- Arrest van 12 januari 2012

12/01/2012 - C.10.0683.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De neerlegging van het verzoekschrift ter griffie buiten de termijn bepaald in artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dient als geldig te worden beschouwd, wanneer de vertraging het gevolg is van overmacht (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0683.N

CITY MOTORS GROUP nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 89,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. CITROEN BELUX nv, met zetel te 1000 Brussel, IJzerplein 7,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest,

2. P.S.A. FINANCE BELUX nv, met zetel te 1180 Ukkel, Sterstraat 99,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 13 juli 2010.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 15 december 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eerste verweerster voert aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is, omdat het werd ingesteld buiten de termijn bepaald in artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, namelijk op 17 november 2010, terwijl de termijn bepaald in voormeld artikel verstreek op 16 november 2010.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, volgt dat de gerechtsdeurwaarder op verzoek van de eiseres belast met de betekening van het cassatieberoep in de loop van de namiddag van 16 november 2010 betrokken was bij een verkeersongeval waardoor het verzoekschrift die dag niet meer vóór het sluitingsuur van de griffie kon worden neergelegd.

3. De neerlegging van het verzoekschrift ter griffie buiten de termijn bepaald in artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek dient als geldig te worden beschouwd, wanneer de vertraging het gevolg is van overmacht.

Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep dient te worden verworpen.

Ontvankelijkheid van het middel

4. De eerste verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat het middel nalaat de artikelen 557 tot 562 en 618 en 619 Gerechtelijk Wetboek als geschonden aan te wijzen.

5. De grief van de eiseres resulteert uit de aangevoerde schending van het artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

De grond van niet-ontvankelijkheid van het middel dient te worden verworpen.

Gegrondheid van het middel

6. Het middel voert aan dat de appelrechter onterecht een rechtsplegingsvergoeding toekent voor een in geld waardeerbare vordering.

7. De vorderingen betreffende bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging, die overeenkomstig het artikel 1395, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek voor de beslagrechter moeten worden gebracht en die betrekking hebben op de wettigheid of de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging en niet op de zaak zelf, zijn geen in geld waardeerbare vorderingen.

8. De appelrechter stelt vast dat:

- de verweersters bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel zetelend in kort geding van 24 juni 2004 werden veroordeeld tot het verderzetten van de contractuele relatie met de eiseres onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 euro per dag vertraging;

- de rechtbank van koophandel bij vonnis van 24 februari 2010 ten gronde besliste dat de concessieovereenkomst rechtmatig werd ontbonden ten laste van de eiseres en aldus niet langer diende te worden verdergezet;

- de verweersters voor de beslagrechter verzet aantekenden tegen diverse bevelen tot betaling van verbeurde dwangsommen;

- het geschil derhalve betrekking heeft op de actualiteit van de titel, waarvan de tenuitvoerlegging wordt benaarstigd.

9. De appelrechter verantwoordt aldus zijn beslissing over de rechtsplegingsvergoeding niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit oordeelt over de gegrondheid van de incidenteel beroepen en over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alan Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 12 januari 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy

Dubrulle, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Overmacht