- Arrest van 29 september 2011

29/09/2011 - C.09.0014.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0014.N

MOURIK nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Groenendaallaan 399,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. FIDEA nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 14,

verweerster,

2. FORTIS CORPORATE INSURANCE nv, met zetel te 1183 AT Amstelveen (Nederland), Professor J. H. Bavincklaan 1 en met kantoor te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53,

in bindendverklaring opgeroepen partij,

3. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,

in bindendverklaring opgeroepen partij,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar deze partijen woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 27 september 2007.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 8 april 2011 een conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert navolgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1153 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verwerpt de vordering van de eiseres tot toekenning van verwijlinterest met ingang van de datum van de vordering tot vrijwaring en veroordeelt de eerste verweerster Fidea tot 309.986,91 euro met verwijlinterest vanaf 30 juni 2005, op grond van de volgende overwegingen:

"Mourik nv houdt ten onrechte voor dat zij in het kader van haar regresvordering op grond van artikel 1153 Burgerlijk Wetboek gerechtigd is op interesten vanaf de datum van het instellen van de vrijwaringsvordering. Mourik nv kan slechts aanspraak maken op moratoire interesten vanaf de aanmaning nadat zij zelf de schadelijders heeft vergoed. Pas op dat ogenblik blijft de aansprakelijkheidsverzekeraar in gebreke zijn schuld ten overstaan van haar verzekerde te voldoen. Dat de aansprakelijkheidsverzekeraars ten onrechte hun aansprakelijkheid hebben betwist, doet hieraan geen afbreuk.

Artikel 82 Wet Landverzekeringsovereenkomst vindt verder in elk geval geen toepassing, nu het ongeval dateert van voor de inwerkingtreding van deze wet.

Waar Mourik nv op 16 maart 2005 het bedrag van 309.866,91 euro heeft gestort aan Fortis Corporate Insurance nv (arbeidsongevallen), kan zij terugbetaling van dit bedrag bekomen van de Fidea nv die dekking dient te verlenen ten belope van 50 pct. De moratoire interesten zijn verschuldigd vanaf 30 juni 2005, datum waarop Mourik nv terugbetaling heeft gevorderd in besluiten neergelegd op deze datum. In tegenstelling tot wat de Mourik nv voorhoudt heeft zij niet van Fidea nv maar wel de raadsman van Fortis Corporate Insurance nv terugbetaling gevraagd bij brief van 4 april 2005. Deze aanmaning geldt bijgevolg niet ten aanzien van Fidea nv". (cf. p. 8 en 9, nr. 7 van het arrest)

Grieven

1. Het staat buiten kijf dat de vergoedingen waartoe de eiseres Mourik nv als aansprakelijke verzekerde gehouden is jegens de schadelijders V. C. en arbeidsongevallenverzekeraar Fortis een waardeschuld opleveren die compensatoire of vergoedende interest kan genereren.

Het hof van beroep stelt in voorliggend geval dat de vergoedende interest verschuldigd aan de schadelijders begrepen is in de omvang van de verzekeringsdekking, wat er tegelijk toe leidt dat de dekkingsgrens ook voor die interest geldt. (cf. p. 8, nr. 7, tweede alinea van het arrest)

Artikel 82 Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt thans dat de dekkingsgrenzen enkel gelden met betrekking tot de in hoofdsom verschuldigde schadevergoeding en dat de interesten en kosten zelfs boven de dekkingsgrenzen moeten worden vergoed. In voorliggend geval wordt die bepaling evenwel niet toepasselijk geacht. (cf. p. 8, laatste alinea en p. 9, eerste alinea van het arrest)

2. Dat de interest door de verzekerde aan de derde schadelijder verschuldigd vóór de inwerkingtreding van artikel 82 Wet Landverzekeringsovereenkomst in de dekkingsgrenzen kon begrepen zijn, betekent dat het tijdsverloop - en dus ook de toename van vergoedende interest - de overeengekomen verzekeringsdekking aantast.

Dit gevolg wordt nochtans weggenomen, zo aangenomen wordt dat - zoals de eiseres in haar conclusie in hoger beroep aanvoerde - de schuld van de verzekeraar bestaat en opeisbaar is vanaf de dag dat de schadeverwekkende gebeurtenis zich voordoet. (cf. p. 17, nr. 12 van haar tweede syntheseberoepsbesluiten)

Eenmaal door de rechter vastgesteld dat de verzekeraar zijn verzekerde dient te vergoeden, is de verzekeraar dan met ingang van de aanmaning door de verzekerde aan hem gericht immers moratoire of verwijlinterest in de zin van artikel 1153 Burgerlijk Wetboek verschuldigd, ongeacht de dekkingsgrens.

3. Niet alleen maakt de schuldvordering van de verzekerde tegen zijn verzekeraar tot uitkering van de overeengekomen verzekeringsprestatie een geldsomverbintenis uit, op die geldsomverbintenis kan inderdaad met ingang van de datum waarop de vordering tot vrijwaring tegen de verzekeraar werd gericht verwijlinterest worden toegekend.

Dat op die datum de schadelijder nog niet werd vergoed door de verzekerde, doet daaraan niet af nu, zoals gezegd, de schuld van de verzekeraar bestaat en opeisbaar is op het ogenblik van de schadeverwekkende gebeurtenis.

Dat de omvang van de schuld van de verzekeraar eerst door de rechterlijke beslissing zal komen vast te staan, doet aan het bestaan noch aan het opeisbaar karakter van de schuld van de verzekeraar afbreuk.

De ingangsdatum voor het toekennen van verwijlinterest hangt dus, in tegenstelling tot wat het hof van beroep aanneemt, geenszins af van de voorwaarde dat de verzekerde de derde schadelijder heeft vergoed.

Aannemen dat de aansprakelijke verzekerde eerst zelf de derde schadelijders moet hebben vergoed opdat hij daarop door de aanmaning tot terugbetaling van die vergoeding de verwijlinterest bedoeld in artikel 1153 Burgerlijk Wetboek kan doen lopen, maakt de toekenning van de verwijlinterest bedoeld in artikel 1153 Burgerlijk Wetboek bijgevolg afhankelijk van een voorwaarde die dit artikel niet bevat.

In zover het hof van beroep bij het bepalen van de aanvangsdatum voor verwijlinterest dus weigert rekening te houden met de ingeroepen datum van dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van de verweersters op 4 september 1990 (cf. p. 16, nr. 10 van de tweede syntheseberoepsbesluiten van de eiseres), omdat die datum van de vrijwaringsvordering aan de vergoeding van de schadelijders door de eiseres voorafging (cf. p. 8, voorlaatste alinea van het arrest), verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing met betrekking tot de toegekende verwijlinterest vanaf 30 juni 2005 niet naar recht.

De beslissing dat "(de eiseres) slechts aanspraak (kan) maken op moratoire interesten vanaf de aanmaning nadat zij zelf de schadelijders heeft vergoed" (cf. p. 8, voorlaatste alinea van het arrest), miskent artikel 1153 Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 77 Wet Landverzekeringsovereenkomst strekt de aansprakelijkheidsverzekering ertoe de verzekerde dekking te geven tegen alle vorderingen tot vergoeding wegens het voorvallen van de schade die in de overeenkomst is beschreven, en zijn vermogen binnen de grenzen van de dekking te vrijwaren tegen alle schulden uit een vaststaande aansprakelijkheid.

2. Uit die bepaling volgt dat de verzekerde wegens het voorvallen van de schade die in de overeenkomst is beschreven, jegens zijn verzekeraar een vordering tot dekking heeft van zodra de benadeelde aanspraak maakt op schadevergoeding en dat de verzekerde de vergoeding die hijzelf aan de benadeelde heeft betaald, kan terugvorderen van zijn verzekeraar tot beloop van het verzekerde bedrag.

Die vordering van de verzekerde tot terugbetaling is pas opeisbaar vanaf de datum waarop de verzekerde de benadeelde heeft betaald.

3. Het middel gaat volledig uit van de onjuiste rechtsopvatting dat die schuld van de verzekeraar bestaat en opeisbaar is vanaf de dag dat de schadeverwekkende gebeurtenis zich voordoet.

Het middel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 703,53 euro en voor de verweerders op 172,36 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 29 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Verzekerde

  • Verzekeraar

  • Vordering tot dekking

  • Ogenblik

  • Betaling aan de benadeelde

  • Vordering tot terugbetaling

  • Opeisbaarheid