- Arrest van 22 december 2011

22/12/2011 - C.11.0427.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een verzoek tot terugbetaling van uitgaven stuit de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar voor het volledig herstel van de schade.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0427.N

CHARTIS EUROPE sa, met zetel in Frankrijk, te 92400 Courbevoie, Tour Chartis, Paris La Défense, Place des Corolles 34, met bijkantoor te 1050 Elsene, Pleinlaan 11, vennootschap naar Frans recht,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, bus 40,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 15 oktober 2010.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

1. Artikel 15, § 1, tweede lid, WAM 1989, vóór zijn wijziging door de wet van 22 augustus 2002, bepaalt dat de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar gestuit wordt zodra de verzekeraar kennis heeft gekregen van de wil van de benadeelde persoon om het herstel van zijn schade te verkrijgen.

Artikel 35, § 4, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verjaring van de vordering bedoeld in artikel 34, § 2, wordt gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te krijgen voor zijn schade.

Hieruit volgt dat een verzoek tot terugbetaling van uitgaven de verjaring stuit voor het volledig herstel van de schade.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Eerste onderdeel

2. De appelrechters oordelen dat de eiseres kennis had van de wil van de verweerster om vergoed te worden doordat zij op onbekende datum tussen 10 november 1995 en 20 juni 1996 een bedrag van 4.990.911 frank betaalde ingevolge het verzoek van de verweerster van 10 november 1995.

3. Het middel dat opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat de eiseres kennis had van de wil van de verweerster om vergoed te worden omdat de uitgavenstaten 1 tot en met 4 onderaan vermelden dat zij onvolledig waren, is gericht tegen een overtollige reden en is mitsdien bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

4. Het onderdeel is gericht tegen het oordeel van de appelrechters dat de eiseres kennis had van de wil van de verweerster om vergoed te worden omdat de uitgavenstaten 1 tot en met 4 onderaan vermelden dat zij onvolledig waren.

5. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het onderdeel gericht is tegen een overtollige reden.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 524,40 euro en voor de verweerder op 149,04 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 22 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Benadeelde

  • Vordering tegen de verzekeraar

  • Verjaring

  • Stuiting

  • Omvang

  • Verzoek tot terugbetaling van uitgaven