- Arrest van 19 december 2011

19/12/2011 - C.10.0587.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van de partij die zich verbindt, vereist dat zij kan kennisnemen van de bedingen waarvoor die toestemming vereist is (1). (1) Het O.M. concludeerde tot verwerping van het tweede middel, in zoverre het O.M. oordeelde dat het bestreden vonnis zijns inziens afdoend had aangetoond dat de patiënt kennisgenomen had van de algemene voorwaarden.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0587.F

G. M.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

VIVALIA bvba,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis dat op 11 juni 2010 in laatste aanleg is gewezen door de vrederechter van het kanton Bastenaken.

De zaak is bij beschikking van 20 september 2011 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan, waarvan de eerste twee gesteld zijn als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 8, § 1, 2 en 3, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt ;

- artikel 30 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008 ;

- de artikelen 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek ;

- artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, en algemeen beginsel, beschikkingsbeginsel genaamd ;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiseres "betwist dat zij het saldo" van de litigieuze facturen "verschuldigd is", op grond dat die facturen betrekking hebben op "'honoraria' die van haar geëist worden voor prestaties van klinische biologie die niet gedekt worden door de verplichte ziekteverzekering, dat zij niet op de hoogte werd gebracht van het feit dat die prestaties niet werden terugbetaald en dat zij daarom meent dat de voorafgaande noodzakelijke informatie, bedoeld in artikel 8 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, niet werd verstrekt, zodat zij aan de (verweerster) geen enkel bedrag verschuldigd is en de vordering dus ongegrond verklaard moet worden", en veroordeelt de eiseres vervolgens om aan de verweerster een bedrag van 98,08 euro in hoofdsom te betalen, naast de kosten, om de volgende redenen:

"Hoofdstuk III van de wet van 22 augustus 2002 betreft de ‘rechten van de patiënt' : artikel 5 legt het recht van de patiënt vast op kwaliteitsvolle dienstverstrekking die beantwoordt aan zijn behoeften, artikel 6 betreft het recht van de patiënt om vrij de beroepsbeoefenaar te kiezen, artikel 7 heeft betrekking op het recht van de patiënt om alle informatie te ontvangen die nodig is om inzicht te krijgen in zijn gezondheidstoestand en in de vermoedelijke evolutie ervan, artikel 8 betreft het recht van de patiënt om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij in te stemmen met iedere ingreep van de beroepsbeoefenaar, waarbij de toestemming uitdrukkelijk gebeurt en schriftelijk kan worden vastgelegd op verzoek van de patiënt of van de beroepsbeoefenaar;

Artikel 8, § 2, bepaalt welke voorafgaande inlichtingen verstrekt moeten worden inzake verzorging, behandeling, risico's, enz., met ‘het oog op het verlenen van de toestemming' door de patiënt, maar die inlichtingen betreffen ook 'de financiële gevolgen';

De patiënt, die recht op informatie heeft, stemt dus vóór ‘elke ingreep' uitdrukkelijk hiermee in en weet dus wat die ingreep hem ‘zal kosten';

De wet verplicht de beroepsbeoefenaar niet een ‘bestek van verzorging en technische prestaties' met een prijsopgave op te maken;

Het laboratorium voor klinische biologie van de (verweerster) heeft te dezen de onderzoeken uitgevoerd die op 21 november 2008 door de voorschrijvende arts zijn voorgeschreven en die voor de hospitalisatieperiode van 13 en 14 oktober 2008 zijn gefactureerd als een gedeelte van de honoraria die de geneesheer heeft aangerekend voor zijn diagnostische en therapeutische prestaties;

De (eiseres) heeft, met het oog op haar ziekenhuisopname, bij de (verweerster) een voorschrijvende arts gekozen; een biologisch onderzoek bleek noodzakelijk; toen de (eiseres) voor een ziekenhuisopname koos en deze onderging, wist zij maar al te goed dat een biologisch onderzoek noodzakelijk zou zijn, zij heeft met die ingreep vrij ingestemd en hoewel zij niet uitdrukkelijk haar toestemming heeft gegeven met eventuele schriftelijke toestemming achteraf, geldt hier het beginsel dat uitdrukkelijke toestemming niet vereist is;

Artikel 8, § 1, tweede lid, van de wet bepaalt immers wat volgt : "deze toestemming wordt uitdrukkelijk gegeven behalve wanneer de beroepsbeoefenaar, na de patiënt voldoende te hebben geïnformeerd, uit de gedragingen van de patiënt redelijkerwijze diens toestemming kan afleiden"; de toestemming die uitdrukkelijk gegeven wordt na de voorafgaande informatie, wordt in dit geval vervangen door een stilzwijgende toestemming, die afgeleid wordt uit het gedrag van de patiënt, daar de (eiseres) voldoende werd geïnformeerd door de beroepsbeoefenaar [die zij] bij de (verweerster) heeft geraadpleegd;

Het wordt dus wettelijk aanvaard dat de geraadpleegde arts zijn informatieplicht ten aanzien van de patiënt, met name de (eiseres), voldoende is nagekomen; het tegenovergestelde zou heel wat onzekerheid doen ontstaan omtrent de prestaties en de diensten die aan patiënten verstrekt worden, als laatstgenoemden hun uitdrukkelijke of schriftelijke toestemming niet gegeven hebben; er zouden misbruiken ontstaan doordat de kosten van de verstrekte prestaties en verzorging opnieuw zouden worden betwist; de betwisting van de (eiseres) blijkt niet gerechtvaardigd;

De (eiseres) is, als patiënte die prestaties in een ziekenhuis heeft ontvangen, heel goed op de hoogte van haar betalingsplicht en van het beginsel volgens hetwelk de diensten en de verzorging gefactureerd worden; het lijkt ondenkbaar en technisch ondoenbaar dat de patiënt voor elke prestatie of dienst met de zorgverstrekker zou onderhandelen over de betalingsvoorwaarden en de toepassing van bedingen; de facturen moeten snel betaald worden; de diensten en verzorging die in ziekenhuizen verstrekt worden, zijn onontbeerlijk voor de maatschappij en vertegenwoordigen, door hun kostprijs, een sociale last; wanneer de patiënt voor die diensten en die verzorging kiest, aanvaardt hij ook stilzwijgend de betalingsvoorwaarden en -modaliteiten; het is niet de taak van de maatschappij om de kosten te dragen van onbetaalde facturen of van wanbetalingen".

Grieven

Krachtens artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, heeft laatstgenoemde het recht om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere ingreep van de beroepsbeoefenaar. Die toestemming wordt uitdrukkelijk gegeven, behalve wanneer de beroepsbeoefenaar, na de patiënt voldoende te hebben geïnformeerd, uit de gedragingen van de patiënt redelijkerwijze diens toestemming kan afleiden.

Volgens artikel 8, § 2, van die wet, hebben de inlichtingen die aan de patiënt verstrekt worden, met het oog op het verlenen van diens toestemming bedoeld in § 1, betrekking op, met name, de financiële gevolgen van de geplande ingreep of behandeling. Artikel 8, § 3, bepaalt dat de in de eerste paragraaf bedoelde inlichtingen voorafgaandelijk en tijdig worden verstrekt.

Volgens artikel 30 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008 (oud artikel 17novies van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen, ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt), moet ieder ziekenhuis, binnen zijn wettelijke mogelijkheden, de bepalingen van de voormelde wet naleven wat betreft de medische, verpleegkundige en andere aspecten van de gezondheidszorg in zijn rechtsverhoudingen jegens de patiënt. Bovendien waakt ieder ziekenhuis erover dat ook de beroepsbeoefenaars die er niet op basis van een arbeidsovereenkomst of een statutaire benoeming werken, de rechten van de patiënt eerbiedigen.

De arts moet de patiënt over de geplande ingreep informeren omdat hij zijn vrije en geïnformeerde toestemming moet verkrijgen vóór hij die ingreep kan uitvoeren. Wanneer er geen sprake is van dringende noodzaak, heeft de toestemming van de patiënt - de hoofdvoorwaarde waaraan elke therapeutische ingreep moet voldoen en die voortvloeit uit het fundamenteel recht op bescherming van de fysieke integriteit - slechts zin en is ze slechts effectief indien de patiënt vooraf volledig is ingelicht. Daarom bepaalt de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt dat laatstgenoemde het recht heeft geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij in te stemmen met iedere ingreep en somt die wet alle inlichtingen op die hem verstrekt moeten worden zodat hij met die ingreep kan instemmen. De voorlichting van de patiënt heeft immers tot doel zijn geldige toestemming te verkrijgen.

Het feit dat, als er geen dringende noodzaak bestaat, de stilzwijgende of impliciete toestemming van de zieke volstaat, mits die toestemming vaststaat, neemt niet weg dat laatstgenoemde toch nog voorafgaandelijk voldoende geïnformeerd moet worden in de zin van artikel 8, § 2, van de voormelde wet. Krachtens artikel 8, § 1, tweede lid, van die wet, moet de arts de patiënt immers voldoende geïnformeerd hebben vóór hij, in voorkomend geval, uit zijn gedragingen mag afleiden dat hij met de ingreep instemt. De vraag of de eiseres in dit geval geldig, op impliciete wijze, heeft ingestemd met de litigieuze handelingen, is met andere woorden onlosmakelijk verbonden met de vraag of haar vóór de ingreep voldoende inlichtingen werden verstrekt in het licht van de in het voormelde artikel 8, § 2, opgesomde elementen.

‘De financiële gevolgen' van de geplande behandeling of ingreep betreffen, in de zin van die bepaling, de honoraria, de remgelden, de toeslagen ten laste van de patiënt, het feit dat de beroepsbeoefenaar al dan niet een overeenkomst met een ziekenfonds heeft gesloten, met andere woorden alle financiële aspecten van die behandeling of ingreep. De patiënt kan pas een geldige beslissing nemen indien hij vooraf, binnen de mate van het mogelijke, is ingelicht over de totaalprijs van de hem voorgestelde of voorgeschreven behandeling en indien hij van de arts of van het ziekenhuis alle dienstige inlichtingen heeft ontvangen over de factuur die hij mag verwachten. Hij moet met name gewezen worden op het feit dat de hem voorgestelde handelingen al dan niet terugbetaald zullen worden.

Hieruit valt het volgende af te leiden:

Eerste onderdeel

Indien het bestreden vonnis, dat geen dringende noodzaak vaststelt, in die zin moet worden gelezen dat het beslist dat de voorschrijvende ziekenhuisarts niet verplicht is de patiënt te informeren over de financiële gevolgen van de behandeling die hij voorschrijft, omdat het ondenkbaar en technisch ondoenbaar zou zijn dat de patiënt voor elke prestatie of dienst met de zorgverstrekker zou onderhandelen over de betalingsvoorwaarden, en dat de patiënt, wanneer hij voor een ziekenhuisopname kiest en deze ondergaat, stilzwijgend de betalingsvoorwaarden en -modaliteiten aanvaardt door toetreding, dan schendt het artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, § 2 en 3, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, alsook artikel 30 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008.

Tweede onderdeel

Indien het bestreden vonnis, dat niet vaststelt dat de litigieuze handelingen dringend waren, in die zin moet worden gelezen dat uit het feit dat een patiënt voor een ziekenhuisopname kiest en deze ondergaat, afgeleid kan worden dat hij geïnformeerd instemt met alle behandelingen die hem zijn voorgeschreven, ook al werd hij niet geïnformeerd over alle financiële gevolgen, dan schendt dat vonnis, in die uitlegging, ook artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, § 2 en 3, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, alsook artikel 30 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008.

Derde onderdeel

In haar geschrift, dat als conclusie geldt, betoogde de eiseres dat zij "niet op de hoogte was gebracht van het feit dat" de litigieuze prestaties van klinische biologie "niet terugbetaald werden", en "evenmin van het bedrag van de kosten die te haren laste konden vallen", en leidde zij hieruit af dat zij "dus niet voldoende was ingelicht om een geïnformeerde toestemming te kunnen geven".

De verweerster had niet betoogd dat de eiseres op de hoogte was gebracht van de kostprijs van de litigieuze biologische onderzoeken, maar had betoogd dat "(de eiseres), indien (zij) had willen weten of de verzorging terugbetaald werd, die vraag aan de voorschrijvende arts had moeten stellen op het ogenblik dat hij de betwiste prestaties voorschreef".

Indien de overweging in het bestreden vonnis, dat "de patiënt, die recht op informatie heeft, dus vóór ‘elke ingreep' uitdrukkelijk hiermee instemt en dus weet wat die ingreep hem 'zal kosten'", betekent dat de voorschrijvende arts de eiseres had ingelicht over de kostprijs van de ingreep, gelet op het feit dat de litigieuze prestaties niet terugbetaald werden, miskent het vonnis de bewijskracht van de conclusie van de partijen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en werpt het een geschil op dat de partijen in hun conclusie hadden uitgesloten (schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, dat hierin is vastgelegd).

Vierde onderdeel

Buiten het geval van dringende noodzaak, kan de stilzwijgende toestemming van de patiënt tot de voor een ingreep vereiste handelingen weliswaar worden afgeleid uit zijn toestemming tot die ingreep, maar dan alleen op voorwaarde dat hij voor die toestemming voldoende inlichtingen heeft verkregen, dus ook over de financiële gevolgen van die ingreep.

Het feit dat de eiseres voldoende geïnformeerd werd, wat zij betwist, kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat zij "voor een ziekenhuisopname heeft gekozen" en deze heeft ondergaan.

Indien het bestreden vonnis uit die omstandigheid afleidt dat de eiseres geïnformeerd heeft ingestemd met de ingreep, na voldoende informatie te hebben ontvangen over de financiële gevolgen van die ingreep, en daaruit tevens afleidt dat zij stilzwijgend en geïnformeerd heeft ingestemd met de litigieuze prestaties, miskent het vonnis het wettelijk begrip "vermoeden" en schendt het de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek alsook artikel 8, § 1, 2 en 3, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en artikel 30 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.

Vijfde onderdeel

Geen enkele partij had betoogd dat de eiseres "maar al te goed wist dat een biologisch onderzoek noodzakelijk zou zijn".

Het bestreden vonnis, dat op grond daarvan beslist dat de eiseres stilzwijgend heeft ingestemd met dat onderzoek, werpt ambtshalve een feitelijk middel op zonder een heropening van het debat te bevelen om de eiseres in staat te stellen hierover verweer te voeren, en miskent bijgevolg het algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Daarenboven kan noch uit het feit dat een patiënt een ziekenhuisopname aanvaardt, noch uit het feit dat hij met het oog op die opname een arts kiest, worden afgeleid dat die patiënt "maar al te goed wist dat een biologisch onderzoek noodzakelijk zou zijn". Het bestreden vonnis miskent derhalve het wettelijk begrip "vermoeden" (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1108 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek ;

- artikel 98 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis wijst de rechtsvordering van de verweerster toe, die ertoe strekt "de (eiseres) te doen veroordelen tot het betalen van het saldo van de facturen (...) betreffende de verzorging en diensten die haar zijn verstrekt (...) tijdens haar opname in de "'clinique du Sud Luxembourg' te Aarlen van 13 tot 14 oktober 2008 (...), vermeerderd met de conventionele interest en de forfaitaire vergoeding van 25 euro", en veroordeelt de eiseres om aan de verweerster een hoofdsom van 98,08 euro te betalen, bovenop de kosten, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en, inzonderheid, op grond dat "de (eiseres), als patiënte die prestaties in een ziekenhuis heeft ontvangen, heel goed op de hoogte is van haar betalingsplicht en van het beginsel volgens hetwelk de diensten en de verzorging gefactureerd worden; het lijkt ondenkbaar en technisch ondoenbaar dat de patiënt voor elke prestatie of dienst met de zorgverstrekker zou onderhandelen over de betalingsvoorwaarden en de toepassing van bedingen; de facturen moeten snel betaald worden; de diensten en verzorging die in ziekenhuizen verstrekt worden, zijn onontbeerlijk voor de maatschappij en vertegenwoordigen, door hun kostprijs, een sociale last; wanneer de patiënt voor die diensten en die verzorging kiest, aanvaardt hij ook stilzwijgend de betalingsvoorwaarden en -modaliteiten; het is niet de taak van de maatschappij om de kosten te dragen van onbetaalde facturen of van wanbetalingen".

Grieven

In ondergeschikte orde betwistte de eiseres dat de algemene voorwaarden van de verweerster, waaronder het strafbeding en de moratoire interest die van haar gevorderd werd, haar konden worden tegengeworpen, op grond dat zij die voorwaarden niet had aanvaard, uiterlijk op het ogenblik dat de overeenkomst werd gesloten, dat wil zeggen op het ogenblik dat zij in het ziekenhuis werd opgenomen. Die algemene voorwaarden zijn haar immers pas ter kennis gebracht bij de ontvangst van de litigieuze factuur.

Krachtens de artikelen 1108 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek moeten de partijen bij een overeenkomst het vooraf eens worden over de precieze inhoud van die overeenkomst. Zo impliceert het vereiste van een daadwerkelijke instemming onder meer dat wordt nagegaan of de door een van de partijen bedongen voorwaarden wel degelijk contractueel zijn vastgelegd, wat veronderstelt dat die voorwaarden op een passende wijze en tijdig ter kennis zijn gebracht van de partij aan wie men ze wil tegengeworpen.

Artikel 98 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, bepaalt dat de bedragen die ten laste vallen van de patiënt (supplementen, kosten voor bijkomende leveringen en diverse kosten) hem vooraf moeten worden medegedeeld en hem ter ondertekening moeten worden voorgelegd. Het derde lid van die bepaling preciseert dat elke informatie of clausule in een ander document dan het voormelde document die strijdig is met de informatie gegeven in dat document of die bedragen ten laste van de patiënt bevat die niet overeenstemmen met de bedragen opgenomen in het hem ter ondertekening voorgelegde document, nietig is.

Uit die bepalingen kan worden afgeleid dat de algemene voorwaarden van een ziekenhuisinstelling - met inbegrip van de "betalingsvoorwaarden en -modaliteiten" van die facturen - daadwerkelijk aan de patiënt ter kennis moeten zijn gebracht op het ogenblik dat de overeenkomst wordt gesloten.

Het bestreden vonnis, dat niet vaststelt dat de algemene voorwaarden, die voorzien in een strafbeding in de vorm van een forfaitaire vergoeding en in een conventionele interest van 12 pct., de eiseres bij haar opname in het ziekenhuis ter kennis zijn gebracht en die haar veroordeelt tot het betalen van die meerkosten en van die interest, op grond dat "de patiënt ervoor gekozen heeft" "in een ziekenhuis diensten en verzorging te ontvangen", waardoor hij "stilzwijgend de betalingsvoorwaarden en -modaliteiten door toetreding aanvaardt", terwijl de overeenkomst die voorziet in medische diensten of in diensten in een ziekenhuis niet als een toetredingsovereenkomst kan worden aangemerkt, schendt de in het middel bedoelde wettelijke bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste en tweede onderdeel samen

In tegenstelling tot wat in die onderdelen wordt beweerd, beslist het bestreden vonnis niet dat de voorschrijvende ziekenhuisarts geen informatieplicht heeft en evenmin dat de patiënt die voor een ziekenhuisopname kiest, met alle voorgeschreven handelingen geïnformeerd instemt, zelfs als hij niet van alle financiële gevolgen op de hoogte werd gebracht, maar beslist het wel dat de "toestemming die uitdrukkelijk gegeven wordt na de voorafgaande informatie, in dit geval vervangen wordt door een stilzwijgende toestemming, die afgeleid wordt uit het gedrag van de patiënt, daar de (eiseres) voldoende werd geïnformeerd door de beroepsbeoefenaar [die zij] bij de [verweerster] heeft geraadpleegd" en dat "het dus wettelijk wordt aanvaard dat de geraadpleegde arts zijn informatieplicht ten aanzien van de patiënt, met name de [eiseres], voldoende is nagekomen".

De onderdelen missen feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

Door de overweging dat "de patiënt, die recht op informatie heeft, dus vóór ‘elke ingreep' uitdrukkelijk hiermee instemt en dus weet wat die ingreep hem ‘zal kosten'", legt het bestreden vonnis artikel 8, § 1 en 2, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt uit, zonder dat het zich daarvoor baseert op de conclusies van de partijen; het miskent derhalve niet de bewijskracht van die conclusies en werpt geen enkele betwisting op die door die conclusies zijn uitgesloten.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

Zoals uit het antwoord op de eerste twee onderdelen blijkt, leidt het bestreden vonnis de beslissing dat de eiseres voldoende informatie heeft ontvangen, in tegenstelling tot wat het onderdeel betoogt, niet af uit de omstandigheid dat zij "voor een ziekenhuisopname heeft gekozen", maar beslist het dat de "toestemming die uitdrukkelijk gegeven wordt na de voorafgaande informatie, in dit geval vervangen wordt door een stilzwijgende toestemming, die afgeleid wordt uit het gedrag van de patiënt, daar de (eiseres) voldoende werd geïnformeerd door de beroepsbeoefenaar [die zij] bij de [verweerster] heeft geraadpleegd" en dat "het dus wettelijk wordt aanvaard dat de geraadpleegde arts zijn informatieplicht ten aanzien van de patiënt, met name de [eiseres], voldoende is nagekomen".

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

De verweerster heeft in haar conclusie betoogd dat de litigieuze onderzoeken waren voorgeschreven door de arts, die zij daartoe de opdracht had gegeven, dat de eiseres, toen zij op de hoogte werd gebracht van het feit dat bepaalde onderzoeken haar zouden worden aangerekend, niet gereageerd had en dat er tussen het voorschrift en de onderzoeken een zekere tijd was verlopen, maar dat zij in die periode geen enkele vraag over de voorgeschreven onderzoeken had gesteld.

Hieruit blijkt dat de vrederechter heeft kunnen beslissen dat de eiseres "maar al te goed wist dat een biologisch onderzoek noodzakelijk zou zijn", zonder dat hij het debat hoefde te heropenen.

Door aldus te beslissen, heeft hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen gemaakt die, op grond van die feiten, geenszins te verantwoorden zijn.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Krachtens artikel 1108 Burgerlijk Wetboek is de toestemming van de partij die zich verbindt een grondvoorwaarde voor de geldigheid van een overeenkomst.

Die uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming vereist op zijn minst dat de partijen kunnen kennisnemen van de bedingen waarvoor die toestemming vereist is.

Het bestreden vonnis beslist dat de eiseres, "als patiënte die prestaties in een ziekenhuis heeft ontvangen, heel goed op de hoogte is van haar betalingsplicht en van het beginsel volgens hetwelk de diensten en de verzorging gefactureerd worden ; het lijkt ondenkbaar en technisch ondoenbaar dat de patiënt voor elke prestatie of dienst met de zorgverstrekker zou onderhandelen over de betalingsvoorwaarden en de toepassing van bedingen; de facturen moeten snel betaald worden; de diensten en verzorging die in ziekenhuizen verstrekt worden, zijn onontbeerlijk voor de maatschappij en vertegenwoordigen, door hun kostprijs, een sociale last ; wanneer de patiënt voor die diensten en die verzorging kiest, aanvaardt hij ook stilzwijgend de betalingsvoorwaarden en -modaliteiten ; het is niet de taak van de maatschappij om de kosten te dragen van onbetaalde facturen of van wanbetalingen", maar stelt niet vast dat de eiseres op de hoogte was van de algemene voorwaarden, die voorzien in een strafbeding in de vorm van een forfaitaire vergoeding en in een conventionele interest van 12 pct., of daarvan heeft kunnen kennisnemen. Het verantwoordt aldus zijn beslissing, waarbij het de eiseres veroordeelt tot de betaling van die vergoeding en die interest, niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het derde middel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het de eiseres veroordeelt om de conventionele interest en de forfaitaire vergoeding van 25 euro te betalen en in zoverre het uitspraak doet over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten, houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de vrederechter van het kanton Saint-Hubert.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 19 december 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Biologisch onderzoek

  • Voorschrijvende arts

  • Facturering

  • Algemene voorwaarden

  • Kennisname