- Arrest van 20 december 2011

20/12/2011 - P.11.1981.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet, dat bepaalt dat de vrijheidsbeneming in geen geval langer mag duren dan vierentwintig uren, is een regel met algemene draagwijdte die ook van toepassing is op een minderjarige (1). (1) Cass. 15 mei 2002, AR P.02.0507.F, AC, 2002, nr. 296.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1981.N

D M,

minderjarige,

eiser,

met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie te Dendermonde,

in aanwezigheid van

1. A M,

2. B M,

ouders van de minderjarige.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, jeugdkamer, van 7 november 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 12 Grondwet en de artikelen 1, 1°, en 2 Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vereiste dat de minderjarige niet meer dan vierentwintig uren van zijn vrijheid is beroofd, niet is miskend; een maatregel van voorlopige bewaring als bedoeld in de artikelen 52 en volgende Jeugdbeschermingswet is een maatregel van vrijheidsbeneming waarover de jeugdrechter binnen de vierentwintig uren na de vrijheidsberoving moet beslissen; dit vereiste kan niet worden omzeild door de minderjarige kort vóór het einde van de termijn van vierentwintig uren vrij te laten om hem nadien opnieuw aan te houden teneinde hem een bewaringsmaatregel op te leggen.

De eiser verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt artikel 1, 1° en 2 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis artikel 12 Grondwet en artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in zoverre het kan worden geïnterpreteerd in die zin dat er meerdere periodes van vierentwintig uren kunnen worden begonnen door een kortstondige vrijlating, zonder een in die tussentijd naar boven gekomen element ten laste van de dader?"

2. Artikel 12, derde lid, Grondwet bepaalt dat, behalve bij ontdekking op heterdaad, niemand kan worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen de vierentwintig uren.

Artikel 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet, die een regel met algemene draagwijdte is en bijgevolg ook van toepassing is op de minderjarige, bepaalt dat de vrijheidsbeneming in geen geval langer mag duren dan vierentwintig uren.

3. Uit deze bepalingen volgt dat wanneer de jeugdrechter ten aanzien van een minderjarige naar aanleiding van het plegen van een als misdrijf omschreven feit een voorlopige maatregel neemt die, alhoewel hij de bewaring, de behoeding en de opvoeding van de minderjarige beoogt, gepaard gaat met zijn vrijheidsberoving, zoals de voorlopige plaatsing in een gesloten instelling als bedoeld in de artikelen 37, § 2, 8°, 37, § 2quater en 52quater Jeugdbeschermingswet, die beslissing hem moet betekend worden binnen vierentwintig uren na zijn aanhouding.

4. Wanneer de minderjarige binnen die termijn in vrijheid wordt gesteld, kan de jeugdrechter nadien dergelijke maatregel voor de feiten die aanleiding gegeven hebben tot zijn aanhouding, slechts nemen voor zover sinds de invrijheidstelling nieuwe of ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken.

5. Het arrest bevestigt de beroepen beschikking die eisers voorlopige plaatsingsmaatregel in een gesloten instelling beslist overeenkomstig de artikelen 37, § 2, 8°, 37, § 2quater, en 52quater Jeugdbeschermingswet. Het oordeelt dat de eiser valt onder de toepassing van artikel 37, § 2quater, van die wet.

In antwoord op eisers verweer dat de voorlopige plaatsingsmaatregel niet genomen werd binnen vierentwintig uren na zijn vrijheidsberoving, oordeelt het arrest ook dat:

- de zaak regelmatig bij de jeugdrechter aanhangig gemaakt werd bij vordering van 26 oktober 2011 van het openbaar ministerie, genomen met toepassing van artikel 36, 4°, Jeugdbeschermingswet;

- hier geen sprake is van opeenvolgende administratieve aanhoudingen maar dat de eiser voor de jeugdrechter enkel geleid werd om zich te kunnen verdedigen over een al of niet te nemen voorlopige maatregel.

6. Met die redenen noch met zijn andere redenen stelt het arrest vast dat de beschikking van de jeugdrechter aan de eiser werd betekend binnen vierentwintig uren na zijn vrijheidsberoving noch dat sinds zijn invrijheidstelling nieuwe of ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, jeugdkamer, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten op 97,45 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 20 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Termijn van vierentwintig uren