- Arrest van 20 oktober 2011

20/10/2011 - F.10.0063.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De in het koninklijk besluit nr. 52 bepaalde voorschriften om vrijstelling van B.T.W. te kunnen verkrijgen voor intracommunautaire leveringen van goederen, dragen bij aan de voorkoming van belastingfraude, de bepaling van de juiste belastingheffing en de correcte en eenvoudige toepassing van de vrijstellingsgronden; zij reiken niet verder dan voor die doelstellingen noodzakelijk is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0063.N

LOENHOUTSE EXPORT COMPANY bvba, met zetel te 2990 Wuustwezel, Wuustwezelseweg 89,

eiseres,

met als raadsman mr. Willy Huber, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Brusselstraat 59,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de rekenplichtige Ontvanger van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 januari 2010.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Enig middel

Eerste onderdeel

1. Luidens artikel 39bis, eerste lid, 1°, Btw-wetboek, zijn van de belasting vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die aldaar ertoe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4.

De appelrechters weigeren terzake de vrijstelling van btw voor het intracommunautaire handelsverkeer, zoals bepaald in artikel 39bis Btw-wetboek, toe te kennen om reden dat de eiseres het bewijs dat het goed daadwerkelijk de grens heeft overschreden en zijn bestemming in de andere lidstaat heeft bereikt, niet overlegt en niet aantoont dat dit bewijs niet onmogelijk bij te brengen is.

2. Het onderdeel is gericht tegen de overtollige beschouwing dat de verkoper te allen tijde in het bezit moet zijn van de nodige bewijsstukken en ze moet kunnen voorleggen aan de met de controle belaste ambtenaar.

Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

3. Artikel 28quater, A, sub a, eerste alinea, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (hierna: de Zesde btw-richtlijn), bepaalt dat onverminderd andere communautaire bepalingen, de lidstaten onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de hierna genoemde vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, vrijstelling verlenen voor leveringen van goederen in de zin van artikel 5 door de verkoper of door de afnemer of voor hun rekening buiten het in artikel 3 bedoelde grondgebied, maar binnen de Gemeenschap, verzonden of vervoerd, die worden verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreedt in een andere lidstaat dan die van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen.

4. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake de naheffing van btw, blijkt dat de lidstaten maatregelen kunnen nemen ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude, maar dat deze niet op zodanige wijze mogen worden aangewend dat afbreuk zou worden gedaan aan de neutraliteit van de btw (HvJ 27 september 2007, Teleos, C-409/04).

5. Het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992, genomen ter uitvoering van de artikelen 39bis en 40, § 1, 1°, b, Btw-wetboek, betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen op het stuk van de btw, bepaalt in artikel 1 dat de in artikel 39bis Btw-wetboek bedoelde vrijstellingen afhankelijk zijn van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap en, in artikel 3, dat de verkoper in het bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt, en die hij op ieder verzoek van de met de controle van de btw belaste ambtenaren moet overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

Die bepalingen vermelden de noodzakelijke bewijskrachtige documenten als voorbeeld en sluiten niet uit dat de verkoper de echtheid van de verzending of het vervoer aantoont aan de hand van andere documenten dan die welke daar zijn vermeld.

De in het koninklijk besluit nr. 52 bepaalde voorschriften dragen bij aan de voorkoming van belastingfraude, de bepaling van de juiste belastingheffing en de correcte en eenvoudige toepassing van de vrijstellingsgronden. Zij reiken niet verder dan voor die doelstellingen noodzakelijk is.

6. De appelrechters vermochten derhalve naar recht oordelen, dat de voorwaarden voor de vrijstelling van de belasting, bedoeld in artikel 39bis Btw-wetboek en in de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit nr. 52 moeten vervuld zijn omdat zij zijn bedoeld om fraude te voorkomen, zodat de belastingambtenaar een zekere gestrengheid aan de dag mag leggen bij de beoordeling van de bijeen te brengen bewijzen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

7. Verder kunnen, krachtens het te dezen toepasselijk artikel 59, § 1, eerste lid, Btw-wetboek, overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-¬verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

8. Deze bepaling heeft geen betrekking op het overeenkomstig koninklijk besluit nr. 52 te leveren bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Europese Unie, om vrijstelling van btw te kunnen verkrijgen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

9. Voor het overige oordelen de appelrechters dat de eiseres niet aantoont dat de vordering van de verweerder een miskenning van enig beginsel van behoorlijk bestuur zou kunnen inhouden.

10. Met deze reden beantwoordt en verwerpt het arrest het verweer van de eiseres met betrekking tot het proportionaliteitsbeginsel.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

11. De appelrechters weigeren de vrijstelling van btw voor het intracommunautaire handelsverkeer, zoals bepaald in artikel 39bis Btw-wetboek, toe te kennen om reden dat de eiseres het bewijs dat het goed daadwerkelijk de grens heeft overschreden en zijn bestemming in de andere lidstaat heeft bereikt, niet overlegt en niet aantoont dat dit bewijs niet onmogelijk bij te brengen is.

12. Het onderdeel is gericht tegen de overtollige beschouwingen dat het voor toepassing van artikel 39bis Btw-wetboek onontbeerlijk is dat de verzending of het vervoer geschiedt naar de koper uit een andere lidstaat en hierbij de plaats telt van de uiteindelijke bestemming van het voertuig, namelijk de plaats waarnaar de koper het goed overbrengt met het oog op het gebruik ervan voor zijn economische activiteiten.

Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

13. Het onderdeel verwijt de appelrechters geen enkel door de eiseres aangebracht element of stuk, ook niet samen genomen, in aanmerking te hebben genomen als bewijs van het vervoer door haar afnemers buiten België.

14. Het onderdeel komt aldus op tegen de feitelijke beoordeling van de bewijswaarde van de door de eiseres aangebrachte stukken.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

15. Verder oordelen de appelrechters dat de eiseres niet aantoont dat de vordering van de verweerder een miskenning van enig beginsel van behoorlijk bestuur zou kunnen inhouden.

16. Met deze reden beantwoordt en verwerpt het arrest het verweer van de eiseres met betrekking tot het rechtszekerheidsbeginsel.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

18. Voor het overige is artikel 170, § 1, Grondwet, dat bepaalt dat geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet, vreemd aan de grief dat de appelrechters de vrijstelling van artikel 39bis Btw-wetboek afhankelijk maken van een bewijs aan de hand van bewijsstukken, zonder aan te duiden welke bewijsstukken onontbeerlijk of voldoende zijn.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op de som van 134,48 euro en voor de verweerder op de som van 114,50 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 20 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Vrijstellingen

  • Intracommunautaire leveringen van goederen

  • Vrijstellingsvoorwaarden

  • Bepalingen van het K.B. nr. 52