- Arrest van 14 oktober 2011

14/10/2011 - C080287F-C100566F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bescherming van de schuldeisers die houder zijn van een schuldvordering die bestond vóór de bekendmaking van het ontwerp van splitsing, wordt gewaarborgd, indien die schuldvordering nog niet vervallen is, door de mogelijkheid om een zekerheid te bewarende titel te verkrijgen, en, zodra zij vervallen is, door een hoofdelijkheid die de tenuitvoerlegging ervan verzekert.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0287.F

SPAR RETAIL nv,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. DECOMO nv,

Mr. Cecile Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. P.-H. V. B.,

3. P. K.

Nr. C.10.0556.F

1. P.-H. V. B.,

2. P. K.,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. SPAR RETAIL nv,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. G. A.,

3. J.-P. B.,

4. J. D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 6 december 2007.

Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

Tot staving van het cassatieberoep A.R. nr. C.08.0287.F voert de eiseres twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1414 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 174/28, § 2, en 174/38, § 1, 3°, 2 en 3, van de op 13 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen (de artikelen 174/28, § 2, en 174/38, § 1 en 2, ingevoegd bij de wet van 29 juni 1993 en artikel 174/38, § 3, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995);

- voor zoveel als nodig, de artikelen 682, eerste lid, 3°, 683, 686 en 744, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 houdende het wetboek van vennootschappen;

- voor zoveel als nodig, artikel 12 van de zesde richtlijn 82/891/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 17 december 1982;

- voor zoveel als nodig, algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de wetten moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de Europese richtlijnen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt eerst de aansprakelijkheid vast van de aannemer, oorspronkeliijk de naamloze vennootschap Declerck et fils, en de splitsing van die vennootschap tussen de naamloze vennootschap Entreprises générales de construction Declerck en de [verweerster]. Vervolgens veroordeelt het enkel de failliete vennootschap Entreprises générales de construction Declerck, en verwerpt daarbij de hoofdelijkheid tussen die vennootschap en de [verweerster]. Het baseert die beslissing op de onderstaande redenen:

"d) De verbintenis en de bijdrage in de schuld

(...) Volgens de bewoordingen van de op 30 oktober 1998 verleden akten werd de vennootschap Entreprises générales de construction Declerck gesplitst tussen de [verweerster] en de ‘nieuwe' vennootschap Entreprises générales de construction Declerck;

Onder meer de volgende stukken worden in het debat overgelegd: het op 29 juni 1998 opgestelde ontwerp van splitsing, de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, het verslag opgemaakt overeenkomstig de artikelen 174/26 en 174/45 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, de akte van splitsing die op 30 oktober 1998 is opgemaakt door notaris L. D. F., met standplaats te Moeskroen, de kapitaalsverhoging en de wijzigingen van de statuten en de oprichting van de nieuwe ‘naamloze vennootschap Entreprises générales de construction Declerck'. Die akten werden nog dezelfde dag voor dezelfde notaris opgemaakt;

Uit al die stukken blijkt dat de procedure conform de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen is verlopen en de zesde Europese richtlijn, meer bepaald artikel 3, § 3, b), niet schendt;

De splitsingsakte preciseert dat ‘de voornoemde vennootschappen in de regel, overeenkomstig artikel 174/38, § 3, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, hoofdelijk gehouden blijven tot betaling van de zekere en opeisbare schulden die bestaan op de dag dat de splitsingsakte in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, binnen de grenzen van het toegekende netto-actief, zolang de desolidarisatie niet werd verkregen', wat geen betrekking heeft op de litigieuze schuld, die toentertijd noch zeker, noch opeisbaar was, aangezien het beroepen vonnis niet bij voorraad uitvoerbaar was en er tegen dat vonnis rechtsmiddelen waren ingesteld bij het hof [van beroep];

De akte preciseert eveneens dat ‘de nieuwe naamloze vennootschap Entreprises générales de construction Declerck in de regel alle rechten en verplichtingen overneemt die verband houden met de handelszaak van de opgeslorpte vennootschap' en dat de partijden ‘teneinde elk mogelijke betwisting over de verdeling van bepaalde bestanddelen van het vermogen te vermijden, ingeval de hierboven omschreven verdeling niet duidelijk genoeg zou zijn, ofwel omdat de toekenning voor interpretatie vatbaar zou zijn, ofwel omdat het gaat om bestanddelen die per vergissing of wegens nalatigheid zijn toegekend, uitdrukkelijk overeenkomen, gelet op het bepaalde in artikel 174/28 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, dat alle activa en passiva waarvan niet met zekerheid kan worden uitgemaakt aan wie ze worden toegekend, ingebracht zullen worden in de nieuwe naamloze vennootschap Entreprises générales de construction Declerck. Vervolgens wordt vermeld dat enkel de schulden aan de B.B.L. bij de [verweerster] zullen worden ingebracht en dat alle rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de handelszaak van de opgeslorpte vennootschap overgenomen worden door de nieuwe naamloze vennootschap Entreprises générales de construction Declerck' ;

De [verweerster] voert terecht aan dat, ook al wordt de [litigieuze] schuld niet uitdrukkelijk vermeld, uit het ontwerp van splitsing en de akte waarin zij wordt vastgesteld, blijkt dat:

- bij de [verweerster] passiva worden ingebracht die hoofdzakelijk bestaan uit schulden die zijn gewaarborgd door de onroerende goederen die op haar zijn overgegaan, m.a.w. hypothecair gewaarborgde schulden;

- bij de vennootschap Declerck alles wordt ingebracht dat niet passief of actief aan de [verweerster] is toegewezen, alsook alle rechten en verbintenissen buiten balans van de gesplitste vennootschap;

Daaruit volgt dat die vennootschappen, in hun overeenkomsten, bedoeld hebben dat de litigieuze schuld ten laste valt van de vennootschap Entreprises générales de construction Declerck".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 174/38, § 3, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen (thans 686 van het Wetboek van vennootschappen) bepaalt dat de verkrijgende vennootschappen bij splitsing hoofdelijk gehouden blijven tot betaling van de "zekere en opeisbare" schulden die bestaan op de dag dat de akten houdende vaststelling van het besluit tot deelneming aan de splitsing in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt en die overgaan op een andere vennootschap die door de splitsing tot stand is gekomen, en dit uitsluitend voor het netto-actief dat hun wordt toegekend.

Een schuld is "zeker" in de zin van die artikelen wanneer het bestaan ervan voldoende bewezen lijkt en hij is "opeisbaar" wanneer hij op het huidige ogenblik verschuldigd is. Iedere schuld waarvan het bestaan is vastgesteld en het bedrag bepaald door een vonnis, is in beginsel een zekere en vaststaande schuld, ook al is dat vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad.

Die uitlegging van het begrip " zekere en opeisbare schuld" valt met name af te leiden uit de doelstellingen van de Europese wetgever inzake splitsing van vennootschappen zoals ze zijn verwoord in artikel 12 van de zesde richtlijn 82/891/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1982. Die bepaling legt immers een bijzondere bescherming op van de schuldeisers van schuldvorderingen die ontstaan zijn vóór de bekendmaking van het ontwerp van splitsing maar waarvan de tenuitvoerlegging niet naar behoren kan worden vervolgd, ofwel omdat de schuldvordering nog niet vervallen is, in welk geval de passende waarborgen moeten worden geboden, ofwel om enige andere reden, in welk geval de hoofdelijkheid wordt opgelegd.

Die uitlegging van het begrip "zekere en opeisbare schuld" stemt trouwens overeen met de artikelen 1414 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek staat het bewarend beslag toe voor schuldvorderingen die zeker en opeisbaar zijn, en die vaststaande zijn of vatbaar voor een voorlopige raming, terwijl artikel 1414 van het Gerechtelijk Wetboek vermeldt dat elk vonnis, zelfs al is het niet uitvoerbaar niettegenstaande verzet of hoger beroep, in beginsel geldt als toelating om bewarend beslag te leggen voor de uitgesproken veroordelingen. Uit het onderlinge verband tussen die bepalingen volgt noodzakelijkerwijs dat het vonnis dat veroordelingen uitspreekt het bewijs oplevert van het zekere en opeisbare karakter van de schuldvordering.

In deze zaak moet worden vastgesteld dat de oorspronkelijke aannemer, de vennootschap Declerck et fils, veroordeeld was om aan de eiseres een bedrag te betalen van 4.476.390 frank, vermeerderd met bankinterest en gerechtskosten en onkosten nadat haar aansprakelijkheid was vastgesteld. Uit de vaststellingen van het arrest, die trouwens gelijkluidend zijn met de conclusie van de [verweerster] en met de in het debat overgelegde stukken, volgt eveneens dat op 29 juni 1998 een ontwerp van splitsing van de vennootschap Declerck et fils werd gemaakt dat in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt en een definitief karakter kreeg bij de notariële akte van 30 oktober 1998. Daaruit volgt dat de eiseres op het tijdstip waarop het besluit tot deelneming aan een splitsing van de vennootschap Declerck et fils werd bekendgemaakt, een zekere en opeisbare schuldvordering had en dat zij dus de bescherming van de hoofdelijkheid tussen de verkrijgende vennootschappen moest genieten. De omstandigheid dat tegen dat vonnis hoger beroep was ingesteld, had daarop geen enkele weerslag.

Het arrest, dat het tegenovergestelde beslist en aldus de hoofdelijkheid van de verweerders ten aanzien van de eiseres verwerpt, miskent het begrip " zekere en opeisbare schuld" en schendt dus artikel 174/38, § 3, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen (zoals het nader wordt omschreven in de aanhef van het middel), alsook de artikelen 1414 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, artikel 686 van het Wetboek van vennootschappen (nader omschreven in de aanhef van het middel), artikel 12 van de zesde Europese richtlijn (nader omschreven in het middel) en miskent het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de wetten moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de Europese richtlijnen.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De cassatieberoepen zijn tegen hetzelfde arrest ingesteld. Er bestaat grond tot voeging

Het cassatieberoep A.R. nr. C.08.0287.F

Eerste middel

Eerste onderdeel

Artikel 174/38, § 3, van de op 13 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen bepaalt dat de verkrijgende vennootschappen hoofdelijk gehouden blijven tot betaling van de zekere en opeisbare schulden die bestaan op de dag dat de akten houdende vaststelling van het besluit tot deelneming aan de splitsing in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt en die overgaan op een andere vennootschap die door de splitsing tot stand is gekomen en dat die aansprakelijkheid uitsluitend geldt voor het netto-actief dat aan ieder van die vennootschappen wordt toegekend.

Die bepaling is de omzetting van de verplichtingen voor de Lidstaten met betrekking tot de bescherming van de belangen van de schuldeisers van de vennootschappen die aan de splitsing deelnemen voor de vervallen schuldvorderingen die ontstaan zijn vóór de bekendmaking van het ontwerp van splitsing. Die verplichtingen worden opgelegd door artikel 12 van de zesde richtlijn 82/891/EEG van de Raad van 17 december 1982, die gegrond is op artikel 54, § 3, g), van het Verdrag en betrekking heeft op de naamloze vennootschappen.

Die gemeenschapsbepaling legt de Lidstaten weliswaar ook de verplichting op te voorzien in een passende regeling voor de bescherming van de belangen van de schuldeisers van de aan de splitsing deelnemende vennootschappen m.b.t. de schuldvorderingen die ontstaan zijn vóór de bekendmaking van het ontwerp van splitsing en nog niet vervallen zijn op het ogenblik van die bekendmaking. Die regeling moet op zijn minst die schuldeisers de mogelijkheid bieden aanspraak te maken op de passende waarborgen wanneer de financiële toestand van de gesplitste vennootschap, alsook die van de vennootschap waarop de verbintenis zal overgaan overeenkomstig het ontwerp van splitsing, die bescherming noodzakelijk maakt en wanneer die schuldeisers nog niet over dergelijke waarborgen beschikken.

Die verplichting werd omgezet in artikel 174/40 van de gecoördineerde wetten van 13 november 1935, dat bepaalt dat, uiterlijk binnen twee maanden na de bekendmaking, in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, van de akten houdende vaststelling van het besluit tot deelneming aan de splitsing, de schuldeisers van elke vennootschap die deelneemt aan de splitsing, wier vordering ontstaan is vóór die bekendmaking en nog niet vervallen is, zekerheid kunnen eisen niettegenstaande enig hiermee strijdig beding.

Uit het onderling verband en uit de opzet van die bepalingen van intern recht volgt dat de bescherming van de schuldeisers die houder zijn van een schuldvordering die ontstaan is vóór de bekendmaking van het splitsingsbesluit verzekerd wordt, indien die schuldvordering nog niet vervallen is, door de mogelijkheid een zekerheid te bewarende titel te verkrijgen, en, als die schuldvordering vervallen is, door een hoofdelijkheid die de uitvoering ervan verzekert.

De richtlijn legt die Lidstaten niet op dat zij moeten voorzien in een mechanisme van hoofdelijkheid van de verkrijgende vennootschappen voor de niet-vervallen verbintenissen van de gesplitste vennootschap.

Zij kan dus niet verantwoorden dat aan de bewoordingen "zekere en opeisbare" die door voornoemd artikel 174/38, § 3, worden gebruikt, een uitlegging wordt gegeven die afwijkt van het gemeen recht, meer bepaald dat ze worden begrepen in de betekenis die ze hebben in artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek dat, aangezien het enkel de mogelijkheid van een bewarende maatregel biedt, een ruimere draagwijdte kan krijgen.

Een verbintenis die voortvloeit uit een voor hoger beroep vatbaar vonnis dat niet voorlopig uitvoerbaar verklaard is, kan bijgevolg niet worden aangemerkt als een zekere en opeisbare schuld in de zin van voornoemd artikel 174/38, § 3.

Het middel dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

(...).

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen A.R. nr. C.08.0287.F en C.10.0556.F.

Uitspraak doende over het cassatieberoep A.R. nr. C.08.0287.F.

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

(...)

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 oktober 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Naamloze vennootschap

  • Splitsing

  • Schuld ontstaan vóór de bekendmaking van het ontwerp van splitsing

  • Bescherming van de belangen van de schuldeisers

  • Nog niet vervallen schuld

  • Vervallen schuld