- Arrest van 24 november 2011

24/11/2011 - F.11.0024.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De omstandigheid dat een schuldeiser slechts over een algemeen voorrecht beschikt en aldus geen bevoorrechte schuldeiser is voor de toepassing van de Wet Continuïteit Ondernemingen, ontneemt hem niet de mogelijkheid om derdenverzet aan te tekenen tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie van het reorganisatieplan in de procedure van gerechtelijke reorganisatie (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0024.N

HUFKENS ALGEMENE BOUWONDERNEMING nv, met zetel te 2440 Geel, Beekhoek 14,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen Mechelen 4, met kantoor te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24 bus 11,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest,

2. PROVINCIALE EN INTERCOMMUNALE DRINKWATER-MAATSCHAPPIJ VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN (PIDPA OV), opdrachthoudende vereniging, met zetel te 2280 Grobbendonk, Vierselsebaan 5,

3. ROBUD sp, vennootschapsrecht naar Pools recht, met zetel te 44-106 Gliwice (Polen), Mechanikow 15,

4. B. K.,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 november 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 7 oktober 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 1122, tweede lid, aanhef en 3°, Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig artikel 1033 van hetzelfde wetboek;

- de artikelen 2, aanhef en d), e), g) en h), en 5, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen.

Aangevochten beslissing en onderliggende redenen:

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat [de eerste verweerder] ontvankelijk en gegrond, wijzigt het bestreden verzetvonnis van 29 juni 2010, verklaart het derdenverzet van de Belgische Staat tegen het vonnis a quo van 20 april 2010 ontvankelijk en verwijst de eiseres in de kosten, op grond van de volgende overwegingen:

"9. De Belgische Staat [de eerste verweerder] heeft derdenverzet aangetekend.

De Belgische Staat kan als schuldeiser van degene die de gerechtelijke reorganisatie vraagt maar toegelaten worden om een derdenverzet in te stellen tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie van het reorganisatieplan onder de voorwaarden bepaald in artikel 1122, 3°, Gerechtelijk Wetboek. Het derdenverzet kan worden toegelaten indien de Belgische Staat bedrog in hoofde van Hufkens inroept of zich kan beroepen op een hypotheek, voorrecht of enig ander recht dat buiten zijn schuldvordering ligt.

10. In het vonnis van 29 juni 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat niet voldaan was aan die voorwaarden en daarom het derdenverzet niet ontvankelijk verklaard.

11. Uit artikel 5 WCO volgt dat de Belgische Staat, die wel verschenen is op de vergadering van de schuldeisers en mee gestemd heeft over het plan, geen partij is geworden in de procedure.

Hufkens [de eiseres] is van oordeel dat de Belgische Staat desondanks toch valt onder de toepassing van het eerste lid van artikel 1122 Gerechtelijk Wetboek en wijst er op dat de Belgische Staat behoorlijk werd opgeroepen.

Zij leidt daaruit af dat de Belgische Staat niet gerechtigd is om derdenverzet aan te tekenen.

12. De schuldeisers worden niet ‘opgeroepen' zoals Hufkens beweert.

Krachtens artikel 53 WCO wordt enkel een ‘mededeling' verstuurd aan de schuldeisers die onder meer de vermelding bevat dat zij hun opmerkingen kunnen maken en over het reorganisatieplan kunnen stemmen op de vastgestelde zitting.

Van een oproeping is geen sprake zodat het feit dat de Belgische Staat op de vastgestelde zitting is verschenen, zijn opmerkingen heeft gemaakt en gestemd heeft, niet meebrengt dat hij geen derdenverzet meer kan aantekenen op grond van artikel 1122, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek.

13. Voor de invordering van de directe belastingen en van de voorheffingen heeft de Schatkist een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige (artikel 422 Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992). Op grond van artikel 423, laatste lid WIB92 en artikel 19 Hypotheekwet kan de Belgische Staat dit voorrecht ook laten gelden.

Daaruit volgt dat de Belgische Staat in de mogelijkheid is om derdenverzet te doen in een procedure waarin de inkomsten en de roerende goederen van de belastingschuldige voorwerp van het geschil uitmaken.

Aangezien het reorganisatieplan de besteding regelt van de inkomsten en van de goederen van Hufkens maken de goederen waarop het voorrecht betrekking heeft voorwerp uit van het vonnis waarbij over de homologatie van het reorganisatieplan geoordeeld wordt.

De Belgische Staat is derhalve gerechtigd derdenverzet aan te tekenen tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie van het reorganisatieplan.

Het derdenverzet is ontvankelijk";

(bestreden arrest, p. 40-41).

Grieven

1. Uit het bestreden arrest, pagina 36, blijkt het volgende:

- de rechtbank van koophandel te Turnhout heeft in het vonnis a quo van 20 april 2010 het reorganisatieplan van de eiseres in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie met het oog op een collectief akkoord gehomologeerd en meteen de reorganisatieprocedure gesloten;

- de eerste verweerder heeft derdenverzet ingesteld tegen het vonnis a quo d.d. 20 april 2010 met een akte betekend op 14 mei 2010;

- dit derdenverzet werd door de rechtbank van koophandel te Turnhout bij verzetvonnis van 29 juni 2010 niet ontvankelijk verklaard;

- tegen dit vonnis stelde de eerste verweerder hoger beroep in met een verzoekschrift neergelegd op 5 augustus 2010 (A.R. nr. 2010/AR/2507).

2. De volgende wettelijke bepalingen en principes zijn bijgevolg te dezen van toepassing.

Artikel 5, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen bepaalt dat, behoudens andersluidende bepalingen, tegen de beslissingen van de rechtbank rechtsmiddelen kunnen worden aangewend volgens de in het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven regels en termijnen.

Artikel 1122, tweede lid, aanhef en 3°, Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt:

"Dit rechtsmiddel [derdenverzet] kan evenwel niet worden ingesteld:

3° door schuldeisers, behalve wanneer hun schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer zij zich kunnen beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten hun schuldvordering ligt".

Deze bepaling vindt haar verantwoording in het idee dat de schuldeisers de fluctuaties van het vermogen van hun schuldenaar moeten ondergaan.

De wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen sluit de toepassing niet uit van de gemeenrechtelijke regeling van artikel 1122, tweede lid, aanhef en 3°, Gerechtelijk Wetboek. Deze bepaling is bijgevolg van toepassing op het vonnis dat beslist over de homologatie van het reorganisatieplan in de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord.

Hieruit volgt dat een schuldeiser, zoals te dezen de eerste verweerder, van een debiteur, zoals te dezen de eiseres, debiteur die de gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord heeft aangevraagd, niet kan opkomen bij wege van derdenverzet tegen het vonnis dat het reorganisatieplan in de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord homologeert, zoals te dezen het vonnis a quo d.d. 20 april 2010, tenzij in de uitzonderingsgevallen bedoeld in artikel 1122, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek.

Uit het bestreden arrest blijkt niet dat de eiseres bedrog heeft gepleegd noch dat de eerste verweerder zich te dezen heeft beroepen op een hypotheek, of enig ander recht dat buiten zijn schuldvordering ligt. Deze uitzonderingsgevallen zijn dus te dezen niet van toepassing.

De eerste verweerder betoogde te dezen dat hij een algemeen voorrecht had op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige [de eiseres] voor de invordering van de directe belastingen en van de voorheffingen overeenkomstig artikel 422 WIB92 (Synthesebesluiten van de eerste verweerder voor het hof van beroep, p. 6-10). Dit blijkt uit het bestreden arrest dat overweegt dat voor de invordering van de directe belastingen en van de voorheffingen de Schatkist [eerste verweerder] een algemeen voorrecht heeft op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige [de eiseres] (artikel 422 Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992) (bestreden arrest, p. 41, nr. 13).

Artikel 2, aanhef en d), e), g) en h), van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen luidt als volgt:

"Voor de toepassing van deze wet verstaat men onder:

d) "buitengewone schuldvorderingen in de opschorting": de schuldvorderingen in de opschorting die gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht of een hypotheek en de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars;

e) "gewone schuldvorderingen in de opschorting": de schuldvorderingen in de opschorting andere dan de buitengewone schuldvorderingen in de opschorting;

g) "gewone schuldeiser in de opschorting": de persoon die titularis is van een gewone schuldvordering in de opschorting;

h) "buitengewone schuldeiser in de opschorting": de persoon die titularis is van een buitengewone schuldvordering in de opschorting".

Uit deze bepalingen van artikel 2 volgt dat de algemeen bevoorrechte belastingschulden gewone schuldvorderingen in de opschorting vormen. De eerste verweerder, die aanvoerde dat hij een algemeen voorrecht had, zoals het appelgerecht aanneemt, is aldus een gewone schuldeiser in de opschorting.

In het kader van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen wordt de algemeen bevoorrechte schuldeiser dus gelijkgesteld met een gewone schuldeiser in de opschorting.

3. Uit al het voorgaande volgt dat de eerste verweerder, die, zoals gezegd, aanvoerde dat hij een algemeen voorrecht had, zijn voorrecht niet kan laten gelden in het kader van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen.

Hij is bijgevolg te dezen geen schuldeiser die zich kan beroepen op een voorrecht in de zin van artikel 1122, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek.

Anders dan het bestreden arrest (p. 41, nr. 13) niet wettig beslist, doen de artikelen 423, laatste lid, Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en 19 Hypotheekwet daar geen afbreuk aan (schending van art. 2, aanhef en d), e), g) en h), 5, tweede lid, WCO van 31 januari 2009, 1122, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek, en voor zoveel als nodig 1033 Gerechtelijk Wetboek).

Vermits, zoals hierboven gesteld, evenmin de andere uitzonderingsgevallen bedoeld in artikel 1122, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek, van toepassing zijn, kan de eerste verweerder, in de gegeven omstandigheden, dus geen derdenverzet instellen tegen het vonnis a quo d.d. 20 april 2010, dat het reorganisatieplan in de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord homologeert.

Besluit: Het bestreden arrest dat, met wijziging van het beroepen verzetvonnis van 29 juni 2010, anders oordeelt, namelijk dat de eerste verweerder gerechtigd is derdenverzet aan te tekenen tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie van het reorganisatieplan en dat het derdenverzet ontvankelijk verklaart, op grond van de in het middel bestreden overwegingen (bestreden arrest, p. 41, nr. 13, p. 44), schendt bijgevolg de artikelen 2, aanhef en d), e), g) en h), 5, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, 1122, tweede lid, aanhef en 3°, Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, 1033 van dit wetboek.

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 55, tweede lid, en 57, derde lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen.

Aangevochten beslissing en onderliggende redenen

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat [de eerste verweerder] ontvankelijk en gegrond, wijzigt het bestreden verzetvonnis van 29 juni 2010, verklaart het derdenverzet van de Belgische Staat tegen het vonnis a quo van 20 april 2010 gegrond en verwijst de eiseres in de kosten, op grond van de volgende overwegingen:

"14. Het derdenverzet kan maar gegrond worden verklaard in geval van niet naleving van de pleegvormen door de WCO opgelegd of wegens schending van de openbare orde.

Volgens de Belgische Staat [de eerste verweerder] bevat het reorganisatieplan wat haar schuldvorderingen betreft bepalingen die strijdig zijn met wetten van openbare orde.

15. [...]

16. De beweerde schendingen van de openbare orde die in het reorganisatieplan volgens de Belgische Staat vervat zijn hebben betrekking op de verminderingen van de fiscale schuldvorderingen en de betalingsmodaliteiten daarvan.

De Belgische Staat vecht onder meer het reorganisatieplan aan met betrekking tot de niet of te laat ingediende schuldvorderingen.

Hij wijst erop dat ingevolge de toepassing van de belastingwetten er nog belastingen kunnen worden geheven en ingekohierd die als schuldvorderingen in de opschorting moeten worden aangezien.

Het plan bepaalt daarover (nr. IV, c. p. 22): ‘Voor alle schulden, claims, juridische procedures die betrekking hebben op de periode voor de toekenning van de voorlopige opschorting en waarvoor de schuldeisers geen (of laattijdig) een schuldvordering hebben ingediend voorzien we geen betaling en een vermindering van de vordering naar 1 euro.'

De rechten van de schuldeisers die in die bepaling van het reorganisatieplan zijn bedoeld zijn geregeld in artikel 57 WCO.

De schuldenaar heeft niet de bevoegdheid om in het reorganisatieplan deze rechten te beknotten en de betrokken schuldvorderingen te verminderen tot 1 euro.

Anders dan Hufkens [de eiseres] beweert [is] artikel 57 WCO wel van openbare orde zodat de afwijkende bepalingen van het reorganisatieplan strijdig is met de openbare orde.

17. Om de hiervoor vermelde redenen heeft de rechtbank onterecht het reorganisatieplan gehomologeerd.

Het derdenverzet is gegrond.

Het reorganisatieplan wordt niet gehomologeerd"

(bestreden arrest, p. 42-43).

Grieven

Krachtens artikel 55, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen kan de homologatie van het reorganisatieplan in de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord, zoals te dezen het kwestieuze reorganisatieplan van de eiseres, slechts geweigerd worden in geval van niet naleving van de pleegvormen door deze wet opgelegd of wegens schending van de openbare orde.

Deze bepaling is van strikte toepassing.

In de parlementaire voorbereiding wordt immers het volgende benadrukt: "De rechtbank homologeert in beginsel de stemming van de schuldeisers, behalve in uitzonderlijke omstandigheden. Hij verwerpt het plan ingeval de openbare orde wordt geschonden maar ziet erop toe dat wat niet tot de openbare orde behoort niet als dusdanig wordt omschreven. Gewone bepalingen van dwingend recht zijn nog geen bepalingen van openbare orde" (Parl. Doc. Kamer, 2007-2008, nr. 52- 0160/002, p. 70).

Artikel 57, derde lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen bepaalt het volgende:

"De schuldvorderingen in de opschorting die niet opgenomen zijn in de in artikel 17, § 2, 7°, bedoelde lijst, in voorkomend geval gewijzigd met toepassing van artikel 46, en die geen aanleiding hebben gegeven tot betwisting, worden betaald na de volledige uitvoering van het plan, op de wijze die is bepaald voor de schuldvorderingen van dezelfde aard. Indien de schuldeiser niet behoorlijk werd ingelicht tijdens de opschorting, wordt hij betaald op de wijze en in de mate die het gehomologeerd plan bepaalt voor gelijkaardige schuldvorderingen".

Deze bepaling van artikel 57, derde lid, is van dwingend recht, in het belang van de schuldeisers, doch niet van openbare orde. De van deze wettekst afwijkende bepalingen van het reorganisatieplan in de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord kunnen bijgevolg de homologatie van dit plan niet in de weg staan.

Het appelgerecht dat anders oordeelt, namelijk dat artikel 57 WCO wel van openbare orde is zodat de afwijkende bepalingen van het reorganisatieplan strijdig zijn met de openbare orde en dat de schuldenaar [de eiseres] niet de bevoegdheid heeft om in het reorganisatieplan de rechten van de schuldeisers voor geen of laattijdig ingediende schuldvorderingen te beknotten en deze schuldvorderingen te verminderen tot 1 euro (bestreden arrest, p. 43, nr. 16), schendt bijgevolg artikel 57, derde lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen.

Door om die redenen het derdenverzet van de eerste verweerder gegrond te verklaren en, met wijziging van het vonnis a quo d.d. 20 april 2010, het reorganisatieplan niet te homologeren (bestreden arrest, p. 43, nr. 17, p. 44), schendt het appelgerecht het voormelde artikel 55, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen in zoverre krachtens dit artikel de homologatie van het kwestieuze reorganisatieplan slechts kan geweigerd worden wegens schending van de openbare orde.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 55 Wet Continuïteit Ondernemingen dient het reorganisatieplan dat door de schuldeisers is goedgekeurd, te worden gehomologeerd door de rechtbank.

Artikel 56 van deze wet dat de rechtsmiddelen tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie regelt, sluit het derdenverzet niet uit.

2. Krachtens artikel 1122, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek, kan geen derdenverzet worden ingesteld door schuldeisers, behalve wanneer hun schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer zij zich kunnen beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten de schuldvordering ligt.

Om derdenverzet te kunnen instellen dient de bevoorrechte schuldeiser niet aan te tonen dat zijn voorrecht of enig ander recht effectief uitwerking zal hebben.

3. De omstandigheid dat een schuldeiser slechts over een algemeen voorrecht beschikt en aldus geen bevoorrechte schuldeiser is voor de toepassing van de Wet Continuïteit Ondernemingen, ontneemt hem niet de mogelijkheid voorzien in het artikel 1122, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek.

4. Krachtens artikel 422 WIB92 beschikt de Schatkist voor de invordering van de directe belastingen en van de voorheffingen over een algemeen voorrecht op de inkomsten en de roerende goederen van de belastingplichtige.

5. De appelrechters stellen vast dat de vordering van de eerste verweerder betrekking heeft op de invordering van directe belastingen en van de voorheffingen en dat het reorganisatieplan de aanwending regelt van de inkomsten en de roerende goederen van de eiseres. Zij oordelen dat hieruit volgt dat de eerste verweerder in de mogelijkheid is om derdenverzet te doen in de procedure tot homologatie van het collectief akkoord waarin de inkomsten en de roerende goederen van de belastingplichtige het voorwerp van het geschil uitmaken. Zij verantwoorden aldus hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. Krachtens artikel 55, tweede lid, Wet Continuïteit Ondernemingen kan het homologatieplan slechts worden geweigerd in geval van niet-naleving van de pleegvormen door deze wet opgelegd of wegens schending van de openbare orde.

7. De rechten van de schuldeisers die geen aangifte hebben gedaan van schuldvordering of die deze laattijdig hebben gedaan, worden bepaald door artikel 57 van die wet. De wettelijke regeling van de rechten van deze categorieën van schuldeisers is van openbare orde, zodat het reorganisatieplan niet in een afwijkende regeling kan voorzien.

Het middel dat uitgaat van een andere opvatting faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 325,05 euro en op 109,69 euro voor de eerste verweerder.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 24 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Wet Continuïteit Ondernemingen

  • Reorganisatieplan

  • Homologatie

  • Vonnis

  • Rechtsmiddelen

  • Derdenverzet

  • Bevoorrechte schuldeiser