- Arrest van 13 december 2011

13/12/2011 - P.11.1948.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de rechter die kennis heeft genomen van de zaak ten gronde, later uitspraak doet over de uitvoering van de straf, neemt hij geen kennis van dezelfde zaak; de enkele omstandigheid dat een rechter die eerder de veroordeling heeft uitgesproken, later geroepen is uitspraak te doen over de uitvoering van die straf, heeft niet noodzakelijk voor gevolg dat daardoor bij die rechter een schijn van partijdigheid rijst noch dat deze ten aanzien van de veroordeelde vooringenomen is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1948.N

M V,

veroordeelde tot een vrijheidsstraf,

eiser,

met als raadsman mr. Benny Welkenhuysen, advocaat bij de balie te Leuven.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen van 7 november 2011.

De eiser voert in een memorie grieven aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM, artikel 14.3 IVBPR en artikel 332 Wetboek van Strafvordering: de strafuitvoeringsrechtbank heeft de eiser gehoord in het Nederlands, zonder zich ervan te vergewissen dat hij deze taal wel machtig was en zonder een tolk aan te wijzen.

2. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser, die bijgestaan was door zijn raadsman, voor de strafuitvoeringsrechtbank heeft aangevoerd dat hij het Nederlands niet voldoende machtig is en om de hulp van een tolk heeft gevraagd.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 151 Grondwet: een van de rechters die het bestreden vonnis hebben uitgesproken, maakte deel uit van de zetel die het vonnis van de correctionele rechtbank te Turnhout van 4 april 2007 heeft gewezen; aldus vervulde de strafuitvoeringsrechtbank niet alle waarborgen van onpartijdigheid.

4. De artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR zijn niet van toepassing voor de strafuitvoeringsrechtbank. Dit gerecht doet immers geen uitspraak over de gegrondheid van de strafvordering.

5. Wanneer de rechter die kennis heeft genomen van de zaak ten gronde, later uitspraak doet over de uitvoering van de straf, neemt hij geen kennis van dezelfde zaak.

De enkele omstandigheid dat een rechter die eerder de veroordeling heeft uitgesproken, later geroepen is uitspraak te doen over de uitvoering van die straf, heeft niet noodzakelijk voor gevolg dat daardoor bij die rechter een schijn van partijdigheid rijst noch dat deze ten aanzien van de veroordeelde vooringenomen is.

Het middel faalt naar recht.

Derde middel

6. Het middel voert schending aan van de artikelen 8 en 14 EVRM: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het feit dat de eiser in België zijn familie kwam bezoeken geen reden is om het Belgisch grondgebied te betreden; het recht op gezinshereniging houdt in dat de eiser in België mag verblijven.

7. Artikel 14 EVRM is vreemd aan de aangevoerde grief.

In zoverre faalt het middel naar recht.

8. Artikel 8.1 EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling."

Artikel 8.2 EVRM bepaalt: "Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

9. Bij vonnis van 8 november 2010 kent de strafuitvoeringsrechtbank aan de eiser de voorlopige invrijheidstelling toe met het oog op de verwijdering van het grondgebied mits naleving van voorwaarden, waaronder de verplichting gedurende tien jaar vanaf de uitvoering van dat vonnis niet in België aanwezig te zijn, behalve indien de eiser voor het gerecht aanwezig moet zijn. Het bij deze beslissing aan de eiser opgelegde verbod het Belgisch grondgebied te betreden is een maatregel die voortvloeit uit de verwijdering van het grondgebied en bijgevolg overeenkomstig artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering is genomen. Zij kan in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten.

10. Het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser het recht niet had het Belgisch grondgebied te betreden en herroept op die grond eisers voorlopige hechtenis met het oog op de verwijdering van het grondgebied. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

Ambtshalve onderzoek

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 5,31 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 13 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Strafuitvoeringsrechtbank

  • Rechter die kennis nam van de zaak ten gronde

  • Zelfde rechter die uitspraak doet over de strafuivoering