- Arrest van 27 september 2011

27/09/2011 - P.11.1115.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De termijn om een verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, voorafgaand aan de regeling van de rechtspleging door het onderzoeksgerecht, bedraagt ten minste 15 dagen, wordt berekend in volle dagen en eindigt ten laatste de dag voor de zitting van de raadkamer op het sluitingsuur van de griffie (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1115.N

I

TRADECC nv, met zetel te 2610 Antwerpen, Terbekehofdreef 50-52,

burgerlijke partij,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. ARCHIDEE bvba, met zetel te 3070 Kortenberg, Hertog Jan II-Laan 7,

verdachte,

2. J A R B,

verdachte,

3. P N L T V,

verdachte,

verweerders.

II

TRADECC nv, reeds vermeld,

verzoekster tot bijkomende onderzoekshandelingen,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. ARCHIDEE bvba, reeds vermeld,

verdachte,

2. J A R B, reeds vermeld,

verdachte,

3. P N L T V, reeds vermeld,

verdachte,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn respectievelijk gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 december 2010 en van 19 mei 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft schriftelijke conclusies neergelegd.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 61quinquies en 127, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering en is gericht tegen het arrest van 23 december 2010.

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert aan dat overeenkomstig artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering de termijn waarbinnen bijkomende onderzoekshandelingen kunnen worden gevraagd, loopt tot de aanvang van de zitting van de raadkamer: ten onrechte oordelen de appelrechters dat de vraag strekkende tot aanvullend onderzoek niet ontvankelijk was wegens laattijdigheid; de eiseres werd op 14 juli 2010 in kennis gesteld dat de zaak was vastgesteld voor regeling van de rechtspleging op 3 september 2010; het verzoekschrift strekkende tot het uitvoeren van bijkomende onderzoekshandelingen werd neergelegd ter griffie op 3 september 2010 om 8.59 uur, dit is vóór de aanvang van de rechtszitting van de raadkamer.

3. Het arrest van 23 december 2010 oordeelt dat overeenkomstig artikel 127 Wetboek van Strafvordering de termijn om het verzoekschrift strekkende tot het stellen van bijkomende onderzoekshandelingen neer te leggen eindigt de dag vóór de regeling van de rechtspleging.

4. Artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij binnen de in § 2 van hetzelfde artikel gestelde termijn de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies kunnen verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst.

Terwijl artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de griffier de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun advocaten in kennis stelt dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt, dat ze inzage ervan kunnen hebben en kopie ervan kunnen opvragen, schrijft de wet geen kennisgeving voor betreffende de termijn waarbinnen het verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, moet worden toegezonden of neergelegd.

De termijn om een verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten neer te leggen of toe te zenden is dezelfde als deze voor inzage, bedraagt ten minste 15 dagen, wordt berekend in volle dagen en eindigt ten laatste de dag vóór de zitting van de raadkamer, op het sluitingsuur van de griffie.

Het onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert aan dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het verzoekschrift overeenkomstig artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering ook per fax was overgemaakt aan de griffie van de raadkamer op 2 september 2010, zijnde de dag vóór de rechtszitting, zodat de appelrechters ten onrechte oordelen dat het verzoekschrift laattijdig is.

6. Het verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten geschiedt overeenkomstig de regels van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering. Dit artikel bepaalt dat het verzoekschrift wordt toegezonden aan of neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, waar het ingeschreven wordt in een daartoe bestemd register.

7. Een verzoekschrift overeenkomstig artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering is een geschrift waaraan rechtsgevolgen worden verbonden door het aanbrengen van de handtekening van de verzoeker. De handtekening heeft een beveiligingsfunctie: het manuele, eigenhandige, creatieve en continue karakter van de handtekening die rechtstreeks op het geschrift wordt aangebracht biedt zekerheid omtrent de identiteit van de ondertekenaar. Een afdruk van een handtekening via fax is geen rechtsgeldige handtekening.

8. De toezending van een verzoekschrift per fax kan wegens de technische eigenschappen ervan geen originele handtekening bevatten en voldoet daarom niet aan de voorschriften van de artikelen 61quinquies, § 2, en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering. De appelrechters hebben dus met recht geen rekening gehouden met de toezending per fax van 2 september 2010 en geoordeeld dat het verzoekschrift laattijdig was.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op 222,44 euro waarvan 94,74 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 27 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Regeling van de rechtspleging

  • Verzoekschrift om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten