- Arrest van 16 december 2011

16/12/2011 - D.11.0014.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de vraag rijst of artikel 9, §7, vierde lid, van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, gecodificeerd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2007 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet schendt doordat het de regels die gelden in burgerlijke zaken toepasselijk maakt op de rechtspleging van het cassatieberoep dat ingesteld wordt tegen een tuchtrechtelijke beslissing die gewezen is door een kamer van beroep van een beroepsinstituut waarop die wet van toepassing is, zodat voornoemd cassatieberoep onder de toepassing valt van de artikelen 478, eerste lid, en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek die het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie opleggen terwijl een persoon die strafrechtelijk veroordeeld is, die verplichting niet heeft, dient het Hof, krachtens artikel 26, §2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, die vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011 nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.11.0014.F

J.-C. M.,

Mr. Juan Castiaux, advocaat bij de balie van Brussel,

tegen

BEROEPSINSTITUUT VAN VASTGOEDMAKERLAARS,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van 26 april 2011 van de kamer van beroep met het Frans als voertaal van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Betreffende het middel van niet-ontvankelijkheid dat door de verweerder tegen het cassatieberoep is opgeworpen: het verzoekschrift is niet ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie

Krachtens artikel 9, § 7, vierde lid, van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, gecodificeerd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2007, wordt de rechtspleging van het cassatieberoep dat kan worden ingesteld tegen een definitieve beslissing van een kamer van beroep van een bedrijfsinstituut waarvan de organisatie en de werking door die wet worden bepaald, geregeld zoals in burgerlijke zaken.

Artikel 478, eerste lid, Gerechtelijk wetboek bepaalt dat voor het Hof van Cassatie in burgerlijke zaken alleen advocaten kunnen optreden en conclusies nemen, die de titel van advocaat bij het Hof van Cassatie voeren.

Volgens artikel 1080 van dat wetboek wordt het verzoekschrift waarbij cassatieberoep wordt ingesteld, op straffe van nietigheid, zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie ondertekend.

In deze zaak is het verzoekschrift waarbij het cassatieberoep wordt ingesteld, niet ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie.

De eiser houdt staande dat, daar hij het Hof een beslissing wil voorleggen die hem de schrapping als tuchtstraf oplegt, de verplichting om een beroep te doen op een advocaat bij het Hof zijn toegang tot de cassatierechter op onevenredige wijze belemmert.

Gelet op de opdracht van die rechter en op de specifieke kenmerken van de rechtspleging voor die rechter, staat artikel 6.1 en 6.3.c, EVRM niet in de weg aan de toepassing van een nationale wet die het alleenrecht van de vertegenwoordiging van de partijen voor het Hof van Cassatie uitsluitend toekent aan gespecialiseerde advocaten.

Het optreden van die advocaten draagt trouwens bij tot de passende uitoefening van het recht van verdediging, maakt van het cassatieberoep een daadwerkelijk rechtsmiddel en verleent de rechtzoekende de fundamentele waarborgen van artikel 6 van het Verdrag.

De eiser voert voorts aan dat aangezien zijn toestand, gelet op de ernst van de tegen hem uitgesproken tuchtstraf, vergeleken kan worden met die van een persoon tegen wie een strafvervolging is ingesteld, waarvoor de wet geen bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie oplegt, artikel 9, § 7, vierde lid, van de kaderwet van 3 augustus 2007, dat, door het cassatieberoep te onderwerpen aan de regels die in burgerlijke zaken gelden, hem die bijstand oplegt, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, zoals ze worden uitgelegd in het licht van artikel 6.1 en 6.3.c, EVRM.

Dat verweer mist, zoals gezegd, elke grondslag in zoverre het op die verdragsbepalingen steunt.

Voor het overige doet het Grondwettelijk Hof, overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 Grondwet.

Krachtens artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, dient het Hof de in het dictum van dit arrest weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Dictum

Het Hof,

Houdt de uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof de onderstaande prejudiciële vraag zal hebben beantwoord:

Schendt artikel 9, § 7, vierde lid, van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, gecodificeerd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2007 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de regels die gelden in burgerlijke zaken toepasselijk maakt op de rechtspleging van het cassatieberoep dat ingesteld wordt tegen een tuchtrechtelijke beslissing die gewezen is door een kamer van beroep van een beroepsinstituut waarop die wet van toepassing is, zodat voornoemd cassatieberoep onder de toepassing valt van de artikelen 478, eerste lid, en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek die het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie opleggen terwijl een persoon die strafrechtelijk veroordeeld is, die verplichting niet heeft?

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 16 december 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck , in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De waarnemend eerste voorzitter,

Vrije woorden

  • Beroepsinstituut

  • Tuchtrechtelijke beslissing

  • Cassatieberoep

  • Verplichting een beroep te doen op een advocaat bij het Hof van Cassatie

  • Bestaanbaarheid met de Grondwet

  • Grondwettelijk Hof

  • Prejudiciële vraag