- Arrest van 15 september 2011

15/09/2011 - C100456N-C100464N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht op vrijwaring dat de eerste koper bezit tegen zijn verkoper is een toebehoren van de zaak dat samen met de zaak wordt doorverkocht aan de opeenvolgende kopers; de omstandigheid dat de gebrekkige zaak door een aannemer is geleverd aan zijn opdrachtgever ontslaat de oorspronkelijke verkopers niet van hun vrijwaringplicht tegenover deze eindgebruiker (1); dit houdt evenwel niet in dat de artikelen 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek toepassing vinden in de onderlinge verhouding tussen de opdrachtgever en de aannemer of nog tussen de opdrachtgever en een onderaannemer. (1) Cass. 18 mei 2006, AR C.05.0097.N, AC, 2006, nr. 279, met concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0456.N

AGC FLAT GLASS EUROPE nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Terhulpsesteenweg 166,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. REGIE DER GEBOUWEN, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 87, bus 2, 6de verdieping,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest,

2. SOGIAF nv, met zetel te 2550 Kontich, Duffelsesteenweg 164,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweersters woonplaats kiezen,

3. GILLION CONSTRUCT nv, met zetel te 1190 Vorst, Sint-Denijsstraat 132,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweersters woonplaats kiezen,

4. BOMBARDIER TRANSPORTATION BELGIUM nv, met zetel te 1831 Diegem, de Kleetlaan 5B/9,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest.

II

Nr. C.10.0464.N

BOMBARDIER TRANSPORTATION BELGIUM nv, met zetel te 1831 Diegem, de Kleetlaan 5B/9,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. REGIE DER GEBOUWEN, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 87, bus 2, 6de verdieping,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest,

2. SOGIAF nv, met zetel te 2550 Kontich, Duffelsesteenweg 164,

in bindendverklaring opgeroepen partij,

vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de partijen woonplaats kiezen,

3. GILLION CONSTRUCT nv, met zetel te 1190 Vorst, Sint-Denijsstraat 132,

in bindendverklaring opgeroepen partij,

vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de partijen woonplaats kiezen,

4. AGC GLASS EUROPE nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Terhulpsesteenweg 166,

in bindendverklaring opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 januari 2010.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 27 juni 2011 een conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

In de zaak C.10.0456.N

De eiseres voert in haar verzoekschrift vier middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 1319, 1320, 1322 en 1648 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters verklaren het principaal hoger beroep van eerste verweerster ontvankelijk en deels gegrond, doen het bestreden vonnis derhalve teniet en beslissen, opnieuw rechtdoende, onder meer dat de oorspronkelijke tussenvordering van eerste verweerster tegen eiseres, in zoverre ze was gesteund op de artikelen 1641 e.v. van het Burgerlijk Wetboek inzake de vrijwaringverplichting voor verborgen gebreken, tijdig werd ingesteld en derhalve ontvankelijk is.

Zij steunen deze beslissing voornamelijk op de volgende motieven:

"2.5. Over de vrijwaring wegens verborgen gebreken

(...)

2.5.4.- De vrijwaringsvordering dient binnen een "korte termijn" te worden ingesteld, of men nu de ontbinding of prijsvermindering vraagt (artikel 1648 B.W.). De ratio legis van artikel 1648 B.W. in verband met de korte termijn is gelegen in de omstandigheid dat het onderzoek naar de oorsprong van de gebreken en de staat van het goed bij de levering niet in het gedrang mag komen (J.H. Herbots, S. Stijns, E. Degroote, W. Lauwers, J. Samoy, "Bijzondere Overeenkomsten. Overzicht van rechtspraak (1995-1998)", T.P.R., 2002, nr. 126 p. 180-181).

Zowel de duur van de termijn, als het beginpunt van de korte termijn worden door de feitenrechter op soevereine wijze beoordeeld, met inachtneming van alle omstandigheden van de zaak. Deze betreffen onder meer de aard van het verkochte goed, de aard van het gebrek, de gebruiken, de hoedanigheid van de partijen, maar ook de door hen verrichte gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, zoals het laten aanstellen van een gerechtsdeskundige.

Het is evenwel een verworven zaak dat de termijn pas begint te lopen wanneer de koper het verborgen gebrek ontdekt of behoort te ontdekken. Deze termijn wordt ook verlengd wanneer bewezen wordt dat de partijen ernstige onderhandelingen voerden teneinde een minnelijke regeling te bekomen (J.H. Herbots, S. Stijns, E. Degroote, W. Lauwers, J. Samoy, "Bijzondere Overeenkomsten. Overzicht van rechtspraak (1995-1998)", T.P.R., 2002, nr. 127 p. 181). De korte termijn begint met andere woorden pas te lopen van zodra vaststaat dat een minnelijke regeling uitgesloten is.

Door het [hof van beroep] dient te worden vastgesteld dat de gordijngevel met beglazing en de geëmailleerde glaspanelen in de periode van augustus 1968 tot en met augustus 1970 is uitgevoerd en dat de breuken zich vanaf 13 augustus 1970 hebben voorgedaan. De werken werden voorlopig opgeleverd op 9 augustus 1971, zonder dat door [tweede, derde en vierde verweersters en eiseres] wordt bewezen dat de geleverde en geplaatste glaspanelen op dat ogenblik zonder voorbehoud werden aanvaard. De Belgische Staat, rechtsvoorganger van [eerste verweerster], ging op 23 mei 1972 over tot dagvaarding in aanstelling van een deskundige. Het deskundigenonderzoek heeft tot mei 1992 aangesleept. Alle betrokken partijen hebben hieraan evenwel deelgenomen en hierbij hun rechten kunnen doen gelden. [Vierde verweerster] heeft [eiseres] reeds op 20 april 1976 ten gronde gedagvaard. [Eerste verweerster] heeft weliswaar nog 13 maanden na de neerlegging van het deskundigenverslag gewacht alvorens over te gaan tot dagvaarding van [tweede en derde verweersters]. Het moet worden aangenomen dat de korte termijn werd verlengd tijdens de expertisewerkzaamheden en dat gedurende de ganse loop ervan een minnelijke regeling niet kon worden uitgesloten en zo ook niet gedurende enige tijd na afloop ervan. In de gegeven omstandigheden heeft het uitbrengen van de dagvaardingen ten gronde op 20 april 1976 resp. op 17 en 18 augustus 1993, gelet op de lopende expertise, waarbij alle partijen betrokken waren, en de discussies tussen partijen, het onderzoek naar de oorsprong van de gebreken en de staat van het goed bij de levering in generlei mate in het gedrang gebracht, zodat moet worden aangenomen dat de (vrijwaring)vorderingen ten gronde tijdig werden ingesteld"

(bestreden eindarrest, pagina 33, vierde alinea tot pagina 35, in fine).

Grieven

Artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken door de koper wordt ingesteld binnen een korte termijn, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop is gesloten.

De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek verbieden de rechter de bewijskracht van een akte te miskennen door van deze akte een uitlegging te geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen en de draagwijdte ervan. Aldus miskent de rechter de bewijskracht van een akte indien hij beslist dat die akte iets inhoudt dat ze niet bevat of iets niet inhoudt dat er wel in voorkomt.

De appelrechters stellen te dezen op onaantastbare wijze in feite vast dat:

- de werken aan het gebouw van eerste verweerster, met name de plaatsing van de gordijngevel met beglazing en de geëmailleerde glaspanelen, werden uitgevoerd in de periode van augustus 1968 tot en met augustus 1970,

- deze werken voorlopig werden opgeleverd op 9 augustus 1971, zonder bewijs dat de geleverde en geplaatste glaspanelen op dat ogenblik zonder voorbehoud werden aanvaard,

- de Belgische Staat, rechtsvoorganger van eerste verweerster, op 23 mei 1972 overging tot dagvaarding in aanstelling van een deskundige,

- dit deskundigenonderzoek, waarin alle betrokken partijen hebben deelgenomen, aansleepte tot mei 1992,

- vierde verweerster eiseres reeds op 20 april 1976 ten gronde dagvaardde,

- eerste verweerster nog 13 maanden na de neerlegging van het deskundig verslag heeft gewacht alvorens - op 17 en 18 augustus 1993 - over te gaan tot dagvaarding (bestreden eindarrest, pagina 34, tweede alinea).

In de gegeven omstandigheden zijn de appelrechters van oordeel dat het uitbrengen van de dagvaardingen ten gronde op 20 april 1976 en 17 en 18 augustus 1993, gelet op de lopende expertise waarbij alle partijen betrokken waren, en de discussies tussen partijen, het onderzoek naar de oorsprong van de gebreken en de staat van het goed bij de levering in generlei mate in het gedrang heeft gebracht, zodat moet worden aangenomen dat de (vrijwarings)vorderingen ten gronde tijdig werden ingesteld (bestreden eindarrest, pagina 34, tweede alinea, in fine).

Voor wat enerzijds de op de artikelen 1641 e.v. van het Burgerlijk Wetboek gesteunde vrijwaringsvordering van vierde verweerster tegen eiseres betreft, nemen de appelrechters aldus terecht aan dat het eindpunt van de door hen te beoordelen korte termijn in de zin van artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek kan worden bepaald op 20 april 1976, zijnde de datum waarop eiseres in vrijwaring werd aangesproken door vierde verweerster.

Als einddata voor de beoordeling van de korte termijn waarbinnen eerste verweerster haar vrijwaringsvorderingen wegens verborgen gebreken diende in te stellen, nemen de appelrechters anderzijds echter enkel 17 en 18 augustus 1993 in aanmerking, zijnde de data waarop eerste verweerster overging tot dagvaarding ten gronde van tweede tot vierde verweersters, en verzuimen bijgevolg rekening te houden met de datum van 12 januari 2001, zijnde de dag van de neerlegging van de aanvullende conclusie in eerste aanleg voor eerste verweerster, waarin deze - middels een uitbreiding van haar oorspronkelijke vordering - een vrijwaringsvordering instelde tegen eiseres.

In zoverre het bestreden eindarrest daarentegen aldus dient te worden gelezen dat de appelrechters ervan uitgaan dat eerste verweerster bij haar exploten van dagvaarding van respectievelijk 17 en 18 augustus 1993 ook een vrijwaringsvordering wegens verborgen gebreken heeft ingesteld tegen eiseres, miskennen zij evenwel de bewijskracht van voormelde exploten door van die stukken een uitlegging te geven die onverenigbaar is met de zin, de draagwijdte en de bewoordingen ervan. Zij nemen daardoor immers aan dat die stukken iets inhouden dat er niet in voorkomt, nu daaruit enkel blijkt dat eerste verweerster alsdan is overgegaan tot dagvaarding van tweede en derde verweersters, enerzijds, en vierde verweerster, anderzijds, doch niet van eiseres.

Doordat de appelrechters derhalve enkel steunen op voormelde in het bestreden eindarrest vastgestelde feitelijke omstandigheden, met inbegrip van het beperkte aantal daarin vermelde data, en hierbij hetzij verzuimen na te gaan wanneer eiseres effectief door eerste verweerster werd aangesproken in vrijwaring wegens verborgen gebreken, hetzij alleszins niet zonder schending van de bewijskracht van de exploten van dagvaarding van respectievelijk 17 en 18 augustus 1993 konden aannemen dat eerste verweerster op één van deze data een vrijwaringsvordering heeft ingesteld tegen eiseres, vermochten zij geenszins wettig - zonder miskenning van het wettelijk begrip "korte termijn" - te besluiten dat de vrijwaringsvorderingen, en in het bijzonder deze van eerste verweerster tegen eiseres, tijdig werden ingesteld en is hun beslissing dat de vrijwaringsvordering van eerste verweerster tegen eiseres ontvankelijk is, bijgevolg evenmin naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1319, 1320, 1322 en 1648 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 1017, eerste lid en 1018,4°, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters verklaren het principaal hoger beroep van eerste verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, doen het bestreden vonnis bijgevolg teniet en veroordelen tweede en derde verweersters, hiertoe hoofdelijk gehouden zijnde, samen met vierde verweerster en eiseres, hiertoe ook hoofdelijk gehouden zijnde, in solidum tot betaling aan eerste verweerster van onder meer de compensatoire en gerechtelijke interesten op de kosten van de gerechtelijke expertise ten bedrage van 18.023,97 Euro vanaf 17 augustus 1993.

Zij steunen deze beslissing voornamelijk op de volgende overwegingen:

"Op de betaalde erelonen en onkosten van de gerechtsdeskundige kunnen wel interesten worden toegekend, zoals door [eiseres] gevorderd"

(bestreden eindarrest, pagina 38, laatste alinea).

Grieven

Overeenkomstig artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis in principe, en zelfs ambtshalve, de in het gestelde partij in de kosten.

Krachtens artikel 1018, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek behoren de uitgaven betreffende alle onderzoeksmaatregelen tot de kosten.

De gerechtskosten, met inbegrip van de kosten van een deskundigenonderzoek, zijn aldus pas eerst vanaf de veroordeling verschuldigd en kunnen derhalve als zodanig voor die datum geen interesten opbrengen.

De appelrechters veroordelen te dezen evenwel eiseres, in solidum met tweede tot vierde verweerster, tot betaling aan eerste verweerster van de compensatoire en gerechtelijke interesten op de erelonen en onkosten van de gerechtsdeskundige vanaf 17 augustus 1993, de datum waarop eerste verweerster die kosten heeft voorgeschoten aan de gerechtsdeskundige.

In zoverre de appelrechters derhalve interesten toekennen op de door eerste verweerster voorgeschoten kosten vanaf 17 augustus 1993 tot 12 januari 2010, zijnde een periode voorafgaand aan de datum van het bestreden arrest waarin de veroordeling van eiseres, in solidum met tweede tot vierde verweersters, wordt uitgesproken, is deze beslissing dan ook niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1017, eerste lid en 1018, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek).

Derde middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek,

- de artikelen 1615 en 1641 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters verklaren het incidenteel hoger beroep van vierde verweerster ontvankelijk en deels gegrond, doen het bestreden vonnis derhalve teniet en verklaren, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vrijwaringsvordering wegens verborgen gebreken van vierde verweerster tegen eiseres ontvankelijk.

Zij steunen deze beslissing voornamelijk op de volgende motieven:

"2.9. Over de vordering van [vierde verweerster] tegen [eiseres]

2.9.1.- [Eiseres] is om de hierboven reeds aangehaalde redenen op grond van de artikelen 1641 e.v. B.W. als fabrikant - oorspronkelijke verkoper van de gebrekkige geëmailleerde glaspanelen gehouden tot vergoeding van de door [vierde verweerster], onderaannemer van [tweede en derde verweersters] geleden schade.

Op het ogenblik van de dagvaarding ten gronde op 20 april 1976 bezat [vierde verweerster] reeds de vereiste hoedanigheid en het belang om [eiseres] in rechte aan te spreken. Zij was reeds op 5 juni 1972 door [tweede en derde verweerster] in tussenkomst in de op verzoek van [eerste verweerster] bevolen gerechtelijke expertise gedagvaard.

2.9.2.- Overeenkomstig artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. De procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat door de eiser wordt ingeroepen, betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering (Cass., 2 april 2004, Eur. Vervoerr. 2004, afl. 3, 417, Pas. 2004, afl. 4, 573, R.H.A. 2005, afl. 1, 13; Cass., 26 februari 2004, J.T. 2005, afl. 6186, 437, noot, Pas. 2004, afl. 2, 335, R.H.A., 2003, afl. 4, 291, R.W. 2006-07 (verkort), afl. 4, 133, noot, R.A.B.G. 2004, afl. 10, 612, noot P. Vanlersberghe, ‘Belang en hoedanigheid: ontvankelijkheidsvereisten van de vordering', (R.A.B.G. 2004, afl. 10, 615-617)).

In de dagvaarding van 20 april 1976 wijst [vierde verweerster] op het feit dat de schadegevallen aan een verborgen gebrek van de door [eiseres] geleverde glaspanelen te wijten zou(den) zijn. Als eerste koper van deze glaspanelen had zij alleszins hoedanigheid en ook belang om ter vrijwaring van haar rechten zo spoedig mogelijk de rechtsvordering op grond van verborgen gebreken in te stellen.

Daartoe was niet vereist dat zij reeds door de bouwheer en hoofdaannemer ten gronde gedagvaard zou zijn geweest. Zij was reeds betrokken bij de gerechtelijke expertise, die uiteindelijk op een vordering in schadevergoeding te haren aanzien kon uitmonden. Zij riep een subjectief recht in en had bijgevolg de hoedanigheid om de vordering in te stellen".

(bestreden eindarrest, pagina 41, eerste alinea tot pagina 42, eerste alinea).

Grieven

Overeenkomstig artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

Krachtens artikel 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek moet het belang bovendien een reeds verkregen en dadelijk belang zijn. Dit betekent dat het geschil tussen partijen moet zijn ontstaan of, met andere woorden, dat er een reële betwisting bestaat. Een eventueel belang volstaat derhalve niet, noch kan een loutere vordering "ad futurum" worden toegestaan.

Artikel 18, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsvordering wel kan worden toegelaten, indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen. Voor deze uitzondering op het eerste lid van artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek, vereist deze bepaling wel het effectief bestaan van een recht bij het instellen van de rechtsvordering.

Naar luid van artikel 1615 van het Burgerlijk Wetboek strekt de verplichting om een zaak te leveren zich uit tot haar toebehoren en tot alles wat voor haar blijvend gebruik bestemd is. Deze wetsbepaling betreft een toepassing van de zogenaamde "accessoriumleer", krachtens welke rechten die zodanig nauw verbonden zijn met een goed dat ze er inherent aan zijn, in geval van de overdracht van dat goed mee worden overgedragen ("accessorium sequitur principale").

Artikel 1641 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verkoper gehouden is tot vrijwaring voor verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht. Het in deze wetsbepaling besloten recht op vrijwaring voor verborgen gebreken is zulk een accessoir recht dat wordt geacht aan het goed te kleven en er als het ware deel van uit te maken.

In geval van opeenvolgende overeenkomsten vloeit uit deze laatste wetsbepalingen dan ook voort dat het recht op vrijwaring voor verborgen gebreken dat de eerste koper bezit tegen zijn verkoper en de daaruit afgeleide rechtsvordering een toebehoren vormen van de zaak dat samen met die zaak wordt doorverkocht aan de opeenvolgende kopers. De omstandigheid dat de gebrekkige zaak door een aannemer is geleverd aan zijn opdrachtgever in het raam van een aannemingsovereenkomst ontslaat de oorspronkelijke verkoper evenmin van zijn vrijwaringplicht tegenover deze eindgebruiker; de opdrachtgever heeft, zoals een onderverkrijger, immers alle rechten en vorderingen verbonden met de zaak die aan de oorspronkelijke verkoper toebehoorde.

Te dezen stelde vierde verweerster (de onderaannemer) bij dagvaarding van 20 april 1976 tegen eiseres (de producent-leverancier) een vrijwaringsvordering in wegens verborgen gebreken in de door deze laatste geleverde glaspanelen. Voorafgaand aan die datum had de Belgische Staat, de rechtsvoorganger van eerste verweerster (de bouwheer-opdrachtgever), weliswaar op 23 mei 1972 een dagvaarding in kort geding in aanstelling van een gerechtsdeskundige uitgebracht jegens tweede en derde verweersters (de hoofdaannemers), welke op hun beurt op 5 juni 1972 vierde verweerster (de onderaannemer) en eiseres hadden gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring en had de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen bij beschikking van 9 juni 1972 reeds een gerechtsdeskundige aangesteld met een welbepaalde opdracht (bestreden eindarrest, pagina 4, derde tot vijfde alinea), doch was vierde verweerster nog niet ten gronde aangesproken wegens verborgen gebreken door de Belgische Staat, rechtsvoorganger van eerste verweerster, noch door tweede en derde verweersters.

Bij de beoordeling van de door eiseres tegen de vrijwaringsvordering van vierde verweerster opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid, gaan de appelrechters in het bestreden eindarrest uit van de vaststelling dat vierde verweerster in de dagvaarding van 20 april 1976 reeds wees op het feit dat de schadegevallen aan een verborgen gebrek van de door eiseres geleverde glaspanelen zouden te wijten zijn (bestreden eindarrest, pagina 41, laatste alinea).

Daarvan uitgaande zijn de appelrechters van oordeel dat vierde verweerster, als eerste koper van deze glaspanelen, alleszins hoedanigheid en belang had om ter vrijwaring van haar rechten zo spoedig mogelijk de rechtsvordering op grond van verborgen gebreken in te stellen; naar hun oordeel was daartoe geenszins vereist dat vierde verweerster reeds door eerste verweerster en tweede en derde verweersters ten gronde gedagvaard zou zijn geweest, doch volstond het dat zij toen reeds betrokken was in de gerechtelijke expertise, welke uiteindelijk op een vordering in schadevergoeding te haren aanzien kon uitmonden (bestreden eindarrest, pagina 41, laatste alinea tot pagina 42, eerste alinea).

Volgens de appelrechters riep vierde verweerster derhalve een subjectief recht in en beantwoordde zij bijgevolg aan alle voorwaarden om een ontvankelijke vordering in te stellen (bestreden eindarrest, pagina 42, eerste alinea).

Door aldus, ondanks het impliciet doch zeker vastgestelde bestaan van opeenvolgende verkoop- en aannemingsovereenkomsten tussen de betrokken partijen, te beslissen dat vierde verweerster reeds een ontvankelijke vrijwaringsvordering wegens verborgen gebreken kon instellen tegen eiseres (de producent-leverancier) vooraleer zij (als onderaannemer-eerste koper) zelf ten gronde in vrijwaring werd aangesproken door onder meer eerste verweerster (de bouwheer-opdrachtgever), miskennen de appelrechters evenwel de gevolgen van door het Hof aanvaarde accessoriumleer, waarvan de toepassing in voormelde niet-homogene contractketen inhoudt dat het recht van de (onder)aannemer op vrijwaring voor verborgen gebreken ten aanzien van de producent-leverancier evenals de daaruit voortvloeiende rechtsvordering in vrijwaring wegens verborgen gebreken tegen de producent-leverancier dermate nauw verbonden zijn met de materialen dat door de overdracht van de eigendom van deze materialen, na uitvoering van de werken en ingevolge natrekking, ook dat recht en die rechtsvordering op de bouwheer-opdrachtgever overgaan.

De appelrechters gaan er daardoor meer bepaald aan voorbij dat vierde verweerster (de onderaannemer-eerste koper) na de installatie van de kennelijk gebrekkige glaspanelen in het gebouw van eerste verweerster (de bouwheer-opdrachtgever) - waardoor samen met de eigendom van die glaspanelen ook het recht op vrijwaring wegens verborgen gebreken en de daaruit voortvloeiende rechtsvordering werden overgedragen aan eerste verweerster - het rechtens vereiste dadelijk en reeds verkregen belang verloor om een rechtsvordering in vrijwaring wegens verborgen gebreken in te stellen tegen eiseres (de producent-leverancier) zolang zij niet zelf ten gronde in vrijwaring werd aangesproken door eerste verweerster.

Maar zelfs al zou het bestreden eindarrest aldus dienen te worden uitgelegd dat de appelrechters aannemen dat de oorspronkelijke vrijwaringsvordering wegens verborgen gebreken van vierde verweerster tegen eiseres kan worden beschouwd als een rechtsvordering in de zin van artikel 18, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek en derhalve werd ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht (te dezen het recht op vrijwaring voor verborgen gebreken) te voorkomen, dan nog konden zij uit het enkele gegeven dat vierde verweerster - ingevolge de omstandigheid dat zij reeds betrokken was bij de gerechtelijke expertise, die uiteindelijk op een vordering in schadevergoeding te haren aanzien kon uitmonden - een subjectief recht inriep (bestreden eindarrest, pagina 42, eerste alinea), geenszins wettelijk afleiden dat zij over het rechtens vereiste belang beschikte om dergelijke rechtsvordering in te stellen, nu voormelde wetsbepaling integendeel het effectief bestaan van dat ernstig bedreigd subjectief recht bij het instellen van de rechtsvordering veronderstelt en vierde verweerster te dezen overigens, ingevolge de hierboven uiteengezette toepassing in concreto van de "accessoriumleer", op dat ogenblik niet meer kon beschikken over het subjectief recht op vrijwaring voor verborgen gebreken.

In zoverre de appelrechters derhalve, ondanks het vaststaand gegeven van het bestaan van een niet-homogene contractketen tussen de betrokken partijen, de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vrijwaringsvordering van vierde verweerster (de onderaannemer-eerste koper) tegen eiseres (de producent-leverancier) vaststellen, zonder daartoe te vereisen dat vierde verweerster (de onderaannemer-eerste koper) voorafgaandelijk ten gronde werd gedagvaard in vrijwaring wegens verborgen gebreken door eerste verweerster (de bouwheer-opdrachtgever) en minstens dat er op het ogenblik van het instellen van die rechtsvordering door eerste verweerster effectief een recht op vrijwaring voor verborgen gebreken in haren hoofde bestond, doch daarbij integendeel expliciet benadrukken dat zulk een dagvaarding niet hoefde en het inroepen van een subjectief recht door vierde verweerster volstond, miskennen zij dan ook het wettelijk begrip "belang" en is deze beslissing bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 1615 en 1641 van het Burgerlijk Wetboek).

Vierde middel

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters verklaren het incidenteel hoger beroep van tweede tot vierde verweersters ontvankelijk en deels gegrond en doen het bestreden vonnis bijgevolg teniet. Opnieuw rechtdoende verklaren zij de vorderingen in vrijwaring van tweede en derde verweersters en van vierde verweersters ontvankelijk en deels gegrond en veroordelen derhalve vierde verweerster om tweede en derde verweersters te vrijwaren voor alle lastens hen ten aanzien van eerste verweerster uitgesproken veroordelingen in hoofdsom, interesten en kosten, alsook eiseres tot vrijwaring van vierde verweerster voor alle lastens haar ten aanzien van tweede en derde verweersters uitgesproken veroordelingen in hoofdsom, interesten en kosten, met inbegrip van onder meer bovenstaande veroordeling van vierde verweerster om tweede en derde verweersters te vrijwaren voor alle lastens hen ten aanzien van eerste verweerster uitgesproken veroordelingen in hoofdsom, interesten en kosten.

Zij steunen deze beslissing voornamelijk op de volgende motieven

"2.8.1.- [Vierde verweerster] is als onderaannemer van [tweede en derde verweersters], op grond van haar tienjarige aansprakelijkheid en om dezelfde redenen als deze hierboven aangehaald ten aanzien van [tweede en derde verweersters], gehouden hen te vrijwaren voor de veroordelingen van [tweede en derde verweersters] ten aanzien van [eerste verweerster]"

(bestreden eindarrest, pagina 39, laatste alinea).

en

"2.9.4.- [Eiseres] is aldus als fabrikant - oorspronkelijke verkoper van de gebrekkige geëmailleerde glaspanelen eerst en vooral gehouden tot vrijwaring van [vierde verweerster], op grond van de artikelen 1641 e.v. B.W., en om dezelfde redenen als deze hierboven aangehaald ten aanzien van [tweede en derde verweersters], voor de veroordelingen van [vierde verweerster] ten aanzien van [tweede en derde verweersters]"

(bestreden eindarrest, pagina 43, tweede alinea).

Rechtdoende op de oorspronkelijke hoofd- en tussenvorderingen van eerste verweerster tegen de overige partijen, oordeelden de appelrechters eerder in het bestreden eindarrest reeds als volgt:

"2.6. Over de schade en de schadebegroting

2.6.1. (...) De schade - van eerste verweerster - staat in oorzakelijk verband met de door [tweede tot vierde verweerster en eiseres] begane fouten en/of tekortkomingen en was voorzienbaar, d.i. haar bestaan was voorzienbaar.

(...)

[Tweede tot vierde verweersters en eiseres] zijn in solidum gehouden tot vergoeding van voormelde schade, met dien verstande dat [tweede en derde verweersters] samen hoofdelijke schuldenaars van deze schuld zijn en dat [vierde verweerster en eiseres] dit ook onder mekaar zijn"

(bestreden eindarrest, pagina 36, voorlaatste alinea en pagina 38, vierde alinea).

Grieven

Overeenkomstig artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek bestaat de aan de schuldeiser verschuldigde schadevergoeding, in het algemeen en principieel, in het verlies dat hij heeft geleden en in de winst die hij heeft moeten derven.

Krachtens die wetsbepaling kan de rechter, wanneer hij vaststelt dat de schade door de samenlopende fouten van verschillende daders is veroorzaakt en ieder van hen jegens de schadelijder gehouden is tot vergoeding van de volledige schade, niet beslissen, tenzij hij een contractueel bedongen verplichting tot vrijwaring vaststelt, dat één van de daders in hun onderlinge verhouding gehouden zal zijn de ander in dezelfde mate te vrijwaren, zonder meteen het oorzakelijk verband tussen de fout van laatstgenoemde en de schade te ontkennen.

Ervan uitgaande dat de schade van eerste verweerster in oorzakelijk verband staat met de door hen begane fouten en/of tekortkomingen beslissen de appelrechters te dezen vooreerst dat tweede tot vierde verweersters en eiseres in solidum gehouden zijn tot vergoeding van voormelde schade, met dien verstande dat tweede en derde verweersters samen hoofdelijke schuldenaars van deze schuld zijn en dat vierde verweerster en eiseres dit ook onder mekaar zijn (bestreden eindarrest, pagina 36, vierde alinea en pagina 38, vierde alinea).

In de lijn daarvan beslissen zij dat vierde verweerster, als onderaannemer van tweede en derde verweersters, gehouden is tweede en derde verweersters te vrijwaren voor al hun veroordelingen ten aanzien van eerste verweerster (bestreden eindarrest, pagina 39, laatste alinea).

Zij beslissen tenslotte dat eiseres, als fabrikant-oorspronkelijke verkoper, gehouden is tot vrijwaring van vierde verweerster voor de veroordelingen van deze laatste ten aanzien van tweede en derde verweersters (bestreden eindarrest, pagina 43, tweede alinea) en derhalve ook voor de veroordeling van vierde verweerster om tweede en derde verweersters te vrijwaren voor al hun veroordelingen ten aanzien van eerste verweerster.

Daar de appelrechters reeds oordeelden dat de schade van eerste verweerster in oorzakelijk verband staat met de fouten en/of tekortkomingen van tweede tot vierde verweersters en eiseres en deze laatsten derhalve in solidum gehouden zijn tot vergoeding van de volledige schade van eerste verweerster, konden zij vervolgens evenwel, zonder daartoe in de onderlinge verhouding tussen tweede tot vierde verweersters en eiseres het bestaan van enig contractueel vrijwaringbeding vast te stellen, geenszins beslissen dat vierde verweerster gehouden is tot vrijwaring van tweede en derde verweersters voor alle lastens hen ten aanzien van eerste verweerster uitgesproken veroordelingen, in hoofdsom, interesten en kosten, en evenmin dat eiseres vierde verweerster dient te vrijwaren voor alle lastens haar ten aanzien van tweede en derde verweersters uitgesproken veroordelingen in hoofdsom, interesten en kosten, met inbegrip van bovenstaande veroordeling van vierde verweerster tot vrijwaring van tweede en derde verweersters voor alle lastens hen ten aanzien van eerste verweerster uitgesproken veroordelingen, nu deze beslissingen een complete negatie inhouden van het eerder vastgestelde oorzakelijk verband tussen de fouten en/of tekortkomingen van tweede en derde verweersters en de door eerste verweerster geleden schade.

Rekening houdende met de veroordeling in solidum van tweede tot vierde verweersters en eiseres tot vergoeding van de volledige schade van eerste verweerster, zijn de veroordeling van vierde verweerster tot vrijwaring van tweede en derde verweersters voor al hun veroordelingen ten aanzien van eerste verweerster, alsook de veroordeling van eiseres om vierde verweerster te vrijwaren voor al haar veroordelingen ten aanzien van tweede en derde verweersters, in zoverre die veroordeling betrekking heeft op voormelde veroordeling van vierde verweerster tot vrijwaring van tweede en derde verweersters voor al hun veroordelingen ten aanzien van eerste verweerster, bij gebreke van de vaststelling in de onderlinge verhouding tussen tweede tot vierde verweersters en eiseres van een contractueel bedongen vrijwaring ten behoeve van tweede en derde verweerders, dan ook niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek).

In de zaak C.10.0464.N

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1134, 1135, 1137, 1142, 1147 tot 1151 en 1641 tot 1648 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het hof van beroep oordeelt dat de regels inzake de vrijwaring voor verborgen gebreken bij koop de eis in schadevergoeding van de Regie der Gebouwen tegen eiseres en AGC Flat Glass Europe kunnen schragen.

Het arrest overweegt hierover het volgende:

"De 85 pct. van de totaal geleverde hoeveelheid geëmailleerde glaspanelen die met een gebrek, dat oorzaak was van de breuk ervan, behept waren, werden door derde geïntimeerde bij vierde geïntimeerde gekocht, die ze fabriceert. Derde geïntimeerde heeft deze gebrekkige glaspanelen op haar beurt in de door haar uitgevoerde werken verwerkt.

Het recht op vrijwaring dat de eerste koper bezit tegen zijn verkoper is een toebehoren van de zaak dat samen met de zaak wordt doorverkocht aan de opeenvolgende kopers. De omstandigheid dat de gebrekkige zaak door een aannemer is geleverd aan zijn opdrachtgever in het raam van een aannemingsovereenkomst ontslaat de oorspronkelijke verkoper niet van zijn vrijwaringsplicht tegenover deze eindgebruiker. De opdrachtgever heeft, zoals een onderverkrijger, alle rechten en vorderingen verbonden met de zaak die aan de oorspronkelijke verkoper toebehoorde (...). Appellante vermag derhalve derde en vierde geïntimeerden op grond van de artikelen 1641 e.v. B.W. aan te spreken in zoverre aan de hierin voorgeschreven voorwaarden is voldaan." (p. 31, nr. 2.5.1 van het arrest).

Het hof van beroep beslist daarop dat aan de voorgeschreven voorwaarden voldaan is:

Het hof stelt vast dat het regelmatig en ‘asymptomatisch' breken van de glaspanelen te wijten is aan een intrinsiek gebrek - onvoldoende kwalitatieve metaalinsluitingen - dat de glaspanelen ongeschikt maakte voor gebruik, dat dit gebrek eigen was aan de fabricage en dus aanwezig was op het ogenblik van de koop en dat het onmogelijk kon worden ontdekt (p. 32, eerste alinea van het arrest).

Volgens het hof van beroep ligt geen bewijs voor van het absoluut onnaspeurlijk karakter van het gebrek, rekening houdend met de kennis die toen o.m. via vakpublicaties en testmethodes als de Heat Soak-test beschikbaar was. Eiseres en derde partij in gemeenverklaring dragen bijgevolg als professionele verkoper respectievelijk fabrikant de aansprakelijkheid voor de gebreken in de glaspanelen (p. 32 en 33, nr 2.5.3 van het arrest).

Het hof van beroep beslist tot slot dat de korte termijn bedoeld in artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek geëerbiedigd werd en neemt daarbij in aanmerking dat het deskundigenonderzoek lang aansleepte en een minnelijke regeling ook kort nadien niet uitgesloten was.

"Het moet worden aangenomen dat de korte termijn verlengd werd tijdens de expertisewerkzaamheden en dat gedurende de gans loop ervan een minnelijke regeling niet kon worden uitgesloten en zo ook niet gedurende enige tijd na afloop ervan. In de gegeven omstandigheden heeft het uitbrengen van de dagvaardingen ten gronde op 20 april 1976 resp. op 17 en 18 augustus 1993, gelet op de lopende expertise, waarbij alle partijen betrokken waren, en de discussies tussen partijen, het onderzoek naar de oorsprong van de gebreken en de staat van het goed bij de levering in generlei mate in gedrang gebracht, zodat moet worden aangenomen dat de (vrijwaring)vorderingen ten gronde tijdig werden ingesteld." (p. 33 en 34, nr. 2.5.4, i.h.b. p. 34, in fine van het arrest).

Grieven

Eerste onderdeel

Schending van de artikelen 1134, 1135, 1137, 1142, 1147 tot 1151 en 1641 tot 1648 van het Burgerlijk Wetboek.

1. Eiseres betwistte in voorliggend geval dat verweerster haar op grond van de regels inzake verborgen gebreken bij koop rechtstreeks kon aanspreken. Zij benadrukte dat tussen haar en eerste en tweede partij in gemeenverklaring een aannemingsovereenkomst was gesloten en dat zij niet de hoedanigheid van verkoper had (p. 10 van haar syntheseconclusie).

2. Volgens het hof van beroep is de aanneming tussen verweerster als bouwheer en eerste en tweede partij in gemeenverklaring als aannemers een ‘res inter alios acta' voor eiseres als onderaannemer en kan eiseres op grond van de tienjarige aansprakelijkheid niet worden aangesproken door verweerster (p. 30, nr. 2.4.4 van het arrest).

Het hof van beroep overweegt ook dat eiseres de gebrekkige glaspanelen aankocht bij de derde partij in gemeenverklaring, die ze fabriceerde, en dat eiseres die glaspanelen verwerkte in de door haar als onderaannemer uitgevoerde werken (p. 31, nr. 2.5.1 van het arrest).

Niettemin oordeelt het hof van beroep daarop dat eiseres door verweerster kan worden aangesproken op grond van de artikelen 1641 e.v. van het Burgerlijk Wetboek in zover aan de hierin voorgeschreven voorwaarden voldaan is (p. 31, nr. 2.5.1, laatste alinea van het arrest).

Die voorwaarden acht het hof vervuld: de glaspanelen zijn behept met een verborgen gebrek, eiseres bewijst niet dat het gebrek absoluut onnaspeurlijk was en de korte termijn werd bij het instellen van de vordering geëerbiedigd (p. 31, nr. 2.5.2 tot p. 34 van het arrest).

3. Aangenomen wordt dat de vrijwaringsvordering wegens verborgen gebreken niet alleen overgaat bij opeenvolgende koopovereenkomsten maar ook bij aanneming.

De opdrachtgever kan zich bijgevolg op grond van een kwalitatief recht (‘accessorium sequitur principale' - de bijzaak volgt de hoofdzaak) tegen de leverancier van de aannemer richten.

Die bijkomende aanspraakmogelijkheid bestaat nochtans slechts tegen de verkoper van de aannemer aan wie de gebrekkige zaak geleverd werd.

Op de aannemer rusten alleen de bijzondere tienjarige aansprakelijkheid voor gebreken die de stevigheid van het gebouw in het gedrang brengen op grond van de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek en de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid voor verborgen maar lichte gebreken.

Die gemeenrechtelijke aansprakelijkheid van de aannemer dient uitsluitend op basis van de artikelen 1134, 1135, 1137, 1142 en 1147 tot 1151 van het Burgerlijk Wetboek te worden beoordeeld, waarbij de feitenrechter moet nagaan of de verweten wanprestatie berust op een middelen- dan wel resultaatsverbintenis.

Er bestaat geen wettelijke garantie voor verborgen gebreken buiten die regels om.

De artikelen 1641 e.v. van het Burgerlijk Wetboek zijn op de aannemer niet van toepassing.

4. Het arrest, dat vaststelt dat eiseres onderaannemer was van eerste en tweede partij in gemeenverklaring en dat zij de aangekochte glaspanelen in de door haar als onderaannemer uitgevoerde werken verwerkte (p. 30, nr. 2.4.4 en p. 31, nr. 2.5.1 van het arrest), beslist niet wettig dat de regels inzake de vrijwaring voor verborgen gebreken bij koop ten aanzien van eiseres gelden en dat die regels de vordering van verweerster tegen eiseres kunnen schragen.

De toepassing van de regels inzake de vrijwaring voor verborgen gebreken bij koop miskent derhalve eiseres' hoedanigheid van onderaannemer en de op haar rustende aansprakelijkheidsregels, beperkt tot de bijzondere tienjarige aansprakelijkheid voor gebreken die de stevigheid van het gebouw in het gedrang brengen (schending van de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek) en de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid voor verborgen gebreken (schending van de artikelen 1134, 1135, 1137, 1142, 1147 tot 1151 van het Burgerlijk Wetboek).

Tevens past het arrest onwettig de artikelen 1641 e.v. van het Burgerlijk Wetboek op eiseres toe (schending van de artikelen 1641 tot 1648 van het Burgerlijk Wetboek), in het bijzonder het vermoeden van kennis van de verborgen gebreken dat alleen op de beroepsverkoper van toepassing is (schending van de artikelen 1641, 1643, 1645 en 1646 van het Burgerlijk Wetboek) en de korte termijn voor de vordering tot vrijwaring wegens verborgen gebreken bij koop (schending van artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Schending van artikel 149 van de Grondwet.

1. De rechter moet zijn beslissing regelmatig motiveren en daarbij zonder dubbelzinnigheid of tegenstrijdigheid antwoorden op de middelen die de partijen in hun regelmatig ingediende conclusies aanvoerden.

De geboden motivering dient een wettigheidscontrole mogelijk te maken.

2. Eiseres betwistte in ondergeschikte orde dat de vordering van verweerster op grond van de regels inzake koop tegen haar gericht binnen de vereiste korte termijn bedoeld in artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek was ingesteld (p. 10 en 11 van haar syntheseconclusie in hoger beroep).

Het hof van beroep beslist dat de korte termijn geëerbiedigd werd:

"Het moet worden aangenomen dat de korte termijn verlengd werd tijdens de expertisewerkzaamheden en dat gedurende de gans loop ervan een minnelijke regeling niet kon worden uitgesloten en zo ook niet gedurende enige tijd na afloop ervan. In de gegeven omstandigheden heeft het uitbrengen van de dagvaardingen ten gronde op 20 april 1976 resp. op 17 en 18 augustus 1993, gelet op de lopende expertise, waarbij alle partijen betrokken waren, en de discussies tussen partijen, het onderzoek naar de oorsprong van de gebreken en de staat van het goed bij de levering in generlei mate in gedrang gebracht, zodat moet worden aangenomen dat de (vrijwaring)vorderingen ten gronde tijdig werden ingesteld." (p. 34, in fine van het arrest).

Het hof van beroep antwoordt met die overwegingen evenwel niet op het specifieke verweer van eiseres dat verweerster slechts op 4 oktober 1994 een eis in tussenkomst tegen eiseres formuleerde, wat rekening houdend met de aard van de ingeroepen gebreken en de mededeling van het aanvullend deskundigenverslag op 26 mei 1986, zeker laattijdig was (p. 10-11 van haar syntheseconclusie in hoger beroep).

In zover het arrest bij de beoordeling van de korte termijn niet antwoordt op het verweer van eiseres over de laattijdige indiening van de eis in tussenkomst door verweerster tegen haar gericht, is de beslissing over de eerbiediging van de korte termijn niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet).

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Voeging

1. De cassatieberoepen in de zaken C.10.0456.N en C.10.0464.N hebben betrekking op hetzelfde geschil tussen dezelfde partijen, zodat zij gevoegd dienen te worden.

Zaak C.10.0464.N

Middel

Eerste onderdeel

2. Krachtens artikel 1641 Burgerlijk Wetboek is de verkoper gehouden tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht.

Krachtens artikel 1648 Burgerlijk Wetboek moet de rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken door de koper worden ingesteld binnen een korte tijd, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop gesloten is.

3. Het recht op vrijwaring dat de eerste koper bezit tegen zijn verkoper, is een toebehoren van de zaak dat samen met de zaak wordt doorverkocht aan de opeenvolgende kopers. De omstandigheid dat de gebrekkige zaak door een aannemer is geleverd aan zijn opdrachtgever, ontslaat de opeenvolgende verkopers niet van hun vrijwaringsplicht tegenover deze eindgebruiker.

Dit houdt evenwel niet in dat de artikelen 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek toepassing vinden in de onderlinge verhouding tussen de opdrachtgever en de aannemer of nog tussen de opdrachtgever en een onderaannemer.

4. De appelrechters stellen vast dat:

- de eerste en tweede in bindendverklaring opgeroepen partijen als aannemers een kantoorgebouw hebben opgericht te Antwerpen in opdracht van de rechtsvoorganger van de verweerster, de Belgische Staat;

- de eerste en tweede in bindendverklaring opgeroepen partijen de levering en de plaatsing van de glaspanelen in onderaanneming toevertrouwden aan eiseres, die zelf de glaspanelen kocht van de derde in bindendverklaring opgeroepen partij.

5. Door vervolgens te oordelen dat de verweerster als opdrachtgever de eiseres, onderaannemer van de eerste en tweede in bindendverklaring opgeroepen partijen, vermocht aan te spreken op grond van de artikelen 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

6. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie.

Zaak C.10.0456.N

Eerste middel

7. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat de eerste verweerster met haar dagvaardingen van 17 en 18 augustus 1993 een vrijwaringsvordering wegens verborgen gebreken heeft ingesteld tegen eiseres, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

8. Om de tijdigheid te beoordelen van de vrijwaringsvordering van de eerste verweerster als eindgebruiker tegen de eiseres, de aanvankelijke verkoper-producent van de gebrekkige goederen, nemen de appelrechters niet alleen de dagvaardingen van 17 en 18 augustus 1993 als beoordelingselementen in aanmerking, maar ook de dagvaarding van 20 april 1976, waarbij de vierde verweerster, de aanvankelijke koper van de gebrekkige goederen, wegens die verborgen gebreken een vordering tegen de eiseres instelde en dit lopende een expertise, waarbij alle partijen betrokken waren.

9. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters "enkel 17 en 18 augustus 1993 in aanmerking" nemen "als einddata voor de beoordeling van de korte termijn waarbinnen eerste verweerster haar vrijwaringsvorderingen wegens verborgen gebreken diende in te stellen", berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

10. Bij gebrek aan conclusie desbetreffend dienden de appelrechters niet te preciseren op welke datum de eerste verweerster haar vrijwaringsvordering tegen de eiseres instelde.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres voor de appelrechters betwistte dat de eerste verweerster intrest kon vorderen op de door haar voorgeschoten expertisekosten voor een periode daterend van vóór de uitspraak van het arrest.

Het middel is nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.

Derde middel

12. Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het middel in de zaak C.10.0464.N volgt dat een aannemer of een onderaannemer niet kan worden aangesproken op grond van de artikelen 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek.

Het middel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Vierde middel

13. De appelrechters oordelen dat:

- de onvoldoende kwaliteit op gebied van zuiverheid (metaalinsluitingen) in 85 pct. van de gevallen de oorzaak is van de breuken van de geëmailleerde glaspanelen, waarvan de eiseres de aanvankelijke leverancier was;

- dit verborgen gebrek een gevolg was van de fabricage van deze glaspanelen en derhalve reeds aanwezig was op het ogenblik van de levering;

- tweede en derde verweersters als aannemers op grond van artikel 1792 Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de opdrachtgever aansprakelijk zijn om reden dat "het regelmatig en asymptomatisch breken van dergelijke panelen (...) de stevigheid minstens de degelijkheid van een belangrijk en essentieel onderdeel van het gebouw, te weten de gevels ervan, in het gedrang (brengt) en (...) tot gevolg (heeft) dat deze gevels niet meer beantwoorden aan de vereisten van veiligheid waaraan dergelijke gevels dienen te voldoen".

De appelrechters betrekken bij deze beoordeling van de aansprakelijkheid van de tweede en derde verweersters als aannemers generlei fout in de uitvoering van hun opdracht.

14. Na de aansprakelijkheid van de tweede en derde verweersters aldus te hebben aanvaard buiten het bestaan van enige fout in hunnen hoofde, stellen de appelrechters bij de beoordeling van het bestaan en de omvang van de schade in algemene bewoordingen dat de schade in oorzakelijk verband staat "met de door geïntimeerden begane fouten en/of tekortkomingen".

Het middel dat opkomt tegen een overtollige reden van het arrest, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen C.10.0456.N en C.10.0464.N.

in de zaak C.10.0456.N

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten jegens de eisende partij op 962,33 euro, jegens de verwerende partij 1 op 312,54 euro, jegens de verwerende partijen 2 & 3 op 182,69 euro en jegens de verwerende partij 4 op 145,72 euro.

in de zaak C. 10.0464.N

Vernietigt het bestreden arrest, inzoverre het de eiseres hoofdelijk met de derde in bindendverklaring opgeroepen partij en in solidum met de eerste en de tweede in bindendverklaring opgeroepen partijen veroordeelt tot het betalen aan de verweerster van 412.788,06 euro, vermeerdd met kosten van de gerechtelijke expertise, de compensatoire en gerechtelijke rente, en de kosten van beide aanleg.

Verklaart het arrest bindend voor de in bindendverklaring opgeroepen partijen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 15 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Aannemingsovereenkomst

  • Verkoop

  • Verborgen gebreken

  • Verkoper

  • Vrijwaringplicht

  • Opdrachtgever

  • Verhouding tussen de opdrachtgever en de aannemer of een onderaannemer

  • Toepasselijkheid