- Arrest van 21 december 2011

21/12/2011 - P.11.1349.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het Grondwettelijk Hof is niet bevoegd om kennis te nemen van de interpretatie van een algemeen rechtsbeginsel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1349.F

I. M. M.,

II. M. M.,

Mrs. Dounia Alamat, advocaat bij de balie te Brussel, en Nicolas Cohen, advocaat bij de balie te Parijs.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van 6 juli 2011

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die de eiser vrijspreekt van de overige telastleggingen

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die de eiser veroordeelt wegens de ingeperkte telastleggingen

Tweede middel en eerste onderdeel van het eerste middel

De regel non bis in idem verplicht de rechter niet om het opmaken van een vals stuk en het daaropvolgende gebruik van het nagemaakte stuk, als één en hetzelfde feit te beschouwen.

De middelen falen naar recht.

Derde middel

Eerste onderdeel

Het middel voert de schending aan van de artikelen 14.7 IVBPR en 6.1 EVRM, alsook de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem.

De regel die in artikel 14.7 van het voormelde Internationaal Verdrag is vastgelegd, strekt ertoe te vermijden dat een en dezelfde persoon twee gelijksoortige straffen krijgt voor dezelfde gedraging.

De appelrechters hebben aangenomen dat de feiten gebruik van onjuiste stukken om zich te kwader trouw onverschuldigde uitkeringen te doen toekennen, waarvoor aan de eiser een definitieve administratieve sanctie van strafrechtelijke aard is opgelegd, overeenstemmen met de feiten gebruik van een vals stuk (tweede deel van telastlegging A) en gebruik van een vals stuk met het oog op het behoud van het recht op werkloosheidsuitkering (telastlegging B).

Het arrest dat op grond daarvan oordeelt dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem niet inhield dat de vervolging wegens die feiten niet ontvankelijk was, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Vierde middel

Eerste onderdeel

Op de conclusie waarin de eiser aanvoert dat het valse stuk onlosmakelijk verbonden is met het gebruik ervan, zodat de bestraffing van het eerste inhoudt dat ook het tweede wordt bestraft, antwoordt het arrest dat het opmaken van valse stukken niet vermeld wordt in de werkloosheidsreglementering en niet overeenstemt met de feiten waardoor de dader tijdelijk geen recht meer had op een uitkering. Het wijst er ook op dat de administratieve overheid de vervaardiging van dit valse stuk niet mocht bestraffen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Er is geen grond om acht te slaan op het tweede onderdeel van het eerste middel, noch op het derde en vierde middel, voor het overige, die niet tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing kunnen leiden.

Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag

De vraag die wordt opgeworpen heeft betrekking op de uiteenlopende interpretatie van het beginsel non bis in idem in het intern recht en het gemeenschapsrecht.

Krachtens artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, doet dat rechtscollege bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak op vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten".

Het is bijgevolg niet bevoegd om kennis te nemen van de interpretatie van een algemeen rechtsbeginsel.

Er is bijgevolg geen reden om de vraag te stellen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is, behoudens de in het derde middel aangeklaagde onwettigheid, overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van 7 juli 2011

Een partij kan, in de regel, geen tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, ook al werd dit tweede cassatieberoep ingesteld vooraleer over het eerste uitspraak is gedaan.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het de telastlegging A, zoals zij is ingeperkt, bewezen verklaart, en behoudens in zoverre het de eiser vrijspreekt van de telastleggingen, voor het overige.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de kosten van het tweede cassatieberoep, in een derde van de kosten van het eerste cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 21 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag

  • Uitlegging van een algemeen rechtsbeginsel

  • Bevoegdheid