- Arrest van 5 december 2011

05/12/2011 - S.11.0001.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Overeenkomstig artikel 7, tweede lid, eerste zin, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, wordt het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst ; de rechter die om die reden de veronderstelling dat het ongeval zich heeft voorgedaan door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, afleidt uit de omstandigheid dat het ongeval tijdens die uitvoering heeft kunnen plaatsvinden, zonder dat hij vaststelt dat die omstandigheid zich ook werkelijk heeft voorgedaan, schendt het voormelde artikel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0001.F

AXA BELGIUM nv,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. A. V.,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. T. F.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Luik, afdeling Namen, van 24 juni 2010.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1315, eerste lid, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 7 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, vóór de wijziging ervan bij de wet van 1 april 2007.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt de volgende feiten vast : wijlen P.F., hoewel gedelegeerd bestuurder van de naamloze vennootschap Établissements P. F., waarvan de eiseres de arbeidsongevallenverzekeraar is, was met die vennootschap verbonden door een arbeidsovereenkomst voor bedienden; op 6 januari 2005, om 18.55 uur, werd hij voor het avondmaal verwacht bij iemand wiens woonplaats dicht bij de zetel van de vennootschap gelegen is; in het gebouw van die vennootschap is hij gevallen van de trap die van zijn bureau op de eerste verdieping naar de benedenverdieping leidt ; de boekhouder van de onderneming die op dat ogenblik aanwezig was in het bureau tegenover dat van de getroffene, heeft de val gehoord en is meteen naar de betrokkene gelopen ; toen hij vaststelde dat de getroffene veel bloed verloor, heeft hij de urgentiedienst gebeld ; de getroffene werd ter plaatse verzorgd, waarna hij werd overgebracht naar de afdeling spoed van het universitair ziekenhuis te Mont-Godinne ; de raadsgeneesheer van de eiseres vermeldt in een verslag van 2 februari 2005 dat de getroffene een temporo-pariëtale breuk links vertoonde, alsook een acuut extraduraal hematoom links, een extraduraal hematoom rechts met gezwel, dat zijn overlijden op 9 januari 2005 tot gevolg heeft gehad, en dat hij op 6 januari 2005 om 20.12 uur, dus iets meer dan een uur na de val, in een staat van alcoholintoxicatie van 3,4 gram zou hebben verkeerd,

beslist dat P.F. op 6 januari 2005 van de trap is gevallen omdat hij die trap allicht te snel is afgedaald, dat die val een plotselinge gebeurtenis is in de zin van artikel 9 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en dat het letsel, te dezen de dubbele schedelbreuk die het overlijden tot gevolg heeft gehad, vermoed wordt door die val te zijn veroorzaakt,

en zegt vervolgens, met bevestiging van het beroepen vonnis, voor recht dat het ongeval van 6 januari 2005, dat het overlijden van P.F. tot gevolg heeft gehad, een arbeidsongeval is ; veroordeelt de eiseres om, in hoofdsom, aan de eerste verweerster, in eigen naam, een begrafeniskostenvergoeding van 2.691,63 euro te betalen, en tevens om aan de eerste verweerster, met terugwerkende kracht tot de datum van het ongeval, een jaarlijkse lijfrente van 9.824,44 euro en aan haar minderjarige kinderen, met terugwerkende kracht tot de datum van het ongeval, een jaarlijkse rente van 4.912,22 euro uit te betalen.

Het arrest grondt die beslissing op de volgende redenen:

"Luidens zijn arbeidsovereenkomst van 28 januari 1984 stond P.F. in voor de leiding van de vennootschap, waarvan hij, samen met zijn vader, gedelegeerd bestuurder was. In die hoedanigheid hoefde hij, net zomin als de boekhouder van de onderneming trouwens, die op het ogenblik van de feiten aanwezig was, zich niet te houden aan vaste werkuren, wat door zijn vader is bevestigd tijdens zijn verhoor door de inspectiedienst van het Fonds voor Arbeidsongevallen (...). De (verweersters) hebben verklaard dat de winkel, die geëxploiteerd werd door de naamloze vennootschap Établissements P. F., op weekdagen sloot om 18 uur, wat verklaart waarom haar directeur, P.F., net als haar boekhouder, vaak in de vooravond aanwezig was om, met name, de kassa af te sluiten en na te tellen. Uit de verklaringen van de persoon die de getroffene voor het avondmaal had uitgenodigd terwijl zijn echtgenote in het buitenland vertoefde, blijkt dat hij, toen hij rond 18.45 uur haar vroeg om de uitnodiging te bevestigen, niet gejaagd klonk en zijn spraak op zijn gesprekspartner een ‘normale' indruk maakte. Gelet op die uitnodiging en gelet op het feit dat de plaats van afspraak vlak in de buurt lag, is het aannemelijk dat hij, na de sluiting van de winkel, besloten heeft voort te werken in plaats van naar huis te gaan (...) na 18 uur, waarna hij naar zijn gastvrouw is vertrokken. Uit de staat van alcoholintoxicatie van de getroffene - volgens de raadsgeneesheer van (de eiseres) zou het gehalte aan Gamma-GT dat bij zijn opname te Mont-Godinne werd gemeten, wijzen op chronisch alcoholmisbruik (...) - kan op zich niet worden afgeleid dat hij verkozen zou hebben op de plaats van de arbeid te blijven - in zijn eentje, volgens de boekhouder van de onderneming - met als enig doel alcoholhoudende dranken te consumeren en aldus de uitvoering van zijn overeenkomst te onderbreken. Behalve het argument uitgeput uit de staat van alcoholintoxicatie van de getroffene, wordt er geen enkel argument aangevoerd op grond waarvan een dergelijke onderbreking als bewezen kan worden beschouwd. Het ongeval - de val die de getroffene maakte op het ogenblik dat hij besloot zijn kantoor te verlaten - wordt nog steeds vermoed te zijn veroorzaakt door de uitvoering van die overeenkomst, ook al werd achteraf vastgesteld dat hij zich in een staat van alcoholintoxicatie bevond."

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 7 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 1 april 2007) bepaalt: "Voor de toepassing van deze wet wordt als arbeidsongeval aangezien elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt" (eerste lid). "Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst" (tweede lid). Artikel 9 van die wet bepaalt: "Wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van het letsel een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt."

Wanneer, zoals te dezen, de getroffene of zijn rechthebbenden het bestaan van een letsel en een plotselinge gebeurtenis aantonen, wat een ongeval doet vermoeden, moeten zij daarenboven, om de bij de Arbeidsongevallenwet bedoelde vergoeding te verkrijgen, aantonen dat het aldus vermeende ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, zodat het ongeval vermoed wordt te zijn veroorzaakt door het feit van die uitvoering.

Na het voorleggen van de bewijzen mag er geen enkele twijfel bestaan over het feit dat het ongeval zich tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst heeft voorgedaan. Als er twijfel blijft bestaan over de vraag of het ongeval de getroffene zou zijn overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, moet die twijfel, krachtens artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, de arbeidsongevallenverzekeraar ten goede komen en in aanmerking worden genomen in het nadeel van de getroffene of diens rechthebbenden, die het bewijs van dat feit moeten leveren. In dat geval kunnen de getroffene of zijn rechthebbenden zich bijgevolg niet beroepen op het vermoeden van artikel 7, tweede lid, van de wet van 10 april 1971. Het ongeval doet zich voor tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als het zich voordoet op een ogenblik dat de werknemer onder het gezag van zijn werkgever stond, daar zijn persoonlijke vrijheid op dat ogenblik werd beperkt door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

Om te beslissen of het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, moet de rechter, met inaanmerkingneming van alle ter zake dienende omstandigheden en feitelijke gegevens, nagaan of de persoonlijke vrijheid van de getroffene op het ogenblik van het ongeval beperkt werd door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

In haar appelconclusie betoogde de eiseres te dezen dat niet was aangetoond dat het ongeval zich had voorgedaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en dat "de door (de eiseres) verzamelde gegevens (...) het tegendeel doen vermoeden: ten eerste werd (wijlen) P.F. na zijn werkdag bewusteloos aangetroffen, en dat had zo zijn redenen: het was immers bijna 7 uur ‘s avonds toen de boekhouder van de vennootschap hem aan de voet van de trap aantrof; ten tweede lijkt het gezien het late uur aannemelijk dat de taken die P.F. op 6 januari 2005 heeft verricht, waarschijnlijk eerder te maken hadden met zijn functie als bestuurder van de vennootschap dan met de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst ; op het ogenblik van de feiten stond P.F. waarschijnlijk niet meer onder het gezag - hoe virtueel ook - van zijn werkgever; daarenboven is het feit dat noch de heer A.F. noch mevrouw M.G. in het kantoor van de onderneming aanwezig waren, geen argument waaruit enigszins voorbarig en onterecht zou kunnen worden afgeleid dat het a fortiori weinig waarschijnlijk is dat P.F. daar ‘enige activiteit zou hebben uitgeoefend die verband hield met zijn bestuursfunctie'; ten derde moet er, gelet op de vastgestelde staat van dronkenschap (ter herinnering: alcoholintoxicatie van 3,4 gram op 6 januari 2005 om 20.12 uur en Gamma-GT-gehalte van 793 UI/L, wat lijkt te wijzen op chronisch alcoholmisbruik), zelfs aangenomen worden dat P.F. niet meer werkte en zijn handelingsvrijheid had herwonnen; gelet op de voormelde gegevens, moet worden aangenomen dat P.F. zichzelf kennelijk met opzet heeft bedronken"; "het late uur en het feit dat hij in zijn eentje alcohol heeft gedronken, wettigen de conclusie dat P.F. zijn handelingsvrijheid herwonnen had en dat hij, op dat ogenblik, ten opzichte van zijn werkgever in elk geval niet meer in een verhouding van ondergeschiktheid stond."

Het arrest beslist dat het ongeval "nog steeds wordt vermoed te zijn veroorzaakt door de uitvoering (van de arbeidsovereenkomst)", "niettegenstaande de achteraf vastgestelde graad van alcoholintoxicatie", op grond dat de onderbreking van de arbeidsovereenkomst niet "bewezen" is, in substantie omdat, P.F., die instond voor de leiding van de vennootschap, geen vaste werkuren had; hij vaak in de vooravond aanwezig was om, de kassa af te sluiten en na te tellen; het niet onmogelijk is dat hij, na de sluiting van de winkel, besloten heeft voort te werken in plaats van naar huis te gaan, waarna hij vertrokken is naar de persoon hem voor het avondmaal had uitgenodigd; aangezien het bij de getroffene gemeten Gamma-GT-gehalte schijnt te wijzen op chronisch alcoholmisbruik, "nietkan worden afgeleid dat hij verkozen zou hebben op de plaats van de arbeid te blijven (...) met als enige doel alcoholhoudende dranken te consumeren en aldus de uitvoering van zijn overeenkomst te onderbreken."

Nergens in de motivering sluit het arrest met zekerheid de door de eiseres aangevoerde mogelijkheid uit dat P.F. op het tijdstip van het ongeval, dat zich 55 minuten na de sluiting van de winkel heeft voorgedaan, de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst reeds had onderbroken, ofwel door activiteiten te verrichten die niets te maken hadden met de tussen hem en de vennootschap gesloten arbeidsovereenkomst maar wel met zijn functie van gedelegeerd bestuurder van die vennootschap, ofwel door overmatig drankgebruik, waardoor er in zijn bloed een alcoholgehalte van 3,4 gram werd aangetroffen. Aangezien de eiseres betwistte dat het ongeval zich tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst had voorgedaan, rustte de bewijslast voor het feit dat P.F., ondanks zijn functie van gedelegeerd bestuurder en het hoge alcoholgehalte in zijn bloed, op het ogenblik van het ongeval nog steeds zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde, op de verweersters.

Het arrest schendt bijgevolg de artikelen 1315, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, en 7 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

(...)

Gegrondheid

Luidens artikel 7, tweede lid, eerste zin, Arbeidsongevallenwet, wordt het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst.

De omstandigheid dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, moet worden bewezen, dat wil zeggen dat de rechter ervan overtuigd moet zijn dat het werkelijk dan heeft plaatsgevonden.

Het arrest stelt vast dat wijlen P.F., rechtsvoorganger van de verweersters, directeur-werknemer en gedelegeerd bestuurder was van één en dezelfde vennootschap en dat hij, na de sluiting van de winkel die door die vennootschap geëxploiteerd werd, in het gebouw van die vennootschap een dodelijke val heeft gemaakt.

Het arrest beslist dat P.F., wegens zijn functies, "geen vast werkrooster hoefde na te leven, wat door zijn vader is bevestigd", dat "[hij] vaak in de vooravond [aanwezig was] om met name de kassa af te sluiten en na te tellen", dat hij een paar minuten vóór zijn val "niet gejaagd klonk en zijn spraak op zijn gesprekspartner een ‘normale' indruk maakte", dat "het niet onmogelijk is dat hij, na de sluiting van de winkel, besloten had voort te werken in plaats van naar huis te gaan", dat "uit de staat van alcoholintoxicatie van de getroffene [...] op zich niet kan worden afgeleid dat hij verkozen zou hebben op de plaats van de arbeid te blijven [...] met als enige doel alcoholhoudende dranken te consumeren en aldus de uitvoering van zijn overeenkomst te onderbreken" en dat er, ten slotte, "met uitzondering van het argument geput uit de staat van alcoholintoxicatie van de getroffene, geen enkel argument wordt aangevoerd op grond waarvan een dergelijke onderbreking als bewezen kan worden beschouwd".

Uit die overwegingen volgt dat het arrest, om te beslissen dat het ongeval zich tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst heeft voorgedaan, nagaat of P.F. zijn activiteit en de uitvoering van de overeenkomst vanaf de sluiting van de winkel tot het ongeval ononderbroken heeft voortgezet en dat het arrest die omstandigheid niet als bewezen beschouwt maar ze enkel mogelijk acht.

Het arrest dat het vermoeden dat het ongeval zich heeft voorgedaan door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, afleidt uit de omstandigheid dat het ongeval tijdens die uitvoering heeft kunnen plaatsvinden, zonder dat het vaststelt dat die omstandigheid zich ook werkelijk dan heeft voorgedaan, schendt artikel 7, tweede lid, eerste zin, Arbeidsongevallenwet.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 5 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Ongeval tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst

  • Vermoeden