- Arrest van 20 december 2011

20/12/2011 - P.11.1912.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit de artikelen 19bis en 19ter Wet Bescherming Maatschappij volgt dat de beslissing van de Hoge Commissie tot Bescherming van de Maatschappij tot behoud van de internering in een welbepaalde inrichting, die slechts een uitvoeringsmodaliteit van de internering uitmaakt, niet vatbaar is voor cassatieberoep (1). (1) Cass. 2 juni 2009, AR P.09.0586.N, AC, 2009, nr. 367; Cass. 2 juni 2009, AR P.09.0735.N, AC, 2009, nr. 368.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1912.N

E J E V D B,

geïnterneerde,

eiser,

met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij van 30 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Krachtens artikel 19bis, eerste en tweede lid, Wet Bescherming Maatschappij kan de advocaat van de geïnterneerde tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om invrijheidstelling, binnen vijftien dagen na de kennisgeving van die beslissing, hoger beroep instellen bij de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij.

2. Krachtens artikel 19ter Wet Bescherming Maatschappij kan alleen door de advocaat van de geïnterneerde cassatieberoep worden ingesteld tegen een door de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij genomen beslissing die de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot invrijheidstelling van de geïnterneerde bevestigt of die het verzet van de procureur des Konings tegen de beslissing tot invrijheidstelling van de geïnterneerde gegrond verklaart.

3. Uit die bepalingen volgt dat de beslissing tot behoud van de internering in een welbepaalde inrichting, die slechts een uitvoeringsmodaliteit van de internering uitmaakt, niet vatbaar is voor cassatieberoep.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Middel

4. Het middel voert aan dat de bestreden beslissing niet nagaat of eisers detentie aangepast is aan zijn geestestoestand en de redelijke termijn in afwachting van het overbrengen van de eiser naar een geschikte instelling al dan niet overschreden is; overeenkomstig artikel 5.1 en 5.4 EVRM moet de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij, die een nationale instantie is voor dewelke de geïnterneerde daadwerkelijke rechtshulp kan krijgen, dit nochtans nagaan.

De eiser verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt de wet van 9 april 1930 tot Bescherming van de Maatschappij artikel 5.1 en artikel 5.4 EVRM, gelezen in samenhang met artikel 10 en 11 Grondwet, nu deze wet niet bepaalt wat de maximaal toegelaten redelijke termijn is dat een geïnterneerde geesteszieke delictpleger in aan zijn geestesziekte onaangepaste omstandigheden mag worden opgesloten, en nu deze wet geen sanctie voorziet eens deze maximaal toegelaten redelijke termijn overschreden is?"

5. Artikel 5.1 EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in een van de navolgende gevallen en langs wettelijke weg: (...) e) in het geval van rechtmatige gevangenhouding (...) van geesteszieken (...)".

Artikel 5.4 EVRM bepaalt: "Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is."

6. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat:

- de "rechtmatigheid" niet alleen de gevangenhouding zelf maar ook haar verdere tenuitvoerlegging betreft;

- de gevangenhouding in overeenstemming moet zijn, niet alleen met het interne recht maar ook met de limitatief bepaalde gronden van artikel 5.1 EVRM teneinde elke vorm van willekeur te voorkomen en er een band tussen die gronden en de plaats en wijze waarop de gevangenhouding geschiedt, moet bestaan;

- de gevangenhouding op grond van artikel 5.1.e EVRM zowel de bescherming van de geesteszieke zelf als van de samenleving beoogt en enkel rechtmatig kan zijn wanneer zij in een kliniek, hospitaal of andere daartoe geschikte instelling wordt uitgevoerd.

7. Zoals de internering zelf van een geesteszieke noodzakelijk en evenredig moet zijn, zo ook moet de begane onrechtmatigheid bij de uitvoering van de interneringsmaatregel evenredig worden gesanctioneerd: een onaangepaste verzorging kan een onrechtmatigheid in de zin van artikel 5.1.e en 5.4 EVRM opleveren, zonder daarom de invrijheidstelling van de geesteszieke te kunnen verantwoorden indien de samenleving daardoor in gevaar komt.

8. Het middel faalt naar recht in zoverre het aanvoert dat, ongeacht het gevaar dat hierdoor voor de samenleving zou ontstaan, de eiser in vrijheid moet worden gesteld omdat hij niet binnen een redelijke termijn naar een geschikte verzorgingsinstelling wordt overgebracht.

9. In zoverre de bestreden beslissing oordeelt dat de eiser niet in vrijheid kan worden gesteld daar "uit het onderzoek van het dossier en de debatten blijkt dat de geestestoestand van de (eiser) onvoldoende is verbeterd en dat de voorwaarden voor zijn reclassering niet zijn vervuld; meer bepaald tekenen zich onvoldoende concrete mogelijkheden tot reclassering af wat betreft nuttige werkzaamheden, vast verblijfplaats en inkomen, die voor de maatschappij voldoende waarborgen tegen gevaar veroorzaakt door [de eiser] bieden", is de bestreden beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Voor het overige is het middel gericht tegen de beslissing dat geen onmiddellijke overbrenging van de eiser naar een gepaste psychiatrische instelling kan worden bevolen.

In zoverre is het middel gericht tegen een beslissing die niet vatbaar is voor een ontvankelijk cassatieberoep en behoeft het geen antwoord.

Prejudiciële vraag

10. De voorgestelde prejudiciële vraag die erom verzoekt de bestaanbaarheid van de Wet Bescherming Maatschappij met artikel 5.1 en 5.4 EVRM, gelezen in samenhang met artikel 10 en 11 Grondwet, te onderzoeken, houdt geen verband met een grondrecht dat op gelijkaardige wijze door de Grondwet en door het EVRM wordt beschermd. Zij preciseert evenmin welke bepalingen van de Wet Bescherming Maatschappij leiden tot een ongelijke behandeling van personen die zich in een vergelijkbare rechtstoestand bevinden noch waarin die ongelijke behandeling bestaat.

Er is bijgevolg geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de invrijheidstelling

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 20 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Internering

  • Hoge Commissie tot Bescherming van de Maatschappij

  • Beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van de internering

  • Ontvankelijkheid