- Arrest van 24 november 2011

24/11/2011 - H.11.0002.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Thijs.

Arrest - Integrale tekst

Nr. H.11.0002.N

In de zaak AR 07/126953/A van de arbeidsrechtbank te Brugge,

in zake van

F. Z.,

eiser,

met als raadsman mr. Francis Vanmarcke, afgevaardigde ABVV Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Zilverstraat 43,

tegen

TECHNIMAR nv, met zetel te 1000 Brussel, de Meeûssquare 38, bus 40,

verweerster,

met als raadsman mr. Eric Vervaecke, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Lange Nieuwstraat 21-23.

I. ONDERWERP VAN DE AAN HET HOF GESTELDE PREJUDICIËLE VRAAG

Het Hof dient uitspraak te doen over de krachtens artikel 73, § 2, van de op 15 september 2006 gecoördineerde wet tot bescherming van de economische mededinging (hierna "WBEM") door de arbeidsrechtbank te Brugge in zijn vonnis van 19 april 2011 gestelde prejudiciële vraag over de conformiteit van de bepalingen in de CAO gesloten in het paritair comité 112 voor het garagebedrijf van 8 juli 2003 "met de artikelen 81 en 82 van het verdrag van Amsterdam en met de artikelen 85 en 86 van het verdrag van Rome, en met de bepalingen van de Wet van 15 juni 2006 op de bescherming van de economische mededinging".

II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Overeenkomstig artikel 73, § 2, WBEM heeft het Hof van Cassatie een kopie van de prejudiciële vraag bezorgd aan de partijen en de Raad voor de Mededinging en aan de minister van Economie.

Het Hof heeft de partijen aangezocht om in voorkomend geval schriftelijke opmerkingen in te dienen en heeft hen de gelegenheid gegeven inzage te nemen van het dossier van de rechtspleging, met mededeling van de datum waarop de betrokken personen konden worden gehoord.

Schriftelijke opmerkingen werden op 16 augustus 2011 ingediend door de partijen en op 17 augustus 2011 door de Raad voor de Mededinging en de minister van Economie.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft ter griffie van het Hof op 12 september 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Deze werd op 13 september 2011 bezorgd aan de partijen en de Raad voor de mededinging en de minister van Economie.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

III. ONTVANKELIJKHEID

Artikel 72 WBEM bepaalt dat het Hof van Cassatie zich bij wege van prejudicieel arrest uitspreekt over de vragen met betrekking tot de interpretatie van deze wet.

Het Hof is niet bevoegd om, bij wege van het beantwoorden van prejudiciële vragen uitlegging te geven van supranationale normen. In zoverre de prejudiciële vraag betrekking heeft op "de artikelen 81 en 82 van het verdrag van Amsterdam en de artikelen 85 en 86 van het verdrag van Rome" is de vraag niet ontvankelijk.

In zoverre de prejudiciële vraag betrekking heeft op "de bepalingen van de Wet van 15/09/2006 op de bescherming van de economische mededinging" is de vraag wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verklaart de prejudiciële vraag niet ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 24 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Mededinging

  • Belgische Mededingingswet

  • Uitlegging

  • Prejudiciële vraag

  • Hof van Cassatie

  • Bevoegdheid van het Hof