- Arrest van 3 januari 2012

03/01/2012 - P.11.0775.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bestreden beslissing verantwoordt zijn beslissing niet naar recht om de kosten van de rechtspleging in hoger beroep, die forfaitair zijn vastgesteld op 500 euro, aan de betrokken advocaat ten laste te leggen, wanneer ze niet vaststelt dat het onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting tot kosten in hoger beroep hebben geleid en evenmin verduidelijkt waarom de schade alleen maar naar billijkheid kan worden bepaald (1). (1) Zie Cass. 18 april 2011, AR C.10.0548.F, AC 2011, nr. 263.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0775.N

1. K. R.,

beklaagde,

2. NOORDZEE KRANEN EN TRANSPORT bvba, met zetel te 8400 Oostende, Ankerstraat 4,

civielrechtelijk aansprakelijke partij,

eisers,

met als raadsman mr. Geert Lambert, advocaat bij de balie te Brugge,

tegen

K. C.,

burgerlijke partij,

verweerster,

met als raadsman mr. Patrick Weegmann, advocaat bij de balie te Brugge.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Brugge van 16 maart 2011.

De eisers voeren in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 12.4 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis kent een absolute draagwijdte toe aan deze bepaling, die weliswaar een algemene strekking heeft, doch geen automatisme is dat niet aan de plaatsgesteldheid en de houding van de andere weggebruikers zou dienen getoetst te worden; de appelrechters hebben geen rekening gehouden met het feit dat er geen overtreding is op artikel 12.4 Wegverkeersreglement als de bestuurder die het manoeuvre uitvoert dit aanvangt op een moment dat geen andere bestuurder in zicht is; het was niet verboden op de betrokken plaats een manoeuvre uit te voeren, zodat er geen inbreuk kan worden begaan op voormeld artikel indien er geen andere bestuurder kan worden opgemerkt.

2. In zoverre het middel voorhoudt dat het bestreden vonnis een absolute draagwijdte toekent aan artikel 12.4 Wegverkeersreglement, berust het op een verkeerde lezing van dit vonnis, en mist het feitelijke grondslag.

3. De verplichting van artikel 12.4 Wegverkeersreglement voor de bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren om de andere weggebruikers te laten voorgaan, heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers, op voorwaarde evenwel dat niet kon worden voorzien dat die andere weggebruikers zouden opdagen.

Dit betekent niet dat de andere weggebruikers steeds zichtbaar moeten zijn op het ogenblik dat de voorrangsplichtige bestuurder zijn manoeuvre aanvat, ongeacht of het hem al dan niet toegelaten was dit manoeuvre uit te voeren.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 12.4 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis brengt enkel de overdreven snelheid van de andere bestuurder in rekening bij de aansprakelijkheidsverdeling en niet bij de beoordeling van vermeld artikel; de vaststelling dat er een compleet onaangepaste snelheid werd gevoerd is niet verenigbaar met het oordeel dat de voorrangsplichtige een inbreuk op artikel 12.4 Wegverkeersreglement beging.

5. Het bestreden vonnis oordeelt dat de overdreven snelheid van de voorranghebbende bestuurder onvoldoende was om te stellen dat dit voor de voorrangsplichtige niet te voorzien was.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat dit vonnis de overdreven snelheid niet in rekening brengt bij de beoordeling van de strafrechtelijke schuld van de eiser, berust het op een verkeerde lezing ervan en mist het feitelijke grondslag.

6. In zoverre het middel voor het overige aanvoert dat de overdreven snelheid van de verweerster, gekoppeld aan andere in het middel aangehaalde feitelijke elementen, haar voor de eiser onvoorzienbaar maakte of de eiser het slachtoffer maakte van een onoverkomelijk dwaling, komt het geheel op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Derde middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 12.4 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis houdt geen rekening met het feit dat de eiser tijdens de uitvoering van het manoeuvre voorrang heeft verleend; het stelt immers vast dat de verweerster een noodmanoeuvre uitvoerde toen zij de eiser inhaalde en dat verweerster de trekker zonder problemen had kunnen voorbijsteken, indien zij niet te snel zou hebben gereden.

8. Het middel gaat uit van een feitelijke beoordeling, en met name dat de eiser tijdens het manoeuvre voorrang heeft verleend door te stoppen en doorgang te verlenen aan de verweerster.

Het middel vergt derhalve een onderzoek van de feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is mitsdien niet ontvankelijk.

Vierde middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 12.4 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis houdt geen, of slechts verkeerdelijk, rekening met de wegsignalering; de betrokken plaats wordt zeer vaak gebruikt door vrachtwagens en de signalisatie verbiedt niet dat er op die plaats wordt gekeerd.

Het middel komt op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter.

Het is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op 66,53 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 3 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Tuchtprocedure

  • Kosten van het onderzoek en van het onderzoek ter terechtzitting

  • Ten laste van de betrokken advocaat

  • Voorwaarde

  • Berekeningswijze