- Arrest van 4 januari 2012

04/01/2012 - P.11.1396.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In het geval van uitstel voor een autonome werkstraf, gaat de termijn van twaalf maanden waarbinnen die straf moet worden uitgevoerd pas in vanaf het ogenblik waarop de beslissing uitvoerbaar wordt, met andere woorden de dag waarop de beslissing die leidt tot herroeping of waarbij de herroeping wordt bevolen, zelf in kracht van gewijsde gaat (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1396.F

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK,

tegen

M. M.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 20 juni 2011.

De eiser voert in de verklaring van cassatieberoep die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 23 december 2011 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 4 januari 2012 heeft raadsheer Françoise Roggen verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel voert de schending aan van artikel 37ter, § 2, Strafwetboek en van artikel 149 Grondwet.

De eiser verwijt het arrest dat het weigert het probatieuitstel te herroepen van een aan de verweerder opgelegde autonome werkstraf, omdat er sedert de uitspraak van die straf meer dan twaalf maanden verstreken zijn, zodat de straf niet meer uitgevoerd kan worden.

Naar luid van artikel 37ter, § 2, Strafwetboek, moet de werkstraf worden uitgevoerd binnen twaalf maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Bij uitstel gaat die termijn evenwel pas in vanaf het ogenblik waarop de werkstraf uitvoerbaar wordt, met andere woorden vanaf de dag waarop de beslissing die leidt tot herroeping of waarbij de herroeping wordt bevolen, zelf in kracht van gewijsde gaat.

Bij een vonnis op verzet van 3 november 2010, heeft de correctionele rechtbank het probatieuitstel waarmee de werkstraf gepaard ging, herroepen.

Aangezien het openbaar ministerie tegen dat vonnis hoger beroep had ingesteld dat het arrest ontvankelijk verklaarde, was de herroeping van het uitstel niet in kracht van gewijsde gegaan en was de termijn van twaalf maanden om de werkstraf uit te voeren bijgevolg niet ingegaan op het ogenblik waarop de appelrechters uitspraak deden.

Door niettemin te beslissen dat die termijn verstreken was, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is inzoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 4 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Werkstraf

  • Uitvoeringstermijn

  • Aanvang

  • Uitstel voor de werkstraf

  • Herroeping