- Arrest van 29 november 2011

29/11/2011 - P.11.1250.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 9 juli 1997 houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep, waarbij de artikelen 102, §2, 106bis en 109ter in het Gerechtelijk Wetboek werden ingevoerd, blijkt dat onder het begrip burgerlijke zaken in de zin van artikel 106bis, §1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek ook de strafzaken begrepen zijn waarvan de behandeling is beperkt tot de burgerlijke rechtsvordering (1) (2). (1) Parl. St., Senaat, 1-490/9 (1996-1997), p. 63: bij de artikelsgewijze bespreking antwoordde de minister van Justitie op de opmerking van een senator die verklaarde 'niet te kunnen aanvaarden dat drie plaatsvervangende raadsheren in een aanvullende kamer in hoger beroep uitspraak doen over een strafzaak' dat '(d)e definitie van de gerechtelijke achterstand (...) zo (is) opgesteld dat er geen strafzaken aan de aanvullende kamers zullen worden toebedeeld, behoudens hetgeen de afhandeling van de burgerlijke belangen betreft'. (2) De artikelen 102, §2, 106bis en 109ter Gerechtelijk Wetboek werden opgeheven door de artikelen 20, 21 en 22 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (II), met ingang van 1 juli 2011.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1250.N

I

H. J. C. L.,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

II

G. A. R. B.,

beklaagde,

eiser,

de beide cassatieberoepen tegen

W. D. V.,

burgerlijke partij,

verweerder,

met als raadsman mr. Kristof De Mulder, advocaat bij de balie te Oudenaarde.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 juni 2011.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser II voert geen middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING DOOR HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 102, 106bis, 321, 321bis en 322 Gerechtelijk Wetboek en artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest is gewezen door de 24ste kamer van het hof van beroep te Gent, samengesteld uit een raadsheer en twee plaatsvervangende raadsheren; krachtens de artikelen 102, § 2, 106bis en 321bis Gerechtelijk Wetboek kunnen de plaatsvervangende raadsheren zitting nemen in de speciaal ingestelde aanvullende kamers om de gerechtelijke achterstand weg te werken; die bijzondere kamers mogen uitsluitend burgerlijke, fiscale en handelszaken behandelen; uit geen enkel stuk blijkt dat de beide plaatsvervangende raadsheren hebben gezeteld overeenkomstig artikel 102, § 1, Gerechtelijk Wetboek; er is geen vermoeden dat uit de enkele aanwezigheid van een plaatsvervangende raadsheer volgt dat hij een verhinderd raadsheer vervangt; het arrest is bijgevolg gewezen door een onregelmatig samengestelde kamer rechtdoende in correctionele zaken met twee plaatsvervangende raadsheren, die daar geen deel konden van uitmaken; minstens is het Hof in de onmogelijkheid om de regelmatige samenstelling van de kamer te controleren.

2. Volgens artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 september 1998 tot vaststelling van het bijzonder reglement voor de aanvullende kamers van het hof van beroep te Gent is de vierentwintigste kamer van dit hof een aanvullende kamer in de zin van de artikelen 102, § 2, en 106bis Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van het arrest.

In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 102, § 1, 321, 321bis en 322 Gerechtelijk Wetboek, faalt het naar recht.

3. De artikelen 102, § 2, 106bis en 109ter Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van het arrest, bepalen dat:

- plaatsvervangende raadsheren zitting houden in de aanvullende kamers, samengesteld overeenkomstig artikel 106bis Gerechtelijk Wetboek;

- binnen de hoven van beroep aanvullende kamers worden opgericht teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken;

- de aanvullende kamers uitsluitend zitting houden in burgerlijke en fiscale zaken en in handelszaken;

- voor de aanvullende kamers een bijzonder reglement wordt opgesteld;

- de aanvullende kamers uit ten minste twee plaatsvervangende raadsheren zijn samengesteld.

4. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 9 juli 1997 houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep, waarbij de voormelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek werden ingevoerd, blijkt dat onder het begrip burgerlijke zaken in de zin van artikel 106bis, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek ook de strafzaken begrepen zijn waarvan de behandeling is beperkt tot de burgerlijke rechtsvordering.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

Tweede middel

5. De onderdelen voeren schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek, artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest veroordeelt ten onrechte de eiser I solidair met de eiser II, om de verweerder te vergoeden omdat hij door het verlenen van morele steun aan de actie van de eiser II heeft meegewerkt aan de misdrijven van lasterlijke aangifte bij de overheid; het stelt immers niet vast dat de eiser I alle omstandigheden kende en dus ook de lasterlijke aantijgingen vervat in de klachtbrieven van de eiser II, die aan deze feiten het karakter geven van het misdrijf van lasterlijke aangifte (eerste onderdeel); het vereiste opzet om aan een misdrijf mee te werken impliceert de wetenschap in hoofde van de mededader dat er zekerheid bestaat over het feit dat een wel bepaald misdrijf zal worden gepleegd; het volstaat voor strafbaarheid van de mededader niet dat hij weet dat hij door zijn gedrag eventueel kan bijdragen tot een misdrijf en dat hij dit a priori aanvaardt; een poging tot deelneming is niet strafbaar; het arrest stelt niet vast dat de eiser I zeker was dat de eiser II in zijn klachtbrieven van 5 juli 2006 een aangifte zou doen die lasterlijk was (tweede onderdeel).

6. De mededaderschap van artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mededader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, hij weet dat hij daaraan zijn medewerking verleent en hij het opzet heeft daaraan zijn medewerking te verlenen. Niet is vereist dat alle bestanddelen van de misdaad of het wanbedrijf begrepen zijn in de deelnemingshandelingen. Wel is vereist dat de mededader kennis heeft van alle omstandigheden die aan de handeling van de hoofddader, het kenmerk van een misdaad of wanbedrijf verlenen.

7. Het arrest (p. 6-7) oordeelt dat:

- de eiser I door het verlenen van zijn morele steun aan de actie van de eiser II tot de effectieve uitvoering van het misdrijf lasterlijke aangifte bij de overheid heeft aangezet en aan de uitvoering ervan heeft meegewerkt;

- uit de stukken van het strafdossier blijkt dat de eiser I zich niet heeft beperkt tot het adviseren van de bij hem klagende burgers van de gemeente Gavere om zich voor hun klachten te wenden tot de overheden van de verweerder, maar dat hij daadwerkelijk die burgers aanspoorde om klacht neer te leggen tegen de verweerder;

- de eiser I daarbij kwaadwillig handelde en met het opzet aan de verweerder nadeel toe te brengen;

- de omschrijving die door de eiser I werd gegeven van de verweerder de persoonlijke vete verraadt van de eiser I tegenover de verweerder, vete die de beweegreden vormt voor het kwaadwillig handelen van de eiser I.

Met die redenen, gelezen in hun onderling verband, stelt het arrest in hoofde van de eiser I wel degelijk de kennis vast van alle omstandigheden die aan de handeling van de eiser II als hoofddader, het kenmerk van het wanbedrijf lasterlijke aangifte verlenen en van de wetenschap in hoofde van de eiser I dat de eiser II klachtbrieven zou versturen die lasterlijk waren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 102,93 euro, waarvan de eiser I 21,46 euro verschuldigd is en de eiser II 21,47 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 29 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Hof van beroep

  • Wet van 9 juli 1997

  • Aanvullende kamers

  • Zitting in burgerlijke, fiscale en handelszaken

  • Begrip "burgerlijke zaken"

  • Strafzaak waarvan de behandeling is beperkt tot de burgerlijke rechtsvordering

  • Bevoegdheid