- Arrest van 13 oktober 2011

13/10/2011 - C.10.0642.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie in geval van ontbinding van de overeenkomst heeft tot doel de schuldeiser te plaatsen in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schuldenaar zijn verbintenis zou zijn nagekomen (1); die schade wordt door de feitenrechter beoordeeld (2). (1) Cass. 26 jan. 2007, AR C.05.0374.N, AC, 2007, nr. 49, T.B.B.R., 2009, 45. (2) Cass. 8 okt. 1987, AR 7809, AC, 1987-88, nr. 82.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0642.N

E. C.,

eiser,

aan wie rechtsbijstand werd verleend op 7 oktober 2010 onder nummer: G.10.0101.N,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

3I PROPERTIES nv, met zetel te 1000 Brussel, Residentie "Le Marais", Dambordstraat 15,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 februari 2010.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft een schriftelijke conclusie neergelegd op 12 september 2011.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. De appelrechter oordeelt dat:

- de eiser zijn keuzerecht heeft uitgeoefend en heeft geopteerd voor de ontbinding van de overeenkomst eerder dan voor de gedwongen uitvoering ervan;

- indien de retroactieve werking van de ontbinding gekoppeld aan de wederzijdse restitutieverplichting de geleden schade niet herstelt, er aanleiding kan zijn tot betaling van een bijkomende schadevergoeding.

2. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechter aan de eiser het recht op schadevergoeding ontzegt op grond dat hij heeft geopteerd voor de ontbinding van de overeenkomst eerder dan voor de gedwongen uitvoering ervan, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

3. Krachtens artikel 1149 Burgerlijk Wetboek, moet de schuldenaar, bij de foutieve niet-uitvoering van een contractuele verbintenis, volledig instaan voor het verlies van de schuldeiser en voor de winst die hij heeft moeten derven, onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 1150 en 1151 Burgerlijk Wetboek.

Krachtens artikel 1184, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, heeft in wederkerige contracten de partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, de keuze om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding.

4. De schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie in geval van ontbinding op grond van voormeld artikel, heeft tot doel de schuldeiser te plaatsen in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schuldenaar zijn verbintenis zou zijn nagekomen. Die schade wordt door de feitenrechter beoordeeld.

5. Krachtens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.

6. Uit voormelde bepalingen volgt dat de schuldeiser, die overeenkomstig artikel 1184 Burgerlijk Wetboek geopteerd heeft voor de ontbinding van de overeenkomst en die, naast het voordeel van de ontbinding, aanspraak maakt op schadevergoeding, het bestaan van die bijkomende schade moet bewijzen.

7. De appelrechter oordeelt dat:

- de eiser vrij was de aandelen, waarvan hij ingevolge de ontbinding van de verkoopovereenkomst opnieuw de beschikking verkreeg, opnieuw te verkopen;

- bij die verkoop de prijszetting vrij was en de eiser niet verplicht was in te gaan op het aanbod van een derde dat beneden de vroeger bedongen prijs lag;

- de eiser die uit vrije wil aan die voorwaarden verkoopt, het prijsverschil niet als schadevergoeding op zijn aanvankelijke, in gebreke gebleven medecontractant kan verhalen.

8. De appelrechter, die aldus te kennen geeft dat het niet bewezen is dat de waarde van de aandelen, waarvan de eiser ingevolge de ontbinding van de verkoopovereenkomst opnieuw de beschikking verkreeg, minder bedroeg dan de prijs die in het kader van de ontbonden overeenkomst met de verweerster werd bedongen, verantwoordt zijn beslissing het prijsverschil resulterend uit de tweede verkoop niet als bijkomende schadevergoeding toe te kennen naar recht en schendt artikel 149 van de Grondwet niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 494,14 euro in debet.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de afdelingsvoor-zitters Edward Forrier en Eric Dirix, en de raadsheren Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 13 oktober 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Wederkerige overeenkomst

  • Contractuele wanprestatie

  • Ontbinding

  • Schadevergoeding

  • Doel

  • Schade

  • Beoordeling