- Arrest van 28 september 2011

28/09/2011 - P.11.1583.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De kamer van inbeschuldigingstelling die andermaal het verzoek tot invrijheidstelling van de beschuldigde verwerpt door met name te vermelden dat er aanwijzingen van schuld bestaan, dat het gerechtelijk onderzoek geen vertraging heeft opgelopen en dat een risico op ontvluchting kan worden afgeleid uit de straf waartoe hij voor het hof van assisen is veroordeeld, komt haar plicht tot onpartijdigheid na die artikel 6.1 Verdrag Rechten van de Mens haar oplegt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1583.F

F. M.,

Mr. Alexandre Wilmotte, advocaat bij de balie te Hoei en mr. Catherine Toussaint, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 september 2011, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 30 augustus 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiser vermeldt dat de kamer van inbeschuldigingstelling, door een "beslist en definitief" standpunt in te nemen, artikel 6.1 EVRM schendt.

In geen enkele van zijn overwegingen drukt het bestreden arrest de vooraf besloten en vaststaande opvatting uit dat de eiser de feiten heeft gepleegd.

Ongetwijfeld heeft de kamer van inbeschuldigingstelling, andermaal, het verzoek tot invrijheidstelling van de eiser verworpen, door met name te vermelden dat er aanwijzingen van schuld bestaan, dat het gerechtelijk onderzoek geen vertraging heeft opgelopen en dat het risico op ontvluchting kan worden afgeleid uit de straf waartoe hij voor het hof van assisen is veroordeeld.

Uit die beslissing en de gronden ervan, kan niet worden afgeleid dat de kamer van inbeschuldigingstelling haar plicht tot onpartijdigheid die haar bij de aangevoerde verdragsbepaling wordt opgelegd, niet is nagekomen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De eiser heeft een conclusie neergelegd waarin hij met name vermeldt dat de verlenging van zijn hechtenis "bovendien van dien aard zou zijn dat zij het beginsel van het vermoeden van onschuld zou miskennen".

Het arrest wordt verweten dat het die zin niet beantwoordt.

Aangezien die vermelding in de voorwaardelijke wijs is gesteld, zonder dat zij gestaafd wordt door gegevens die verduidelijken hoe en op welke wijze het vermoeden van onschuld zou zijn miskend, wordt zij door het arrest verworpen. Daar tegenover stelt het arrest, enerzijds, de opsomming van de feitelijke en persoonsgebonden omstandigheden die de handhaving van de hechtenis volstrekt noodzakelijk maken en, anderzijds, het gebrek aan een gegeven dat de conclusie wettigt dat de redelijke termijn is overschreden.

In strijd met wat de eiser aanvoert kan geen schending van het vermoeden van onschuld worden afgeleid uit het feit alleen dat het onderzoeksgerecht dat beginsel niet in herinnering brengt terwijl het zich op de zwaarte van de uitgesproken straf baseert om te bevestigen dat er een risico op ontvluchting bestaat.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Om te besluiten tot overschrijding van de redelijke termijn baseert het middel zich met name op de verklaring dat geen datum voor de opening van de zitting zal worden vastgesteld vooraleer verschillende maanden zullen zijn verstreken.

Het redelijke of onredelijke karakter van de duur van een voorlopige hechtenis moet worden beoordeeld op het ogenblik van de beslissing van de rechter die met dat toezicht is belast en niet op de veronderstelde datum van vaststelling van de zaak voor het vonnisgerecht.

In zoverre het middel op een foutief juridisch uitgangpunt berust, faalt het naar recht.

Het arrest wijst erop dat de eiser terechtstaat voor het hof van assisen omdat hij naar dat rechtscollege was verwezen wegens doodslag. Het oordeelt dat de aanwijzingen van schuld blijven bestaan, dat het gerechtelijk onderzoek geen vertraging heeft opgelopen gelet op de specifieke onderzoeksverrichtingen die door de aard van de misdaad noodzakelijk waren, en dat ondanks alle procedurefouten de handhaving van de hechtenis volstrekt noodzakelijk blijft voor de openbare veiligheid wegens met name het gevaar dat de beschuldigde zou ontvluchten, gelet op wat er voor hem met dit proces op het spel staat.

Een dergelijke beslissing, die de duur van de rechtspleging vergelijkt met het feit dat de voortzetting van de hechtenis in het openbaar belang blijvend geboden is, en die dat belang afleidt uit het onderzoek van de concrete gegevens van de zaak, schendt artikel 5.3 van het Verdrag niet.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 28 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Onderzoeksgerechten

  • Verzoek tot invrijheidstelling

  • Verwerping

  • Plicht tot onpartijdigheid