- Arrest van 18 november 2011

18/11/2011 - C.10.0649.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Degene die de uitvoering vordert van een verbintenis met een opschortende voorwaarde moet, in de regel, aantonen dat die voorwaarde vervuld is of dat de vervulling ervan verhinderd werd door een fout van de schuldenaar (1). (1) Cass. 18 feb. 1926 (Bull. et Pas. 1926, I, 255).

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0649.F

P. S.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. A. V.,

2. M. G.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 januari 2009.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In zijn cassatieverzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert de eiser een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 1315 Burgerlijk Wetboek moet degene die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen; omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.

Artikel 1178 van dat wetboek bepaalt dat de voorwaarde geacht wordt vervuld te zijn, wanneer de schuldenaar die zich onder die voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling ervan verhinderd heeft.

Daaruit volgt dat degene die de uitvoering vordert van een verbintenis die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, in de regel, moet aantonen dat die voorwaarde vervuld is of dat de vervulling ervan verhinderd werd door een fout van de schuldenaar.

Daaruit volgt eveneens dat degene die de ontbinding van die overeenkomst ten nadele van de schuldenaar vordert alsook diens veroordeling tot betaling van schadevergoeding, moet aantonen dat de schuldenaar niet heeft voldaan aan de verbintenissen die de overeenkomst hem oplegt.

Hoewel de rechter naar recht kan beslissen dat het bewijs van een negatief feit niet aan dezelfde eisen moet voldoen als dat van een positief feit, mag hij daarentegen de eiser niet van dat bewijs vrijstellen en de tegenpartij de verplichting opleggen om het bewijs van het tegenovergestelde positief feit te leveren.

Het arrest stelt vast dat het contract betreffende de overdracht van de handelszaak van de verweerders onderworpen was aan de opschortende voorwaarde dat de eiser een hypothecair krediet verkreeg en dat laatstgenoemde "uiteindelijk de handelszaak niet heeft gekocht en een attest van de Centeabank van 21 februari 2003 heeft overgelegd waarin wordt vermeld dat de lening geweigerd wordt wegens ‘de ontoereikende waarborgen en het gebrek aan ervaring [van de eiser] in de horeca'".

Het overweegt, zonder op dat punt te worden betwist, dat de op de eiser rustende verplichting om alle noodzakelijke inspanningen te leveren om die lening te verkrijgen, moet worden aangemerkt als een inspanningsverbintenis.

Het arrest dat zijn beslissing dat de overeenkomst betreffende de overdracht van handelszaak in het nadeel van de eiser moet worden ontbonden en dat hij veroordeeld moet worden om de verweerders schadevergoeding te betalen, grondt op de overweging dat laatstgenoemden "moeite hebben" om te bewijzen dat de eiser niet de nodige ijver aan de dag heeft gelegd opdat de voorwaarde vervuld zou worden en dat het, bijgevolg, aan de eiser staat aan te tonen dat hij alle stappen heeft gedaan die redelijkerwijs konden worden ondernomen om een lening te verkrijgen, volgens het criterium van de normaal bedachtzame en omzichtige persoon die in dezelfde omstandigheden verkeert, welk bewijs hij te dezen niet levert, keert de bewijslast om en schendt het artikel 1315 Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

De overige onderdelen hoeven niet onderzocht te worden. Ze kunnen immers niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoofdberoep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 18 november 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bewijslast

  • Verbintenis met een opschortende voorwaarde

  • Vordering tot uitvoering van de verbintenis

  • Voorwerp van het bewijs