- Arrest van 5 oktober 2011

05/10/2011 - P.11.0730.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De burgerlijke partijstelling van een bewoner van een gemeente is niet onontvankelijk louter omdat die bewoner in die akte niet vermeldt dat hij een rechtsvordering wil instellen die de gemeente toekomt (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0730.F

I. 1. R. L.,

2. A. R.,

Mr. Eric Lemmens, advocaat bij de balie te Luik,

II. 1. P. C.,

2. J.-M. D.,

de vier cassatieberoepen tegen

1. F. D. e.a.,

Mr. Robert Arys, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 maart 2011.

De eisers R. L. en A. R. voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoepen van R. L. en A. R.

1. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissing over de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling

Tweede middel

De eisers verwijten het arrest dat het de burgerlijkepartijstelling van de verweerders ontvankelijk verklaart. Zij verwijten het ook dat het niet antwoordt op hun conclusie.

In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 3ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 70 Wetboek van Strafvordering, zonder daarbij aan te geven in hoeverre het arrest die bepalingen schendt, is het wegens onduidelijkheid niet ontvankelijk.

Volgens artikel 63 Wetboek van Strafvordering kan hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf te zijn benadeeld, daarover bij de bevoegde onderzoeksrechter klacht doen en zich burgerlijke partij stellen.

Krachtens artikel L.1242-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie van het Waals Gewest, kunnen, wanneer het gemeentecollege niet in rechte optreedt, één of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zekerheidsstelling aan te bieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordelingen die mochten worden uitgesproken.

Uit die bepalingen volgt niet dat de burgerlijkepartijstelling van een bewoner van een gemeente niet ontvankelijk is alleen maar omdat hij in die akte niet vermeldt dat hij een rechtsvordering wil instellen die rechtens de gemeente toekomt.

In zoverre het middel het tegendeel beweert, faalt het naar recht.

Het arrest vermeldt dat de verweerders later, doch vóór elke onderzoekshandeling, gepreciseerd hebben dat zij in rechte optraden namens de gemeente Tubeke die rechtstreeks en persoonlijk door de in de klacht bedoelde overtredingen is geschaad en dat zij zich aldus ertoe verbinden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordelingen die mochten worden uitgesproken. Het ontbreken van een zekerheidsstelling brengt niet met zich dat de klacht niet ontvankelijk is.

Met die overwegingen antwoorden de appelrechters op de conclusie van de eisers, omkleden zij hun beslissing regelmatig met redenen en verantwoorden ze naar recht.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissing over de voortzetting van het gerechtelijk onderzoek

De verweerders hebben bij de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer waarbij de verjaring van de strafvordering was vastgesteld.

Het arrest oordeelt dat eerst uitspraak kan worden gedaan over een eventuele verjaring van de strafvordering ná het gerechtelijk onderzoek van de als valsheid en gebruik van valse stukken omschreven feiten en van de overtreding van de wetgeving inzake stedenbouw zoals die in de klacht met burgerlijkepartijstelling zijn bedoeld. Het belast vervolgens de onderzoeksrechter met de voortzetting van het gerechtelijk onderzoek van de zaak.

Een dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, en valt niet onder de gevallen die in het tweede lid van dat artikel zijn bepaald.

De cassatieberoepen zijn niet ontvankelijk.

Er is geen grond om acht te slaan op het eerste middel dat door de eisers wordt aangevoerd, daar het geen verband houdt met de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 5 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Burgerlijke partijstelling

  • Ontvankelijkheid

  • Voorwaarden

  • Bewoner van een gemeente