- Arrest van 23 augustus 2011

23/08/2011 - P.11.1456.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vrijheidsberoving van een vreemdeling op grond van artikel 27, §1 en 3, van de Vreemdelingenwet, is een autonome titel die geen verband houdt met de vrijheidsberoving krachtens artikel 7, eerste lid, van dezelfde wet (1). (1) Zie Cass. 27 nov. 2002, AR P.02.1402.F, AC, 2002, nr. 635.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1456.F

K. G.,

Mrs. Frédéric Van Crombreucq en Ronald Fonteyn, advocaten bij de balie te Brussel, waar woonplaats is gekozen,

tegen

BELGISCHE STAAT, staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid,

Mrs. Pierre Lejeune en Sophie Matray, advocaten bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 juli 2011.

De eiser voert elf middelen aan in een memorie en legt op de rechtszitting een aanvullende memorie neer. Beide stukken zijn aan dit arrest gehecht.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. VROEGERE RECHTSPLEGING

Met toepassing van artikel 7, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, werd op 29 juni 2011 tegen de eiser een bevel uitgevaardigd om het grondgebied te verlaten samen met een beslissing tot teruggeleiding naar de grens en een daartoe strekkende maatregel van vrijheidsbeneming.

De raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Namen, waarbij op 30 juni 2011 een verzoek tot invrijheidstelling was ingediend, heeft bij beschikking van 11 juli 2011 beslist de eiser vrij te laten.

Het bestreden arrest hervormt die beslissing.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid op 5 augustus 2011, op grond van artikel 27, § 1 en 3, van de wet van 15 december 1980, de wederopsluiting van de eiser heeft bevolen ter beschikking van de Dienst Vreemdelingenzaken. Die beslissing verlengt de oorspronkelijke maatregel niet maar is een zelfstandige titel van vrijheidsberoving onderscheiden van de titel die in het hoger beroep wordt bedoeld waarover de appelrechters uitspraak hebben gedaan.

Het cassatieberoep heeft bijgevolg geen bestaansreden meer.

Er is geen grond om acht te slaan op de eerste memorie van de eiser die geen verband houdt met het feit dat het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft.

De overwegingen in de aanvullende memorie betreffende de nieuwe titel, houden geen verband met de bestreden beslissing. Zij behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Alain Simon, Françoise Roggen en Peter Hoet, en in openbare terechtzitting van 23 augustus 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Titel van vrijheidsberoving

  • Artikelen 7 en 27 Vreemdelingenwet

  • Autonome titels