- Arrest van 13 september 2011

13/09/2011 - P.11.1030.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter oordeelt onaantastbaar of en wanneer de beklaagde kennis kreeg van de betekening van de verstekbeslissing en het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen verantwoord worden; het is daarbij niet vereist dat de dag waarop de beklaagde kennis heeft gekregen van de akte van betekening van het verstekarrest wordt gepreciseerd (1). (1) Zie Cass. 9 maart 2010, AR P.09.1729.N, AC, 2010, nr. 164.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1030.N

S. A. S.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Cédric Lefebvre, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 3 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artikelen 187, tweede lid, en 208, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest leidt ten onrechte uit de verklaring van W. M. af dat het verzet van de eiser laattijdig is; het oordeelt ten onrechte dat de eiser kort na de gedane betekening van het verstekarrest in kennis van deze betekening werd gesteld door W. M. en dat zij hem het ter hand gestelde afschrift van de betekeningsakte overhandigde, terwijl zij enkel verklaarde dat zij de eiser "normaal gezien" had geïnformeerd; op basis van de verklaring van W. M. kon geenszins met zekerheid het ogenblik worden bepaald waarop de eiser kennis heeft gekregen van de betekening; bij gebrek aan precisering van de dag waarop de eiser kennis heeft gekregen van de betekening is de buitengewone termijn van verzet niet verstreken.

2. Overeenkomstig de artikelen 208, eerste lid, en 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan de beklaagde die bij verstek veroordeeld is, wanneer de betekening van het arrest niet aan hem in persoon is gedaan, wat de veroordelingen tot straf betreft in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen en, indien het niet blijkt dat hij daarvan kennis heeft gekregen, totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn.

De rechter oordeelt onaantastbaar of en wanneer de beklaagde kennis kreeg van de betekening van de verstekbeslissing. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen verantwoord worden.

Het is daarbij niet vereist dat de dag waarop de eiser kennis heeft gekregen van de akte van betekening van het verstekarrest wordt gepreciseerd.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

3. De appelrechters oordelen onaantastbaar dat:

- W. M. de eiser kort na de betekening in kennis stelde van deze betekening en dat zij hem het haar ter hand gestelde afschrift van de akte overhandigde;

- in die omstandigheden het door de eiser op 16 februari 2011, hetzij bijna vier jaar na de betekening, gedane verzet alleszins laattijdig is, vermits het werd gedaan buiten de in artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering voorziene termijn van 15 dagen.

4. De appelrechters stellen derhalve vast dat de eiser kort na de betekening van het arrest kennis heeft gekregen van deze betekening en dat de eiser bijna vier jaar na de betekening verzet aantekende. Aldus verantwoorden zij naar recht hun beslissing dat het gedane verzet laattijdig is.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 60,26 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 13 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Verstekarrest

  • Geen betekening aan beklaagde in persoon

  • Verzet

  • Beoordeling van de ontvankelijkheid