- Arrest van 21 september 2011

21/09/2011 - P.11.1557.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de procureur des Konings, in een geval waarin de aan de veroordeelde toegekende strafuitvoeringsmodaliteit kon worden herroepen, de voorlopige aanhouding heeft bevolen van de persoon die voor de maatregel in aanmerking komt, en hij de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank daarvan onmiddellijk in kennis heeft gesteld, beschikt die rechtbank over zeven werkdagen na de opsluiting van de veroordeelde om uitspraak te doen over een eventuele schorsing van de toegekende maatregel; indien de strafuitvoeringsmodaliteit wordt geschorst, moet de rechtbank binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, die schorsing opheffen of de maatregel herroepen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1557.F

S. C. N.,

Mr. Marie Jadoul, advocaat bij de balie te Nijvel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Bergen van 11 augustus 2011

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Bij vonnis van 28 april 2011 heeft de strafuitvoeringsrechtbank te Bergen de eiser een maatregel van elektronisch toezicht toegekend, met ingang van 16 mei 2011.

Op 26 juli 2011 heeft het openbaar ministerie bij die rechtbank de griffier van de rechtbank verzocht de rechtsdag voor het dossier vast te stellen op de eerstvolgende zitting, met het oog op de herroeping, schorsing of herziening van de maatregel.

De procureur des Konings te Charleroi heeft op 4 augustus 2011 een bevel tot voorlopige aanhouding van de eiser uitgevaardigd, dat hem op 7 augustus werd betekend. De dag daarop heeft het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank te Bergen de griffier ter kennis gebracht dat zijn verzoek van 26 juli, rekening houdende met de voorlopige aanhouding, als nietig moet worden beschouwd.

Met een kantschrift van 8 augustus 2011 heeft het openbaar ministerie de voorzitter van de rechtbank een afschrift van het bevel tot aanhouding bezorgd. De griffier heeft daarop de eiser opgeroepen voor de rechtszitting van 11 augustus. Die oproeping ging vergezeld van het bericht dat het dossier gedurende ten minste vier dagen te zijner beschikking stond.

De oproeping van 8 augustus preciseert dat zij aan de geadresseerde is gericht "in het kader van [diens] voorlopige aanhouding die is bevolen met het oog op de herroeping, schorsing of herziening van [zijn] elektronisch toezicht".

Het bestreden vonnis herroept de strafuitvoeringsmodaliteit.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 70 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden stelt de procureur des Konings in staat om, in de gevallen waarin herroeping mogelijk is, de voorlopige aanhouding te bevelen van de persoon die in aanmerking komt voor de maatregel, onder verplichting de strafuitvoeringsrechtbank daarvan onmiddellijk in kennis te stellen. Die beschikt over zeven werkdagen na de opsluiting van de veroordeelde om uitspraak te doen over een eventuele schorsing van de toegekende maatregel.

Overeenkomstig artikel 66, § 3, van de wet van 17 mei 2006, moet de rechtbank, zo de uitvoeringsmodaliteit van de straf geschorst wordt, binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, die schorsing opheffen of de maatregel herroepen.

Het openbaar ministerie heeft met het oog op de herroeping van de aan de eiser toegekende maatregel, geen zaak aanhangig gemaakt bij de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij het dossier gedurende ten minste vier dagen voor de zitting ter beschikking wordt gesteld van hemzelf of zijn raadsman, als bepaald in artikel 68 van de wet.

Het bestreden vonnis herroept het elektronisch toezicht evenwel meteen, ofschoon de rechtbank, die kennis neemt van een bevel tot voorlopige aanhouding van 8 augustus 2011, de dag van haar beslissing alleen bevoegd was om uitspraak te doen over de eventuele schorsing van die straftuitvoeringsmodaliteit.

De strafuitvoeringsrechtbank schendt aldus de artikelen 66, 68 en 70 van de wet van 17 mei 1006 en gaat de perken te buiten van de bij haar aanhangig gemaakte zaak.

In zoverre is het middel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 21 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Aan de veroordeelde toegekende maatregel van elektronisch toezicht

  • Voorlopige aanhouding bevolen door de procureur des Konings

  • Strafuitvoeringsrechtbank

  • Vonnis

  • Schorsing van de maatregel