiseres geen werkneemster is in de zin van artikel 39 van het Verdrag, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat zij, overeenkomstig artikel 36, § 1, 2°, j), Werkloosheidsbesluit, niet tot de wachtuitkeringen kan worden toegelaten.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0057.F

P. D.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het arbeidshof te Bergen van 25 februari 2010.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

De feiten van de zaak en de voorafgaande rechtspleging, zoals zij blijken uit het bestreden arrest en de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, kunnen worden samengevat als volgt :

De eiseres is geboren op 21 mei 1981 en heeft de Franse nationaliteit.

Zij heeft middelbaar onderwijs genoten in Frankrijk en heeft in dat land een "baccalauréat professionnel" behaald. Ze heeft geen zes jaar onderwijs gevolgd in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door één van de gemeenschappen van België.

Zij betoogt dat zij sinds 2001 gehuwd is met een Belg en samen met haar echtgenoot in België verblijft.

Op 1 februari 2002 heeft ze zich als werkzoekende ingeschreven bij de Belgische dienst voor arbeidsvoorziening.

Op 1 juni 2003 heeft ze wachtuitkeringen aangevraagd, dat wil zeggen werkloosheidsuitkeringen die toegekend worden aan de jongeren die hun studies beëindigd hebben en die op zoek zijn naar hun eerste dienstbetrekking.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, in deze zaak de verweerder, heeft bij beslissing van 11 september 2003 geweigerd om de eiseres toe te laten tot de wachtuitkeringen, op grond, met name, dat zij niet ten minste zes jaar onderwijs in België gevolgd had vóór zij naar de middelbare school in Frankrijk ging.

Het beroepen vonnis heeft de eiseres toegelaten tot het voordeel van de uitkeringen.

Het bestreden arrest dat dit vonnis wijzigt, beslist dat de eiseres niet kan worden toegelaten tot die uitkeringen. Het arrest verwerpt bijgevolg het verhaal van de eiseres tegen de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 12, eerste lid, 17, 18 en, voor zover nodig, 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Rome op 25 maart 1957 en goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, in de versie geconsolideerd te Amsterdam op 2 oktober 1997, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998 (de oude artikelen 6, 8, 8A, en 48 van het Verdrag) ;

- artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 ;

- artikel 159 van de Grondwet, algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt een beslissing, en met name een norm, toe te passen die in strijd is met een hogere norm, en het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van de bepalingen van internationaal recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht, die een rechtstreekse werking hebben in het nationale recht ;

- de artikelen 36, inzonderheid § 1, eerste lid, 2°, j), en § 2, 94, § 3, en 97 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering ;

- de artikelen 69, 70 en 71 van de verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (vóór de inwerkingtreding van de verordening nr. 883/2004, die deze vervangt).

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijzigt het beroepen vonnis en herstelt de bestreden administratieve beslissing, verwerpt de vordering van de eiseres die strekt tot erkenning van het recht om toegelaten te worden tot de wachtuitkeringen op 1 juni 2003, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid om de volgende redenen :

"1. Luidens artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 moet de jonge werknemer, om toegelaten te worden tot het recht op wachtuitkeringen, aan de volgende voorwaarden voldoen:

1° niet meer onderworpen zijn aan de leerplicht;

2° a) ofwel studies met een volledig leerplan van de hogere secundaire cyclus, of het derde jaar van studies met een volledig leerplan van het secundair technisch-, kunst- of beroepsonderwijs voleindigd hebben in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een Gemeenschap ; (...)

h) ofwel studies of een vorming gevolgd hebben in een andere Lidstaat van de Europese Economische Ruimte indien volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn:

- de jongere legt documenten voor waaruit blijkt dat de studie of de vorming van hetzelfde niveau en gelijkwaardig zijn aan deze vermeld in de voormelde litterae;

- op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag is de jongere, als kind, ten laste van migrerende werknemers in de zin van artikel 48 van het EG-Verdrag, die in België verblijven; (...)

j) ofwel een bewijsstuk bekomen hebben afgeleverd door een Gemeenschap dat de gelijkwaardigheid vaststelt met het getuigschrift bedoeld onder b) of een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs ; deze littera geldt evenwel slechts op voorwaarde voorafgaandelijk ten minste zes jaar studies gevolgd te hebben in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een Gemeenschap (...).

Littera h) werd in artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 ingevoegd bij koninklijk besluit van 13 december 1996, dat in werking is getreden op 1 januari 1997, teneinde de nationale reglementering in overeenstemming te brengen met het gemeenschapsrecht, en dat ten gevolge van het arrest van 12 september 1996 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Littera j) werd aan artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 toegevoegd bij koninklijk besluit van 11 februari 2003, dat uitwerking heeft gekregen op 1 januari 2003, en dat ten gevolge het arrest van 11 juli 2002 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

2. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft bij arrest van 11 juli 2002 het standpunt bevestigd dat het ingenomen had in het arrest van 12 september 1996, volgens hetwelk de toepassing van het gemeenschapsrecht inzake het vrij verkeer van werknemers met betrekking tot een nationale regeling die verband houdt met de werkloosheidsverzekering, verlangt dat degene die een beroep erop doet, reeds tot de arbeidsmarkt behoort door de uitoefening van een reële en daadwerkelijke beroepswerkzaamheid waardoor hij de hoedanigheid van werknemer in de zin van het gemeenschapsrecht heeft verkregen, wat per definitie niet het geval is bij jongeren die een eerste dienstbetrekking zoeken.

(De eiseres) kan bijgevolg geen aanspraak maken op de rechten die door artikel 48 van het Verdrag en door de verordening nr. 1612/68 worden toegekend aan de migrerende werknemers, evenmin als op de afgeleide rechten die deze verordening toekent aan de gezinsleden van dergelijke werknemers.

3. Hoewel (de eiseres) haar argumentatie niet grondt op littera h) van artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, moet erop gewezen worden dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 11 juli 2002, dat handelt over een Belgische onderdaan die in het buitenland onderwijs was gaan volgen en vervolgens naar België was teruggekeerd om dat onderwijs voort te zetten en werk te zoeken, geen afbreuk doet aan de op buitenlandse onderdanen toepasselijke voorwaarden noch, inzonderheid, aan het arrest van 12 september 1996 dat betrekking heeft op een zaak waarin de verweten en vastgestelde indirecte discriminatie beperkt was tot de migrerende werknemers, doordat hun kinderen niet over dezelfde rechten beschikten als de kinderen ten laste van Belgische werknemers.

4. In het arrest van 11 juli 2002 stelt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen vast dat de aanvrager van wachtuitkeringen geen beroep kan doen op de rechten die artikel 48 van het Verdrag en verordening nr. 1612/68 aan migrerende werknemers toekent, en evenmin op de afgeleide rechten die gezinsleden van dergelijke werknemers aan die verordening ontlenen, en onderzoekt het vervolgens de zaak op grond van de bepalingen betreffende het Europese burgerschap (artikel 8 van het EG-Verdrag : vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven).

De aan het Hof van Justitie voorgelegde vraag betrof de situatie van mevrouw D'Hoop, Belgisch onderdaan, die haar middelbaar onderwijs in Frankrijk had voltooid, waar zij in 1991 het baccalaureaatsdiploma had behaald. Dat diploma wordt in België erkend als gelijkwaardig aan het gehomologeerd getuigschrift van hoger secundair onderwijs samen met het gehomologeerd bekwaamheidsattest dat toegang geeft tot het hoger onderwijs. Mevrouw D'Hoop had vervolgens tot 1995 een universitaire opleiding gevolgd in België. In 1996 had zij wachtuitkeringen aangevraagd. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening had haar verzoek om wachtuitkeringen bij beslissing van 17 september 1996 afgewezen, op grond dat zij niet voldeed aan de voorwaarde van artikel 36, § 1, eerste lid, 2° , sub a, van het koninklijk besluit van 25 november 1991.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen oordeelde dat de nationale regeling, door de toekenning van de wachtuitkeringen te verbinden aan de voorwaarde dat het vereiste diploma in België was behaald, bepaalde nationale onderdanen benadeelde, alleen al op grond dat zij hun recht van vrij verkeer hadden uitgeoefend om in een andere lidstaat te studeren, en dat een dergelijke ongelijke behandeling in strijd was met de beginselen die aan de hoedanigheid van burger van de Unie ten grondslag liggen, met name de garantie dat de burgers bij de uitoefening van hun recht van vrij verkeer rechtens gelijk worden behandeld. Het Hof van Justitie wees erop dat ‘de wachtuitkeringen waarin de Belgische regeling voorziet en die de ontvanger ervan toegang verschaffen tot speciale werkgelegenheidsprogramma's, tot doel hebben de overgang van studie naar beroepsleven voor jongeren te vergemakkelijken. In deze context is het rechtmatig dat de nationale wetgever zich ervan wil vergewissen dat er een werkelijke band bestaat tussen de aanvrager van de uitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt. Wanneer daartoe één enkel criterium wordt gehanteerd, namelijk de plaats waar het middelbareschooldiploma is behaald, is dit evenwel te algemeen en te exclusief'. Het Hof van Justitie gaf dus volgend antwoord op de prejudiciële vraag: ‘Het gemeenschapsrecht verzet zich ertegen dat een lidstaat weigert aan een van zijn onderdanen, een student op zoek naar een eerste dienstbetrekking, wachtuitkeringen toe te kennen op de uitsluitende grond dat deze student zijn middelbare studie in een andere lidstaat heeft voltooid'.

5. Als gevolg van dat arrest werd een littera j) toegevoegd aan artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991. De jonge werknemer die in het buitenland een diploma heeft behaald dat gelijkwaardig is aan dat welk in België recht geeft op wachtuitkeringen, kan aanspraak maken op uitkeringen op voorwaarde dat hij vóór het behalen van dat diploma zes jaar onderwijs in België heeft gevolgd. Die voorwaarde werd ingevoegd om de band met de Belgische arbeidsmarkt te waarborgen.

(De eiseres) kan niet worden gevolgd wanneer zij betoogt dat artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, j), van het koninklijk besluit van 25 november 1991 indruist tegen het beginsel van de gelijke behandeling, zoals vastgelegd in artikel 39 van het EG-Verdrag en artikel 7 van de verordening nr. 1612/68, aangezien zij geen 'werknemer' is in de zin van het gemeenschapsrecht. Zij heeft immers nooit toegang gehad tot de arbeidsmarkt.

Daarenboven wordt het beginsel van het vrij verkeer van de burgers binnen de Unie niet miskend aangezien (de eiseres) geen enkele schade lijdt door het feit dat zij zich in België heeft gevestigd. Zij verliest immers geen enkel recht en zij bevindt zich niet in een minder gunstige positie omdat zij gebruik heeft gemaakt van haar recht op het vrij verkeer van personen door Frankrijk te verlaten en zich in België te vestigen.

Ten slotte merkt (de verweerder) terecht op dat, enerzijds, het verblijf in België een voorwaarde is waaraan eerst moet worden voldaan vóór uitkeringen kunnen worden aangevraagd en dat, anderzijds, de inschrijving bij de Forem niet volstaat om een werkelijke band met de Belgische arbeidsmarkt aan te tonen en dat, ten slotte, de nationaliteit van de echtgenoot van (de eiseres) geen enkel verband met de arbeidsmarkt vertoont."

Grieven

In haar appelconclusie betoogde de eiseres dat "in zoverre zij sinds 1 februari 2002 als werkzoekende bij de Forem is ingeschreven, sinds 2001 gehuwd is met een Belgisch staatsburger en met haar echtgenoot in België verblijft, zij in tegenstelling tot (de verweerder) meent dat de werkelijke band tussen haarzelf en de Belgische geografische arbeidsmarkt groot genoeg is om vanaf 1 juni 2003 wachtuitkeringen te kunnen genieten". Zij verzocht het arbeidshof bijgevolg om artikel 36, § 1, eerste lid, 2°), j), van het koninklijk besluit van 25 november 1991 toe te passen op een wijze die strookte met de bepalingen van het Verdrag. Dat artikel biedt de mogelijkheid om wachtuitkeringen toe te kennen aan een jonge werknemer die in een ander land van de Europese Gemeenschap onderwijs heeft voltooid dat gelijkwaardig is aan dat welk in België recht geeft op wachtuitkeringen, op voorwaarde dat hij eerst ten minste zes jaar onderwijs heeft gevolgd in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door één van de Gemeenschappen van België. De eiseres verzocht het arbeidshof om die laatste voorwaarde, die discriminatoir is, te vervangen door andere elementen die de werkelijke band tussen haarzelf en de Belgische arbeidsmarkt konden aantonen.

Zowel krachtens het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter geen norm mag toepassen die een hogere bepaling schendt als krachtens artikel 159 van de Grondwet, dat voormeld beginsel toepast, als van het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang, op de bepalingen van nationaal recht, van de bepalingen van internationaal recht die een rechtstreekse werking hebben (met inbegrip van het gemeenschapsrecht), moest het arbeidshof uitspraak doen op grond van de rechten die aan de eiseres zijn verleend door het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Artikel 17 van het Verdrag kent aan elke persoon die de nationaliteit van een Lidstaat heeft, het statuut van burger van de Unie toe ; een onderdaan van een andere Lidstaat die wettig verblijft op het grondgebied van een andere Lidstaat, valt rationae personae onder de toepassing van de bepalingen van het Verdrag die betrekking hebben op het Europese burgerschap en kan bijgevolg aanspraak maken op de in het Verdrag bepaalde rechten die artikel 17 verbindt aan het statuut van burger van de Unie. Zo is het gemeenschapsrecht onder meer van toepassing op de situatie waarin de bij het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden worden uitgeoefend, meer bepaald de vrijheid om te reizen en te verblijven op het grondgebied van de Lidstaten, die zijn vastgelegd in de artikelen 18 en 39 van dat Verdrag. Krachtens artikel 12 van het Verdrag heeft elke burger van de Unie het recht om, binnen de werkingssfeer rationae materiae van het Verdrag, niet op grond van nationaliteit gediscrimineerd te worden.

Eerste onderdeel

In de in het middel bedoelde artikelen 12, eerste lid, 17, 18 en 39 van het Verdrag is het recht van alle Europese burgers vastgelegd om in een andere Lidstaat dan die waaruit zij afkomstig zijn, niet anders te worden behandeld dan de onderdanen van die Lidstaat, behalve indien dat verschil in behandeling gegrond is op objectieve overwegingen die geen verband houden met de nationaliteit van de betrokkenen en die in een redelijke verhouding staan tot het door de nationale wetgeving van die Staat nagestreefde doel.

De in artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, j), opgelegde voorwaarde om, vóór het behalen van het bewijsstuk dat de gelijkwaardigheid vaststelt met het getuigschrift bedoeld onder b) of met een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs, zes jaar onderwijs in België te hebben gevolgd, staat niet los van de nationaliteit van de betrokkenen, daar de Belgische onderdanen makkelijker aan die voorwaarde kunnen voldoen.

Die voorwaarde is niet evenredig aan het door het Belgische recht wettig nagestreefde doel. De bij artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 toegekende wachtuitkeringen hebben tot doel de overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt te vergemakkelijken. Een Lidstaat kan niet verplicht worden een wachtuitkering te betalen aan elke student die zijn studie voltooid heeft in één van de Lidstaten van de Europese Unie en vervolgens op zoek gaat naar een eerste dienstbetrekking. Daarom kan worden geëist dat er tussen de gaststaat en de student een bepaalde band bestaat. Hoewel de nationale wetgever aldus een wettige reden heeft om zich te vergewissen van het bestaan van een werkelijke band tussen de aanvrager van wachtuitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt, is de vereiste om - vóór het onderwijs dat recht geeft op die uitkeringen - ten minste zes jaar onderwijs te hebben gevolgd in een onderwijsinstelling die is opgericht, gesubsidieerd of erkend door één van de Gemeenschappen van België buitensporig, aangezien die vereiste te algemeen en exclusief is. Ze kent ten onrechte een te groot gewicht toe aan een factor die niet noodzakelijk een juiste weergave is van de mate waarin er een werkelijke band bestaat tussen de aanvrager van de wachtuitkeringen en de geografische arbeidsmarkt. Door die vereiste worden alle jongeren die zich, net als de eiseres, binnen de Europese Gemeenschap hebben verplaatst om met een Belg te huwen en in België een gezin te stichten, uitgesloten van wachtuitkeringen en, bijgevolg, van de programma's die de jeugdwerkloosheid bestrijden en die maatregelen bevatten om jonge werklozen aan het werk te zetten teneinde hen, inzonderheid, de kans te bieden werkervaring op te doen. Die uitsluiting vertoont geen enkel verband met het nagestreefde doel, met name vermijden dat verplaatsingen binnen de Europese Gemeenschap gedaan worden om socialezekerheidsuitkeringen in een andere Lidstaat te kunnen genieten. Zij miskent zowel het gemeenschapsrechtelijk beginsel volgens hetwelk elke Lidstaat het gezin van de communautaire werknemer zo goed mogelijk moet integreren in de gaststaat, als het beginsel van de eerbiediging van het gezinsleven, vastgelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het arbeidshof mocht op die voorwaarde dus geen acht slaan en diende te onderzoeken of de werkelijke band tussen de eiseres en de Belgische arbeidsmarkt niet kon worden afgeleid uit het geheel van de door haar aangevoerde gegevens.

Wat dat betreft is de Belgische nationaliteit van de echtgenoot, in tegenstelling tot wat het arrest aanneemt, geen element dat in deze zaak "geen enkel verband met de arbeidsmarkt vertoont", aangezien het echtpaar, dat samengesteld is uit twee staatsburgers uit de Europese Unie met een verschillende nationaliteit, zich in de Staat van een van de twee staatsburgers heeft gevestigd. De nationaliteit van de echtgenoot en de vestiging van het echtpaar in België zijn elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de band tussen de aanvrager van de wachtuitkeringen en de betrokken arbeidsmarkt.

Het verblijf in België is, in tegenstelling tot wat het arrest aanneemt, niet de "voorwaarde waaraan eerst moet worden voldaan vóór uitkeringen kunnen worden aangevraagd". Vooreerst betreft het een voorwaarde die zowel in het Belgische recht (met name de artikelen 36, § 2, inzonderheid 4° en 5°, 94 en 97 van het koninklijk besluit van 25 november 1991) als in gemeenschapsrecht (met name de artikelen 69 en 71 van de verordening nr. 1408/71) verfijnd wordt. Daarenboven, en vooral, zijn de redenen om van verblijfplaats te wisselen, te weten de wil om met haar echtgenoot samen te leven, en de duur van het verblijf elementen op grond waarvan de werkelijke band beoordeeld moet worden.

Ten slotte is de inschrijving als werkzoekende, met name wat betreft de duur ervan, een gegeven op grond waarvan de band van de aanvrager met de arbeidsmarkt beoordeeld kan worden.

Het arrest dat weigert aan de eiseres wachtuitkeringen toe te kennen, op grond dat het verblijf in België een voorwaarde is waaraan eerst moet worden voldaan voordat uitkeringen kunnen worden aangevraagd, dat de inschrijving bij de Forem niet volstaat om de band tussen de aanvrager en de Belgische arbeidsmarkt aan te tonen en dat de nationaliteit van de echtgenoot geen enkel verband met die arbeidsmarkt vertoont, schendt alle in het middel aangewezen bepalingen.

Tweede onderdeel

In de in het middel bedoelde artikelen 12, eerste lid, 17, 18 en 39 van het Verdrag is het recht van alle Europese burgers vastgelegd om in een andere Lidstaat dan die waaruit zij afkomstig zijn, niet anders te worden behandeld dan de onderdanen van die Lidstaat, behalve indien dat verschil in behandeling gegrond is op objectieve overwegingen die geen verband houden met de nationaliteit van de betrokkenen en in een redelijke verhouding staan tot het door de nationale wetgeving van die Staat nagestreefde doel. Die rechten maken onlosmakelijk deel uit van het burgerschap van de Unie en worden door het Verdrag rechtstreeks toegekend aan de burgers, ongeacht hun hoedanigheid als werknemer.

Het arrest, dat weigert aan de eiseres wachtuitkeringen toe te kennen op grond dat zij geen werknemer is in de zin van het gemeenschapsrecht, schendt derhalve de in het middel aangewezen verdragsbepalingen en artikel 159 van de Grondwet en miskent daarenboven de eveneens in het middel aangewezen algemene rechtsbeginselen.

Derde onderdeel

In de in het middel bedoelde artikelen 12, eerste lid, 17, 18 en 39 van het Verdrag is het recht van alle Europese burgers vastgelegd om in een andere Lidstaat dan die waaruit zij afkomstig zijn, niet anders te worden behandeld dan de onderdanen van die Lidstaat, behalve indien dat verschil in behandeling gegrond is op objectieve overwegingen die geen verband houden met de nationaliteit van de betrokkenen en in een redelijke verhouding staan tot het door de nationale wetgeving van die Staat nagestreefde doel.

De naleving van de in het middel bedoelde verdragsbepalingen kan bijgevolg niet worden beoordeeld aan de hand van de situatie van een Europees burger, die afkomstig is uit een Lidstaat, indien hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. In zoverre het arrest weigert aan de eiseres wachtuitkeringen toe te kennen op grond dat zij "door haar vestiging in België geen enkel nadeel lijdt. Ze verliest inderdaad geen enkel recht en bevindt zich niet in een minder gunstige toestand doordat zij, gebruik maken van het recht op vrij verkeer, Frankrijk verliet om zich in België te vestigen", schendt het de in het middel aangewezen verdragsbepalingen alsook artikel 159 van de Grondwet en miskent het de in het middel aangewezen algemene rechtsbeginselen.

Ondergeschikt verzoekt de eiseres het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie :

1. Is artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, j), van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering strijdig met de artikelen 12, eerste lid, 17, 18 en, voor zover nodig, 39 van het Verdrag, in zoverre het een onderdaan van een andere Lidstaat dan België die in een land van de Unie gelijkwaardig onderwijs heeft genoten als het onderwijs dat in België, het recht op wachtuitkeringen opent, dat recht op die uitkeringen slechts toekent op voorwaarde dat hij, vóór het behalen van het getuigschrift afgeleverd door een gemeenschap dat de gelijkwaardigheid vaststelt met het getuigschrift bedoeld onder b) of met een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs, zes jaar onderwijs heeft gevolgd in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door één van de Gemeenschappen, dus in beginsel in België ?

2. Zo ja, zijn de omstandigheden dat de eiseres, die geen werknemer is in de zin van het gemeenschapsrecht maar een Europees burger, sinds 1 februari 2002 bij de Forem als werkzoekende is ingeschreven, sinds 2001 met een Belgisch staatsburger is gehuwd en met haar echtgenoot in België verblijft, elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de band met de Belgische arbeidsmarkt?

3. Is de omstandigheid dat de eiseres "zich niet in een minder gunstige toestand bevindt doordat zij, gebruik makend van het recht op vrij verkeer, Frankrijk verliet om zich in België te vestigen"dienstig voor de beoordeling van de vraag of de in de artikelen 12, eerste lid, 17, 18 en 39 van het Verdrag vastgelegde beginselen zijn miskend?

IV. BESLISSING VAN HET HOF

1. Artikel 36, § 1, 2°, j), Werkloosheidsbesluit bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van wachtuitkeringen aan de jongere die noch een van de opleidingen gevolgd heeft noch een van de Belgische diploma's behaald heeft die bedoeld worden in de punten a) tot g) en i) van die bepaling, maar die ofwel een bewijsstuk verkregen heeft afgeleverd door één van de Gemeenschappen van België dat de gelijkwaardigheid vaststelt met het getuigschrift bedoeld onder b) ofwel een toelatingsbewijs verkregen heeft dat toegang geeft tot het hoger onderwijs en die, op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag, niet als kind ten laste is van migrerende werknemers, zoals bedoeld in punt h).

Het stelt die toekenning afhankelijk van de voorwaarde dat de jongere eerst zes jaar onderwijs genoten moet hebben in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door één van de Gemeenschappen van België.

2. Het arrest beslist op grond van dat artikel 36, § 1, 2°, j), dat de eiseres niet in aanmerking komt voor wachtuitkeringen en dat zij het recht op die uitkeringen niet kan ontlenen aan het "beginsel van het vrij verkeer van de burgers binnen de Europese Unie".

De eiseres verwijt het arrest dat het zodoende de artikelen 12, 17, 18 en 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap schendt, in de te Amsterdam op 2 oktober 1997 geconsolideerde versie, die op het geschil van toepassing is. Zij betoogt immers dat het arrest de in deze bepalingen voor alle burgers vastgelegde rechten miskent. Zij betoogt niet dat zij een werkneemster is in de zin van het recht van de Europese Unie.

Het staat aan het Hof te antwoorden op dat middel, dat gericht is tegen een reden die het arrest opgeeft als motivering voor zijn beslissing.

Tweede onderdeel

3. De burgers van de Europese Unie die niet de hoedanigheid van werknemer hebben in de zin van artikel 39 van het Verdrag of van artikel 7 van de verordening nr. 1612/68/EEG van de Raad betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, worden overeenkomstig de artikelen 12, 17 en 18.1 van het Verdrag, beschermd tegen discriminatie op grond van nationaliteit in de uitoefening van hun vrijheden om zich binnen de Unie te verplaatsen en er te verblijven.

Het bestreden arrest beslist dat de eiseres geen werkneemster is in de zin van de voormelde bepalingen.

Die overweging verantwoordt de beslissing niet naar recht dat de eiseres, overeenkomstig artikel 36, § 1, 2°, j), niet tot de wachtuitkeringen kan worden toegelaten.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

4. De burgers van de Europese Unie worden beschermd tegen discriminatie op grond van nationaliteit in de uitoefening van hun vrijheden om zich binnen de Unie te verplaatsen en te verblijven, zelfs wat betreft de sociale prestaties die niet worden toegekend door de wetgeving van de Staat waarvan zij onderdaan zijn.

Het bestreden arrest oordeelt dat de eiseres geen enkel recht op de wachtuitkeringen verliest en dat zij zich niet in een minder gunstige positie bevindt omdat zij gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer door Frankrijk te verlaten en zich in België te vestigen.

Die overweging verantwoordt de beslissing niet naar recht dat het beginsel van het vrij verkeer van de burgers binnen de Unie niet is miskend en de eiseres bijgevolg niet tot de wachtuitkeringen kan worden toegelaten.

Het onderdeel is gegrond.

Eerste onderdeel

De door de verweerder tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet ontvankelijkheid: het onderdeel oefent kritiek uit op de onaantastbare beoordeling door de feitenrechter:

5. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is onlosmakelijk verbonden met het onderzoek van het onderdeel.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het eerste onderdeel

6. Krachtens artikel 17.1 van het Verdrag is eenieder die de nationaliteit van een Lidstaat bezit, burger van de Europese Unie.

Artikel 17.2 koppelt aan het statuut van burger van de Unie de plichten en de rechten die bepaald zijn in het Verdrag, waaronder het in artikel 12 van dat Verdrag vastgelegde recht om, binnen de materiële werkingssfeer van het Verdrag, onverminderd de daarin gestelde bijzondere bepalingen, niet gediscrimineerd te worden op grond van nationaliteit.

Binnen de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie valt de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, met name de vrijheid om vrij op het grondgebied van de Lidstaten te reizen en te verblijven die door artikel 18.1 van dat Verdrag aan de burgers van de Unie wordt toegekend.

Artikel 39 bepaalt dat het verkeer van werknemers binnen de Europese Unie vrij is.

Het bestreden arrest vermeldt dat de voorwaarde om zes jaar onderwijs te hebben gevolgd in een Belgische onderwijsinstelling, zoals bepaald in voormeld artikel 36, § 1, 2°, j), in de Belgische werkloosheidsreglementering werd ingevoerd teneinde de band met de arbeidsmarkt te waarborgen.

7. Uit artikel 12 van het Verdrag, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest C-224/98 van 11 juli 2002 (D'Hoop, ro 36 en 38), volgt dat een verschil in behandeling tussen de burgers van de Unie slechts gerechtvaardigd is wanneer dat verschil gegrond is op objectieve overwegingen die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn aan de rechtmatige doelstellingen van het nationale recht, enerzijds, en dat het rechtmatig is dat de nationale wetgever zich ervan wil vergewissen dat er een werkelijke band bestaat tussen de aanvrager van de uitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt, anderzijds. In zijn arrest C-258/04 van 15 september 2005 (Ioannidis, ro 29 en 30) geeft het Hof van Justitie dezelfde uitlegging van het recht op gelijke behandeling met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers dat niet uit artikel 12 maar uit artikel 39 van het Verdrag voortvloeit.

8. Het onderdeel betoogt dat de voorwaarde van artikel 36, § 1, 2°, j), Werkloosheidsbesluit niet losstaat van de nationaliteit van de betrokkenen.

De in voormeld artikel 36, § 1, 2°, j) bepaalde voorwaarde om zes jaar onderwijs te hebben gevolgd in een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door één van de Gemeenschappen van België, kan van de burgers van de Unie die in België verblijven en er naar werk zoeken, diegenen benadelen die geen Belg zijn. De Belgen kunnen immers makkelijker aan die voorwaarde voldoen.

9. Het onderdeel betoogt ook dat de voorwaarde van artikel 36, § 1, 2° , j), buitensporig is in verhouding tot hetgeen noodzakelijk is om de band tussen de jongere en de geografische arbeidsmarkt te verzekeren, dat het arrest geen acht mocht slaan op die voorwaarde en dat het moest vaststellen dat de aangevoerde gegevens, in hun geheel beschouwd, een werkelijke band tussen de eiseres en de Belgische arbeidsmarkt aantonen.

10. Het onderdeel verwijt het arrest ten slotte dat het beslist dat de beoogde band niet op afdoende wijze wordt aangetoond door de omstandigheden dat de eiseres zich sinds 1 februari 2002 als werkzoekende had ingeschreven bij de Belgische dienst voor arbeidsvoorziening, dat zij sinds 2001 met een Belg was gehuwd en met haar echtgenoot in België verbleef, omdat het verblijf in België een voorwaarde is om werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten, de nationaliteit van de echtgenoot van de eiseres geen enkel verband met de arbeidsmarkt vertoont en de inschrijving bij de dienst voor arbeidsvoorziening niet volstaat.

11. Het antwoord op dat onderdeel veronderstelt de uitlegging van de artikelen 12, 17, 18 en, voor zover nodig, 39 van het Verdrag. Er bestaat bijgevolg grond om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest omschreven prejudiciële vragen te stellen.

Dictum

Het Hof,

Houdt de uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie geantwoord heeft op de volgende twee prejudiciële vragen:

1. Verzetten de artikelen 12, 17, 18 en, voor zover nodig, 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in de te Amsterdam op 2 oktober 1997 geconsolideerde versie, zich tegen een bepaling van nationaal recht die, zoals artikel 36, § 1, 2°, j) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, het recht op wachtuitkeringen van een jongere, afkomstig uit de Europese Unie die geen werknemer is in de zin van artikel 39 van het Verdrag, en middelbare school in de Europese Unie heeft gevolgd maar niet in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door één van de Gemeenschappen van België en die ofwel een bewijsstuk verkregen heeft afgeleverd door één van die Gemeenschappen dat de gelijkwaardigheid vaststelt met het getuigschrift, afgegeven door de bevoegde examencommissie van een van die Gemeenschappen voor de opleiding die gevolgd werd in die Belgische onderwijsinstellingen, ofwel een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs, afhankelijk maakt van de voorwaarde dat die jongere eerst zes jaar onderwijs heeft gevolgd in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door één van de Gemeenschappen van België, indien die voorwaarde exclusief en absoluut is ?

2. Zo ja, zijn de omstandigheden dat de in de eerste vraag beschreven jongere die geen zes jaar onderwijs heeft gevolgd in een Belgische onderwijsinstelling, in België verblijft met zijn Belgische echtgenoot en als werkzoekende is ingeschreven bij een Belgische dienst voor arbeidsvoorziening, elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de band tussen de jongere en de Belgische arbeidsmarkt in het licht van de artikelen 12, 17, 18 en, in voorkomend geval, 39 van het Verdrag ? In welke mate moet hierbij rekening worden gehouden met de duur van die perioden van verblijf, huwelijk en inschrijving als werkzoekende?

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 27 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Toekenningsvoorwaarden

  • Wachtuitkeringen voor jongeren

  • Frans onderdaan

  • Burger van de Europese Unie die niet de hoedanigheid van werknemer heeft

  • Discriminatie op grond van nationaliteit in de uitoefening van vrijheden om zich binnen Unie te verplaatsen en er te verblijven