- Arrest van 6 januari 2012

06/01/2012 - C.10.0343.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Onder deelname aan het verkeer wordt verstaan het gebruik dat een voertuig maakt van een verkeersweg om een persoon of een zaak van de ene plaats naar de andere te brengen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0343.F

GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

J. V.P.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 28 april 2010 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Verviers.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals gewijzigd bij de wetten van 13 april 1995 en 19 januari 2001.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis wijzigt het beroepen vonnis, verklaart de oorspronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond, verklaart voor recht dat de eiser de verweerder op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 vergoeding verschuldigd is voor de schade die de verweerder geleden heeft ten gevolge van het hem op 23 oktober 2077 te Spa overkomen verkeersongeval, veroordeelt de eiser om aan de verweerder provisioneel een euro te betalen en, alvorens over de overige punten recht te doen, wijst dokter R. M. aan als deskundige.

Het verantwoordt die beslissing met alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid met de volgende overwegingen:

"[De verweerder] verwijt de eerste rechter dat hij een voorwaarde heeft toegevoegd aan artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 in zoverre hij voor recht heeft gezegd dat ‘het verkeersongeval in de zin van artikel 29bis kan worden omschreven als een toevallige, plotselinge en abnormale gebeurtenis die rechtstreeks en uitsluitend wordt veroorzaakt door de plotselinge werking van een oorzaak die optreedt buiten de wil van het slachtoffer om, hoewel (de verweerder) wist dat hij meereed met een gewapende schurk die door de politie werd opgespoord omdat hij ontsnapt was, en het krachtdadig optreden van de federale politie waarbij het voertuig tot staan gebracht werd geenszins een toevallige, plotselinge en abnormale gebeurtenis is zodat de feiten niet het gevolg zijn van een oorzaak die zich voordeed buiten de wil van het slachtoffer om, daar het slachtoffer heel goed wist welk risico hij nam door mee te rijden met iemand die medeplichtig was aan verschillende feiten en die opgespoord en gewapend was';

Om die redenen heeft de eerste rechter beslist dat die feiten niet konden worden aangemerkt als een verkeersongeval;

Krachtens artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 wordt bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder';

Artikel 29bis is derhalve van toepassing ‘bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, §1';

De vraag rijst of dit geval moet worden beschouwd als een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn;

Te dezen raakte [de verweerder]gewond als inzittende van het door de heer H.G. bestuurde voertuig dat de manschappen van de bijzondere eenheid tot staan probeerden te brengen; de heer G. gaf plankgas en reed in volle vaart op hen af; de politieagenten hebben hierbij gebruik gemaakt van hun wapen;

De afgevuurde kogel trof [de verweerder] aan de arm;

In zijn arrest van 9 januari 2004 heeft het Hof van Cassatie voor recht gezegd dat de rechtbank uit de vaststellingen volgens welke ‘het motorrijtuig van [de verweerster] [...] in het verkeer getroffen werd door een ongewoon voorwerp dat een van de inzittenden schade toebracht en hem verwondde', heeft kunnen afleiden dat de schade te wijten was aan ‘een ongeval [...] dat verband houdt met het verkeer op de openbare weg' in de zin van artikel 29bis, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989;

In het aan het Hof voorgelegde geval was het slachtoffer de dochter van de bestuurster van het voertuig. Zij was getroffen door een verdwaalde kogel toen zij achteraan in het voertuig zat dat op de openbare weg reed. Die verdwaalde kogel was afgevuurd tijdens een vuurgevecht tussen gangsters die een geldtransport hadden overvallen en de politie.

Het voor het Hof van Cassatie aangevoerde middel betoogde dat het begrip verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 niet kon worden uitgebreid tot gelijk welk ongeval op de openbare weg dat een persoon overkomt die in een motorrijtuig wordt vervoerd, ook al is dat ongeval veroorzaakt door een feit dat geen verband houdt met het voertuigenverkeer, dat een gewelddaad op de openbare weg geen verband houdt met het voertuigenverkeer en dat het meisje te dezen gewond raakte ten gevolge van een gewelddaad die opzettelijk op de openbare weg was gepleegd zonder evenwel gepleegd te zijn door middel van een motorrijtuig dat aan het verkeer deelnam;

Het arrest van het Hof van Cassatie van 9 januari 2004 wordt voorafgegaan door de conclusie van advocaat-generaal Werquin die eraan herinnert dat er pas sprake is van een verkeersongeval wanneer het ongeval verband houdt met het verkeer van voertuigen en dat het begrip verkeer zeer ruim moet worden geïnterpreteerd;

De rechtbank merkt op dat [de verweerder] zich als inzittende van een BMW op de openbare weg bevond toen hij door een kogel getroffen werd in de rechterarm;

Advocaat-generaal Werquin verwijst hierbij naar de interpretatie van het begrip betrokkenheid van het voertuig als bedoeld in de Franse wet nr. 25-977 van 5 juli 1985 en komt tot het besluit dat het begrip betrokkenheid van het voertuig het schadeveroorzakende feit is dat nodig en voldoende is om het recht op vergoeding te doen ontstaan;

Bijgevolg moeten zowel het begrip ‘verkeer' als de term ‘betrokken' in ruime zin worden geïnterpreteerd;

Een voertuig is in een ongeval betrokken zonder dat het vereist is dat het ongeval veroorzaakt is door een contact met dat voertuig of dat het voertuig in beweging is ten tijde van het ongeval;

Het begrip betrokkenheid vereist dat er op zijn minst een zeker verband bestaat tussen het voertuig en het ongeval;

De betrokkenheid is het aanknopingspunt tussen het voertuig en het ongeval;

Volgens advocaat-generaal Werquin volgt de betrokkenheid uit het bewijs dat het voertuig een bepaalde rol heeft gespeeld in het ongeval of dat het op enigerlei wijze of uit welke hoofde ook daarmee iets te maken had en dat het voertuig een noodzakelijke voorwaarde is geweest voor het ongeval; volgens hem moet het voertuig een invloed hebben gehad op het verloop van het ongeval zodat het zich zonder het voertuig niet op dezelfde wijze had kunnen voordoen;

In zijn conclusie verwijst advocaat-generaal Werquin tevens naar een arrest van 28 februari 1990 van het Franse Hof van Cassatie (Cass.fr., 2e k., 28 februari 1990, Dall., 1991, p. 124) dat bevestigd heeft dat een voertuig moest worden geacht bij een verkeersongeval betrokken te zijn zodra het op de een of andere manier iets met dat ongeval te maken had; in dit geval was er een steen van de helling gerold die het koetswerk van de wagen doorboord had. Hierbij raakte de inzittende van het voertuig gewond;

Advocaat-generaal Werquin herinnert eraan dat het slachtoffer niet hoeft aan te tonen dat de letsels te wijten zijn aan de feitelijke aanwezigheid van het voertuig zelf en dat de wet geen oorzakelijk verband vereist tussen de feitelijke aanwezigheid van het voertuig en het letsel maar tussen het ongeval waarin het voertuig betrokken is en het letsel, en dat de wetgever een regeling van automatische schadeloosstelling heeft uitgewerkt los van elke verwijzing naar een fout of een oorzakelijk verband tussen de feitelijke aanwezigheid van het voertuig en de schade, en dat een kogel die het ongeval heeft veroorzaakt niet verschilt van gelijk welke hindernis die zich onder dezelfde voorwaarden op de weg van het voertuig had kunnen bevinden;

De eerste rechter beslist dat het van doorslaggevend belang was dat de schade door het motorrijtuig is veroorzaakt op een wijze die kenmerkend is voor de schade veroorzaakt door een motorrijtuig in het verkeer. Aldus verwijst hij naar een vonnis dat voorgelegd was aan het Hof van Cassatie dat erover uitspraak gedaan heeft in zijn arrest van 15 mei 2008 (C.07.0306.N);

De eerste rechter heeft bovendien beslist dat het verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 kon worden omschreven als een toevallige, plotselinge en abnormale gebeurtenis die rechtstreeks en uitsluitend wordt veroorzaakt door de plotselinge werking van een oorzaak die zich voordoet buiten de wil van het slachtoffer om, hoewel het krachtdadig optreden van de federale politie waarbij de BMW tot staan werd gebracht geenszins een plotselinge, toevallige en abnormale gebeurtenis was zodat de feiten niet het gevolg waren van een oorzaak die zich voordeed buiten de wil van het slachtoffer om, daar het slachtoffer heel goed wist welk risico hij nam door mee te rijden met iemand die medeplichtig was aan verschillende feiten en die opgespoord en gewapend was en de feiten derhalve niet voortvloeiden uit een oorzaak zonder enig verband met de wil van het slachtoffer dat heel goed wist welk risico hij nam, zodat de feiten ten aanzien van [de verweerder] niet als een verkeersongeval konden worden aangemerkt;

Het beroepen vonnis moet op dat punt worden gewijzigd;

Het feit dat [de verweerder] wist dat hij als inzittende meereed met een voertuig dat bestuurd werd door een door de politie opgespoord persoon houdt geen enkel verband met het feit dat het hier wel degelijk om een verkeersongeval gaat;

Zoals in het geval dat aan het Hof van Cassatie werd voorgelegd en dat geleid heeft tot het arrest van 9 januari 2004 moet in specie worden aangenomen dat de BMW in botsing is gekomen met een obstakel en dat het obstakel wel degelijk toevallig was en plots opdook;

Het betreft hier dus wel degelijk een verkeersongeval zodat [de eiser] vergoeding verschuldigd is aan [de verweerder]".

Grieven

Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen voert een regeling van automatische vergoeding in van de schade van zwakke weggebruikers. Om die regeling te kunnen genieten moet het slachtoffer onder meer bewijzen dat hem een verkeersongeval is overkomen waarin een motorrijtuig betrokken is en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het ongeval en de lichamelijke schade.

Het begrip verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van voornoemde wet veronderstelt dat het betrokken voertuig ten tijde van het ongeval als vervoermiddel deelneemt aan het verkeer of daarmee een rechtstreeks dan wel onrechtstreeks aanknopingspunt heeft. Het kan niet worden uitgebreid tot gelijk welk ongeval dat een met een motorrijtuig vervoerde persoon overkomt op de openbare weg of daarmee gelijkgestelde plaatsen, ingeval de verplaatsing van het voertuig op het ogenblik van het ongeval geen verband houdt met het verkeer. Het feit alleen dat het voertuig ten tijde van het ongeval in beweging was op de openbare weg en dat het tegen een toevallige en plots opduikende hindernis is gereden vormt geen voldoende reden om aan te nemen dat het motorrijtuig aan het verkeer deelnam als vervoermiddel.

Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis volgt te dezen dat de verweerder "gewond raakte als inzittende van het door de heer H.G. bestuurder voertuig dat de manschappen van de bijzondere eenheid tot staan probeerden te brengen; dat de heer G. plankgas gaf en in volle vaart op hen afreed en dat de politieagenten hierbij gebruik maakten van hun wapen; dat de afgevuurde kogel [de verweerder] aan de arm trof". Uit die vaststellingen blijkt dat de verplaatsing van de BMW op het ogenblik van het ongeval geen verband hield met het verkeer, daar het voertuig niet gebruikt werd als een vervoermiddel maar als een "ramvoertuig" om aan de politie te ontsnappen.

Het bestreden vonnis dat de eiser niettemin veroordeelt om de verweerder te vergoeden op grond van artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 en daartoe als enige redenen opgeeft dat de verweerder, toen hij door een kogel geraakt werd in de rechterarm, inzittende was van een voertuig dat in beweging was op de openbare weg en dat het voertuig tegen een toevallige en plots opduikende hindernis is gereden, is niet naar recht verantwoord. Het schendt artikel 29bis van voornoemde wet van 21 november 1989.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 29bis, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijk letsel of het overlijden bij een ongeval waarin een motorrijtuig betrokken is vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet.

Onder deelname aan het verkeer wordt verstaan het gebruik dat een voertuig maakt van een verkeersweg om een persoon of een zaak van de ene plaats naar de andere te brengen.

Het bestreden vonnis stelt vast dat "[de verweerder] [...] meereed met een voertuig dat werd bestuurd door een door de politie opgespoord persoon", dat "[de verweerder] gewond raakte als inzittende [van dat] voertuig [...] dat de manschappen van de bijzondere eenheid tot staan probeerden te brengen, dat [de bestuurder] plankgas gaf en in volle vaart op hen afreed, dat de politieagenten hierbij hun wapen gebruikten [en] dat de afgevuurde kogel de verweerder aan de arm trof".

Het bestreden vonnis volgens hetwelk de verweerder "inzittende was van een voertuig [...] dat in beweging was op de openbare weg" en dat "het voertuig [...] tegen een toevallige en plots opduikende [...] hindernis is gereden", verantwoordt naar recht de beslissing dat "het hier wel degelijk [...] een verkeersongeval betreft".

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 6 januari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verzekeraar

  • Lichamelijke schade

  • Plicht tot schadevergoeding

  • Voorwaarden

  • Verkeersongeval

  • Verkeer