- Arrest van 29 juni 2011

29/06/2011 - P.11.1113.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beslissing die het exequatur van een Europees aanhoudingsbevel weigert, berokkent de persoon tegen wie het bevel is uitgevaardigd geen nadeel, ook niet wanneer de weigering de tenuitvoerlegging in België met zich meebrengt van de in het buitenland opgelegde straf met het oog waarop het bevel is uitgevaardigd; die persoon heeft er dan ook geen belang bij om hoger beroep in te stellen tegen die beslissing (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1113.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,

tegen

D. S.,

persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 juni 2011.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 24 juni 2011 een conclusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 29 juni 2011 heeft raadsheer Françoise Roggen verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De kamer van inbeschuldigingstelling waarbij alleen het hoger beroep van de verweerder aanhangig is gemaakt, verklaart het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang omdat de verweerder in aanmerking kwam voor de grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, als bedoeld in artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel.

Het middel verwijt het bestreden arrest dat het artikel 17, § 4, van de wet schendt, krachtens welk de kamer van inbeschuldigingstelling gehouden is het nazicht te verrichten omschreven in artikel 16, § 1, tweede lid, van de wet, en met name moet onderzoeken of één van de in de artikelen 4 tot 6 bedoelde weigeringsgronden moet worden toegepast.

De beslissing waarbij het exequatur van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd, berokkent de persoon tegen wie het bevel is uitgevaardigd geen nadeel, ook niet wanneer de weigering de tenuitvoerlegging in België met zich meebrengt van de in het buitenland opgelegde straf, met het oog waarop het bevel is uitgevaardigd.

De kamer van inbeschuldigingstelling die naar recht oordeelt dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, diende niet na te gaan of de voorwaarden vervuld waren voor de toepassing van artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel.

Het middel kan niet worden aangenomen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is door geen enkele onwettigheid aangetast die gevolgen kan hebben voor de aanhangigmaking van de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 29 juni 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel uitgaande van een andere lidstaat

  • Raadkamer

  • Weigeringsgrond gebaseerd op artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel

  • Weigering van tenuitvoerlegging

  • Hoger beroep van de betrokkene

  • Ontvankelijkheid

  • Belang