- Arrest van 7 november 2011

07/11/2011 - C.06.0192.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Ook al kan de betaling leiden tot de afstand van de verkregen verjaring in de zin van artikel 2220 van het Burgerlijk Wetboek, kan zij evenwel, aangezien zij de verbintenis doet tenietgaan, onmogelijk het aanvangspunt vormen van een verjaring die op die verbintenis niet meer van toepassing is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.06.0192.F

W. A., (...)

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister van Buitenlandse Zaken,

Mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 oktober 2005.

De zaak is bij beschikking van 24 augustus 2011 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren de volgende zes middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 68, tweede en derde lid, van de Grondwet van 7 februari 1831, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij de herziening van 5 mei 1993;

- de artikelen 1, 1°, 3, derde lid, 4, 1° en 3°, van het Protocol van 28 maart 1976 tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zaïre houdende regeling van de vergoeding van gezaïriseerde goederen die aan Belgische onderdanen hebben toebehoord en de tweede, bij dat Protocol gevoegde uitwisseling van brieven van diezelfde datum, goedgekeurd bij de wet van 16 juli 1976, die in werking is getreden op 12 januari 1977, en, voor zover nodig, de artikelen 1, 2, 3 en 4 van die wet;

- de artikelen 1235, 1356, 2220 en, voor zover nodig, 1234 en 2221 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1, eerste lid, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste van de Staat en, voor zover nodig, 100, eerste lid, 1° en 2°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat de schuldvordering van de eisers op de verweerder is ontstaan op 12 januari 1977, datum van inwerkingtreding van de wet van 16 juli 1976 houdende goedkeuring van met name de Overeenkomst, de Protocollen en de uitwisselingen van brieven tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zaïre op 28 maart 1976, zodat de verjaringstermijn van de rechtsvordering van de eisers, die volgens het arrest vijf jaar bedraagt, is ingegaan hetzij op 12 januari 1977, hetzij op 1 januari van het begrotingsjaar tijdens hetwelk de schuldvordering is ontstaan - een jaar dat het arrest niet preciseert - en dat het jaar 1977 zou zijn (hierna een andere nadere datum), zodat de rechtsvordering van de eisers verjaard was op het ogenblik dat ze werd ingesteld, en dit om de volgende redenen:

"De [eisers] betogen dat de gedeeltelijke betalingen van hun schuldvordering door [de verweerder] gelden als een erkenning van zijn schuld en de verjaring stuiten;

Zij betogen dat [de verweerder] al lang geleden erkend heeft dat de schuldvordering van de gezaïriseerden niet verjaard was na het verstrijken van de termijn van vijf jaar aangezien hij na die vervaldag met de eigenaars van de genationaliseerde goederen is blijven onderhandelen en de vergoedingen heeft uitbetaald na de goedkeuring ervan door de Zaïrese Staat;

[De verweerder] heeft ten gevolge van het arrest van het Hof van Cassatie van 25 februari 1993 erkend dat hij de gezaïriseerden diende te vergoeden, ongeacht de nakoming, door de Zaïrese Staat, van zijn eigen verbintenissen, op grond dat de betalingen alleen onderworpen waren aan het officieel akkoord van de twee Staten; zo heeft hij een gezaïriseerde gedeeltelijk vergoed zodra de Zaïrese Staat het dossier had goedgekeurd, terwijl de verjaringstermijn waarop hij zich nu beroept reeds lang verstreken was; dit gedrag impliceert een schulderkenning door [de verweerder];

Zij betogen ten slotte dat de verzending van een vergoedingsfiche naar Zaïre ook een schulderkenning vormt; die fiche, die [de verweerder] had opgemaakt met het oog op zijn verdediging, toont volgens de [eisers] duidelijk aan dat [de verweerder] zelf het bedrag van de vergoeding had goedgekeurd en dus, a fortiori, het bestaan had erkend van de schuldvordering waarop die vergoeding betrekking heeft;

[De verweerder] betwist de stelling van de [eisers], op grond dat de gedeeltelijke betalingen die hij verricht heeft niet uitgelegd kunnen worden als even zoveel daden van erkenning van het recht van degenen tegen wie de verjaring liep; dat de uitbetaalde bedragen geen voorschotten waren maar de volledige uitvoering van zijn vergoedingsplicht vertegenwoordigden;

Hij is steeds ervan uitgegaan dat zijn schuld ten aanzien van de gezaïriseerden, zoals deze voortvloeide uit het Protocol en de uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, beperkt was tot een gedeeltelijke verplichting tot voorfinanciering van de vergoeding, die te dezen hierop neerkwam dat hij de betalingen van de Zaïrese Staat jaarlijks diende aan te vullen, zodat de schuld van de Zaïrese Staat in tien jaar tijd vereffend kon worden, met dien verstande dat die aanvulling betaalbaar was in twintig annuïteiten, naar rata van 45,25 frank voor één zaïre, zoals dat was vastgesteld in de uitwisseling van brieven van 18 juni 1976;

Hij is van oordeel dat hij, door onder die voorwaarden zijn vergoedingsplicht na te komen, zijn verplichtingen geheel is nagekomen, zonder dat de uitbetaalde bedragen te zijnen aanzien konden worden beschouwd als een andere schuld dan die welke hij voldeed;

Aldus heeft hij steeds het bestaan betwist van een andere schuld dan die welke hij voldeed;

Het staat vast dat [de verweerder], van bij de inwerkingtreding van het Protocol van 28 maart 1976, ervan is uitgegaan dat zijn vergoedingsplicht hierin bestond dat hij de door de Zaïrese Staat gestorte annuïteiten diende aan te vullen en dat hij aan de gezaïriseerden een vergoeding verschuldigd was naar rata van 45,25 frank voor één zaïre;

Die stelling werd weliswaar verworpen door het Hof van Cassatie, dat op grond van de arresten Thonon (17 maart 1988 en 25 februari 1993) voor recht heeft gezegd dat de vergoedingsplicht die de Belgische Staat krachtens het Protocol van 28 maart 1976 moest nakomen, losstond van de uitvoering, door de Zaïrese Staat, van zijn eigen verbintenissen en dat de toepasselijke wisselkoers die was welke van kracht was op het ogenblik van de schatting van het goed; die beslissingen, die het recht van de gezaïriseerden ten aanzien van het vergoedingsbeleid [van de verweerder] uitbreiden, hebben echter niet tot gevolg dat hij het recht van de gezaïriseerden op een andere vergoeding dan die welke hij hen uitbetaalde op enigerlei wijze zou hebben erkend;

[De verweerder] heeft immers nooit het bestaan erkend van een andere schuld dan het bedrag dat hij aan de gezaïriseerden betaalde als aanvulling op de door de Zaïrese Staat betaalde annuïteiten en dat is berekend op grond van een wisselkoers van 45,25 frank voor één zaïre;

De door [de verweerder] gedane betalingen vertegenwoordigden zijn totale schuld en kunnen niet beschouwd worden als de erkenning van een andere schuld, waarvan het bestaan door het Hof van Cassatie later werd erkend".

Grieven

Artikel 68, derde lid in fine, van de Grondwet, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan door de herziening van 5 mei 1993, bepaalde dat de geheime artikelen van een verdrag in geen geval de openbare artikelen kunnen tenietdoen. Artikel 68, tweede lid, van de Grondwet, zoals het van toepassing was vóór dezelfde herziening, bepaalde dat de verdragen die de Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, eerst gevolg hebben nadat zij de instemming van de Kamers hebben gekregen.

Een norm die vervat is in een internationaal verdrag, dat gesloten wordt door de uitvoerende macht maar dat niet ter goedkeuring aan de Kamers is voorgelegd en waarvan de inhoud in strijd is met een norm van een internationaal verdrag dat bij wet is goedgekeurd en dat van kracht is, heeft geen verbindende kracht. Een individuele beslissing die gegrond is op een onregelmatige norm, is zelf ook onwettig.

In de geheime uitwisseling van brieven tussen de verweerder en de Zaïrese Staat van 18 juni 1976, die niet bij wet is goedgekeurd en die niet is bekendgemaakt, waren zij zinnens de wisselkoers die van toepassing was op de schatting van de aan de gezaïriseerde burger verschuldigde vergoedingen te beperken tot 45,25 frank voor één zaïre, terwijl het Protocol en de tweede uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, die zijn goedgekeurd bij de wet van 16 juli 1976, bepaalden dat het bedrag van de vergoedingen vastgesteld zou worden op de datum van de schatting van de gezaïriseerde goederen, wat overeenkwam met een wisselkoers van minimum 75,81 frank voor één zaïre.

Aangezien de uitwisseling van brieven van 18 juni 1976 niet werd goedgekeurd bij wet en evenmin werd bekendgemaakt, schendt zij voormeld artikel 68, tweede lid, van de Grondwet. Aangezien zij in het geheim afwijkt van het Protocol en van de tweede uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, schendt die uitwisseling van brieven daarenboven het voormelde artikel 68, derde lid in fine, en het voormelde protocol en de uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, alsook de wet van 16 juli 1976, die deze heeft goedgekeurd. De uitwisseling van brieven van 18 juni 1976 is dus onwettig en heeft geen verbindende kracht.

Het Protocol en de uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, goedgekeurd bij de wet van 16 juli 1976, hebben rechtstreeks, ten voordele van de burgers die zijn getroffen door de zaïrisering en ten laste van de verweerder, een schuldvordering doen ontstaan tot beloop van de volledige vergoeding die hen verschuldigd was. Die schuldvordering werd niet gewijzigd door de uitwisseling van brieven van 18 juni 1976.

Artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere betaling een schuld onderstelt en dat hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd.

De erkenning van een schuld die, overeenkomstig artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek, wordt afgeleid uit een betaling, in zoverre die erkenning met name impliceert dat de schuldenaar niet meer aanvoert dat die schuld mogelijkerwijs niet bestaat, nietig is of tenietgegaan is wegens een van de oorzaken die opgesomd worden in artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek, met inbegrip van een eerder verkregen verjaring, vormt het beginpunt van de verjaring van die schuld en eventueel van een nieuwe verjaring die overeenkomt met de verkregen verjaring. Bovendien volgt uit artikel 2220 van het Burgerlijk Wetboek dat de schuldenaar van een verbintenis afstand kan doen van een verkregen verjaring en uit artikel 2221 dat hij dat uitdrukkelijk of stilzwijgend kan doen.

De erkenning van een schuld raakt het bestaan zelf van die schuld en niet de schuld beperkt tot het betaalde bedrag alleen. De gedeeltelijke betaling van de schuld, zelfs als die is ingegeven door de onterechte overtuiging van de schuldenaar dat zijn schuld niet groter is, impliceert bijgevolg de erkenning van de werkelijke schuld, zoals die in werkelijkheid voortvloeit uit de oorzaak waaruit ze is ontstaan.

Het arrest stelt vast dat de verweerder jaarlijks betalingen heeft gedaan ten voordele van de door de zaïrisering getroffen Belgische burgers.

Het arrest stelt vast dat de verweerder tussen 29 juli 1980 en 3 april 1989 betalingen heeft verricht ten voordele van de eisers, ter voldoening van de schuld die voor de verweerder voortvloeit uit het Protocol en uit de Belgisch-Zaïrese uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, goedgekeurd bij de wet van 16 juli 1976. Het arrest stelt niet vast dat de verweerder zou hebben betoogd dat die betalingen niet verschuldigd waren en dat zij konden worden teruggevorderd, op grond dat de schuld waarop die betalingen gebaseerd waren hetzij niet bestond, hetzij nietig was, hetzij vervallen was wegens een van de oorzaken bedoeld in artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek, met inbegrip van een eerder verkregen verjaring. Het stelt integendeel vast dat de verweerder betoogt dat hij betaald heeft wat hij meende verschuldigd te zijn.

Het arrest stelt daarenboven vast dat de eisers uit de gedeeltelijke betalingen van de verweerder afleiden dat de verweerder een bestaande, geldige en opeisbare schuld heeft erkend, die met name nog niet was vervallen door een eerder verkregen verjaring. Het arrest stelt ten slotte vast dat de verbintenissen van de verweerder méér inhielden dan wat hij verkeerdelijk had aangenomen, door zich ten onrechte te baseren op de geheime, niet bij wet goedgekeurde en niet bekendgemaakte uitwisseling van brieven van 18 juni 1976.

De schulderkenning, wat het bestaan ervan betreft, die is gedaan in een conclusie of in gelijk welke andere procesakte, vormt een gerechtelijke bekentenis overeenkomstig artikel 1356 van het Burgerlijk Wetboek.

De verweerder betoogt dat de door hem gedane betalingen geen voorschotten waren maar dat hij deze steeds heeft beschouwd als de volledige nakoming van zijn verbintenis tot vergoeding van de gezaïriseerden. Hij heeft aldus het bestaan van zijn schuld voor de rechter bekend. De juridisch onjuiste overweging dat zijn schuld niet groter was, is niet onlosmakelijk verbonden met een dergelijke bekentenis, die wat dat betreft dus niet onsplitsbaar is. Het arrest, dat weigert een feit als bewezen te beschouwen, terwijl het voor de rechter was bekend, schendt artikel 1356 van het Burgerlijk Wetboek.

De beslissing van het arrest volgens welke de door de verweerder gedane erkenning van zijn schuld, die afgeleid kan worden uit zijn betalingen tussen 29 juli 1980 en 3 april 1989, alleen betrekking zou hebben op het daadwerkelijk betaalde bedrag en niet op de werkelijke, grotere schuld van de verweerder, zoals zij voortvloeit uit het Protocol en uit de uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, miskent de uit de artikelen 1235 en 2220 van het Burgerlijk Wetboek afgeleide regel volgens welke de erkenning van een schuld betrekking heeft op het bestaan van die schuld en schendt, voor zover nodig, de artikelen 1234 en 2221 van hetzelfde wetboek.

Het arrest dat bovendien beslist dat de verweerder zich mag beroepen op de fout die hij heeft begaan door zich slechts gebonden te achten tot de betaling van de bedragen die hij erkend had op grond van de uitwisseling van brieven van 18 juni 1976, die niet bij wet is goedgekeurd en die evenmin is bekendgemaakt, en dat zodoende aan die uitwisseling van brieven uitwerking verleent, terwijl uit het Protocol en uit de uitwisseling van brieven van 28 maart 1976 blijkt dat de schuld van de verweerder groter was, schendt artikel 68, tweede en derde lid, van de Grondwet, zoals het van kracht was vóór de herziening van 5 mei 1993 en zoals het in 1976 op de verweerder van toepassing was. Het arrest miskent bovendien de verbindende kracht van artikel 4, 3°, van het Protocol en van de uitwisseling van brieven van 28 maart 1976 en schendt, voor zover nodig, de artikelen 1 tot 4 van de wet van 16 juli 1976.

Aangezien de vijfjarige verjaring van het saldo van verweerders schuld - een verjaring die het arrest afleidt uit artikel 1, eerste lid, van de wet van 6 januari 1970 - wat dat saldo betreft pas is kunnen ingaan op 3 april 1989, dit is de datum van de laatste erkenning van het bestaan van de schuld, en de dagvaarding van 22 juli 1993 is uitgebracht vóór het verstrijken van de vijfjarige termijn die volgde op 3 april 1989 - dat wil zeggen op 19 april 1994 - , een termijn die overeenkomt met dezelfde vijfjarige verjaring, schendt het arrest tevens die wetsbepaling en schendt het, voor zover nodig, artikel 100, eerste lid, 1° en 2°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991.

(...)

Vijfde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 68, tweede en derde lid, van de Grondwet van 7 februari 1831, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij de herziening van 5 mei 1993 ;

- de artikelen 2 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste van de Staat en, voor zover nodig, 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991 ;

- artikel 2248 van het Burgerlijk Wetboek ;

- de artikelen 3, derde lid, en 4, 3°, van het Protocol van 28 maart 1976tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zaïre houdende regeling van de vergoeding van gezaïriseerde goederen die aan Belgische onderdanen hebben toebehoord en de bij dat Protocol gevoegde uitwisseling van brieven van diezelfde datum, goedgekeurd bij de wet van 16 juli 1976, die in werking is getreden op 12 januari 1977, en, voor zover nodig, de artikelen 1 tot 4 van die wet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat de betalingen die de verweerder heeft gedaan tussen 29 juli 1980 en 3 april 1989, geen erkenning vormen van een schuld die groter is dan die welke overeenkomt met die betalingen en bijgevolg de verjaring niet stuit van de door de eisers tegen de verweerder ingestelde rechtsvordering, die betrekking heeft op het saldo van die schuld.

Het verantwoordt die beslissing om de volgende redenen :

"Het staat vast dat de Belgische Staat, van bij de inwerkingtreding van het Protocol van 28 maart 1976, ervan is uitgegaan dat zijn vergoedingsplicht hierin bestond dat hij de door de Zaïrese Staat gestorte annuïteiten diende aan te vullen en dat hij aan de gezaïriseerden een vergoeding verschuldigd was naar rata van 45,25 frank voor één zaïre;

Die stelling van de Belgische Staat werd weliswaar verworpen door het Hof van Cassatie, dat op grond van de arresten Thonon (17 maart 1988 en 25 februari 1993) voor recht heeft gezegd dat de vergoedingsplicht die de Belgische Staat krachtens het Protocol van 28 maart 1976 moest nakomen, losstond van de uitvoering, door de Zaïrese Staat, van zijn eigen verbintenissen en dat de toepasselijke wisselkoers die was welke van kracht was op het ogenblik van de schatting van het goed ; die beslissingen, die het recht van de gezaïriseerden ten aanzien van het vergoedingsbeleid van de Belgische Staat uitbreiden, hebben echter niet tot gevolg dat hij het recht van de gezaïriseerden op een andere vergoeding dan die welke hij hen uitbetaalde op enigerlei wijze zou hebben erkend;

[De verweerder] heeft immers nooit het bestaan erkend van een andere schuld dan het bedrag dat hij aan de gezaïriseerden betaalde als aanvulling op de door de Zaïrese Staat betaalde annuïteiten en dat is berekend op grond van een wisselkoers van 45,25 frank voor één zaïre;

De door [de verweerder] gedane betalingen vertegenwoordigden zijn totale schuld en kunnen niet beschouwd worden als de erkenning van een andere schuld, waarvan het bestaan door het Hof van Cassatie later werd erkend".

Grieven

Artikel 68, derde lid in fine, van de Grondwet, zoals het van toepassing was vóór de herziening ervan 5 mei 1993, bepaalde dat de geheime artikelen van een verdrag in geen geval de openbare artikelen kunnen tenietdoen. Artikel 68, tweede lid, van de Grondwet, zoals het van toepassing was vóór dezelfde herziening, bepaalde dat de verdragen die de Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, eerst gevolg hebben nadat zij de instemming van de Kamers hebben gekregen.

Een norm die vervat is in een internationaal verdrag, dat gesloten wordt door de uitvoerende macht maar dat niet ter goedkeuring aan de Kamers is voorgelegd, en waarvan de inhoud in strijd is met een norm van een internationaal verdrag dat bij wet is goedgekeurd en dat van kracht is, heeft geen verbindende kracht. Een individuele beslissing die gegrond is op een onregelmatige norm, is zelf ook onwettig.

In de geheime uitwisseling van brieven tussen de verweerder en de Zaïrese Staat van 18 juni 1976, die niet bij wet is goedgekeurd en die niet is bekendgemaakt, waren zij zinnens de wisselkoers die van toepassing was op de schatting van de aan de gezaïriseerde burger verschuldigde vergoedingen te beperken tot 45,25 frank voor één zaïre, terwijl het Protocol en de tweede uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, die zijn goedgekeurd bij de wet van 16 juli 1976, bepaalden dat het bedrag van de vergoedingen vastgesteld zou worden op de datum van de schatting van de gezaïriseerde goederen, wat overeenkwam met een wisselkoers van minimum 75,81 frank voor één zaïre.

Aangezien de uitwisseling van brieven van 18 juni 1976 niet werd goedgekeurd bij wet en evenmin werd bekendgemaakt, schendt zij voormeld artikel 68, tweede lid, van de Grondwet. Aangezien zij in het geheim afwijkt van het Protocol en van de tweede uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, schendt die uitwisseling van brieven daarenboven het voormelde artikel 68, derde lid in fine, en het voormelde protocol en de voormelde uitwisseling van brieven, alsook de wet van 16 juli 1976, die ze heeft goedgekeurd. De uitwisseling van brieven van 18 juni 1976 is dus onwettig en heeft geen verbindende kracht.

Het Protocol en de uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, goedgekeurd bij de wet van 16 juli 1976, hebben rechtstreeks, ten voordele van de burgers die zijn getroffen door de zaïrisering en ten laste van de verweerder, een schuldvordering doen ontstaan tot beloop van de volledige vergoeding die hen verschuldigd was. Die schuldvordering werd niet gewijzigd door de uitwisseling van brieven van 18 juni 1976.

Artikel 2 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste van de Staat, thans artikel 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, bepaalt dat "de verjaring wordt gestuit door een gerechtsdeurwaardersexploot, alsook door een schulderkenning door de Staat".

De in die bepaling bedoelde schulderkenning is dezelfde als die welke bedoeld is in artikel 2248 van het Burgerlijk Wetboek, luidens hetwelk "de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, de verjaring stuit".

De schulderkenning kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Zij geschiedt stilzwijgend wanneer zij met zekerheid kan worden afgeleid uit de handelingen van degene in wiens voordeel de verjaring loopt. De erkenning van het bestaan van de schuld volstaat om de verjaring te stuiten, zonder dat die erkenning betrekking hoeft te hebben op het bedrag van die schuld.

Het arrest stelt vast dat de verweerder betalingen heeft gedaan tussen 29 juli 1980 en 3 april 1989. De eerste betaling is dus gedaan minder dan vijf jaar na de goedkeuring van 10 april 1978 maar ook minder dan vijf jaar na 12 januari 1977, datum van de inwerkingtreding van het Protocol en van de uitwisseling van brieven van 28 maart 1976.

In hun bijzondere conclusie preciseren de eisers, zonder wat dat betreft door de verweerder te worden bekritiseerd, dat de verweerder op 29 juli 1980 in werkelijkheid de eerste drie annuïteiten heeft betaald van het bedrag dat hij meende verschuldigd te zijn.

De andere zeven annuïteiten moeten bijgevolg worden geacht te zijn betaald tussen 29 juli 1980 en 3 april 1989. De eisers wijzen in hun bijzondere samenvattende conclusie erop dat "kortom, zowel de betalingen van de Belgische Staat tussen 1980 en 1989 als de in 1993 uitgebrachte dagvaarding stuk voor stuk handelingen zijn die de verjaring in het voordeel [van de eisers] stuiten".

Het arrest wijst erop dat de verweerder "steeds ervan is uitgegaan dat zijn schuld ten aanzien van de gezaïriseerden, zoals deze voortvloeide uit het Protocol en de uitwisseling van brieven van 28 maart 1976, beperkt was tot een gedeeltelijke verplichting tot voorfinanciering van de vergoeding, die te dezen hierop neerkwam dat hij de betalingen van de Zaïrese Staat jaarlijks diende aan te vullen, zodat de schuld van de Zaïrese Staat in tien jaar tijd vereffend kon worden, met dien verstande dat die aanvulling betaalbaar was in twintig annuïteiten, naar rata van 45,25 frank voor één zaïre, zoals dat was vastgesteld in de uitwisseling van brieven van 18 juni 1976".

Bijgevolg is de vijfjarige verjaring waarop de verweerder zich beroept, na de stuiting ten gevolge van de betaling van 29 juli 1980, opnieuw ingegaan maar werd zij elk jaar opnieuw gestuit, zodat die vijfjarige verjaring opnieuw is ingegaan vanaf de betaling van 3 april 1989 en was zij niet verkregen op de datum van de dagvaarding, met name 22 juli 1993.

Het arrest dat beslist dat de verweerder nooit het bestaan van een andere schuld heeft erkend dan de bedragen die hij aan de gezaïriseerde burgers heeft betaald en waartoe hij zich gehouden achtte en dat de betalingen die hij tussen 1980 en 1989 heeft gedaan volgens hem zijn volledige schuld vertegenwoordigden en niet konden gelden als erkenning van een andere of grotere schuld, verwart aldus het bestaan van een schuld met het bedrag van die schuld en schendt derhalve de in het middel bedoelde bepalingen (schending van artikel 2 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste van de Staat en, voor zover nodig, van artikel 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, en van artikel 2248 van het Burgerlijk Wetboek).

Het arrest dat bovendien beslist dat de verweerder zich mag beroepen op de fout die hij heeft begaan door zich slechts gebonden te achten tot de betaling van de bedragen die hij erkend had op grond van de uitwisseling van brieven van 18 juni 1976, die niet bij wet is goedgekeurd en die evenmin is bekendgemaakt, en dat zodoende aan die uitwisseling van brieven uitwerking verleent, terwijl uit het Protocol en uit de tweede uitwisseling van brieven van 28 maart 1976 blijkt dat de schuld van de verweerder groter was, schendt artikel 68, tweede en derde lid, van de Grondwet, zoals het van kracht was vóór de herziening van 5 mei 1993 en zoals het in 1976 op de verweerder van toepassing was. Het arrest miskent bovendien de verbindende kracht van artikel 4, 3°, van het Protocol en van de uitwisseling van brieven van 28 maart 1976 en schendt, voor zover nodig, de artikelen 1 tot 4 van de wet van 16 juli 1976.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 1234 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat verbintenissen tenietgaan door betaling.

Artikel 1235, eerste lid, van dat wetboek bepaalt dat iedere betaling een schuld onderstelt: hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd.

Ook al kan de betaling leiden tot de afstand van de verkregen verjaring in de zin van artikel 2220 Burgerlijk Wetboek, kan die betaling, aangezien zij de verbintenis doet tenietgaan, onmogelijk, in tegenstelling tot wat het middel beweert, het aanvangspunt vormen van een verjaring die op die verbintenis niet meer van toepassing is.

Hoewel een betaling slechts gedeeltelijk kan zijn en de verbintenis alleen maar tot beloop van het bedrag van die betaling kan tenietdoen, volgt overigens noch uit artikel 1235, eerste lid, noch uit artikel 2220 Burgerlijk Wetboek dat een niet-onverschuldigde gedeeltelijke betaling noodzakelijkerwijs leidt tot de erkenning van het bestaan van een schuld die het betaalde bedrag overstijgt.

Het arrest beslist "dat het vaststaat dat de Belgische Staat, van bij de inwerkingtreding van het Protocol van 28 maart 1976, ervan is uitgegaan dat zijn vergoedingsplicht hierin bestond dat hij de door de Zaïrese Staat gestorte annuïteiten diende aan te vullen en dat hij aan de gezaïriseerden een vergoeding verschuldigd was naar rata van 45,25 frank voor één zaïre; dat die stelling weliswaar werd verworpen door het Hof van Cassatie, [wiens] beslissingen [...] niet tot gevolg hebben dat [de Belgische Staat] het recht van de gezaïriseerden op een andere vergoeding dan die welke hij hen uitbetaalde op enigerlei wijze zou hebben erkend; dat [hij] immers nooit het bestaan heeft erkend van een andere schuld".

Het arrest sluit door die overwegingen terecht uit dat de verweerder, door de litigieuze betalingen te verrichten, het bestaan zou hebben erkend van een schuld die de door hem betaalde bedragen oversteeg.

Het arrest dat de juiste draagwijdte van de betalingen van de eiser nagaat, verleent hierdoor geen uitwerking aan de geheime uitwisseling van brieven van 18 juni 1976, waarop de verweerder zich volgens het arrest niet mag beroepen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Vijfde middel

Luidens artikel 2248 Burgerlijk Wetboek stuit de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, de verjaring.

Hoewel die erkenning slechts betrekking kan hebben op het bestaan van het recht waarop de verjaring van toepassing is, en hoewel die erkenning stilzwijgend kan worden afgeleid uit elke handeling of uit elk feit dat de afstand van het voordeel van de verjaring impliceert, moet zij vaststaan.

Uit de in het antwoord op het eerste middel weergegeven overwegingen heeft het arrest naar recht kunnen afleiden dat, hoewel de verweerder door de betalingen zijn volledige schuld meende te hebben voldaan, die betalingen waaruit de eisers de erkenning van hun recht hadden afgeleid, niet als zodanig konden worden uitgelegd.

Het arrest dat de juiste draagwijdte van de betalingen nagaat in het licht van artikel 2248 Burgerlijk Wetboek, verleent hierdoor geen uitwerking aan de geheime uitwisseling van brieven van 18 juni 1976, waarop de verweerder zich volgens het arrest niet mag beroepen..

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 7 november 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De waarnemend eerste voorzitter,

Vrije woorden

  • Verbintenis die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom

  • Betaling

  • Tenietgaan van de verbintenis

  • Afstand van de verkregen verjaring