- Arrest van 20 januari 2012

20/01/2012 - C.10.0135.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Vanaf de ontvangst van de akte houdende derdenbeslag, mag de derde-beslagene de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, niet meer uit handen geven; die regel blijft van toepassing wanneer achteraf een rechtstreekse vordering wordt ingesteld (1). (1) Zie de concl. van het O.M. in Pas. 2012 nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0135.F

BELGISCHE STAAT, minister van Landsverdediging,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ENTREPRISE ANDRE LEMAIRE nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 23 september 2009.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan waarvan het tweede als volgt is gesteld.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1184, 1234, 1235 en 1798 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1445, 1451 en 1540 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 7, 8 en 9 van de wet van 16 december 1851, Hypotheekwet genaamd, die in het Burgerlijk Wetboek een boek III, titel XVIII, "Voorrechten en hypotheken" invoegt;

- artikel 85bis van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Aangevochten beslissingen

Het arrest veroordeelt de eiser om aan de verweerster het bedrag van 29.873,80 euro, vermeerderd met de belasting over de toegevoegde waarde te betalen, alsook het bedrag van 2.987,38 euro, de interest tegen de bedongen rentevoet van 12 pct. per jaar vanaf de vervaldag van elk van beide facturen tot 12 april 2007, en de kosten; het beslist aldus om alle redenen die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven en inzonderheid om de onderstaande redenen:

"[De eiser] maakt gewag van het derdenbeslag dat de FOD Financiën op 30 september 2005 bij het departement infrastructuur van Landsverdediging tegen de naamloze vennootschap Walcon heeft gelegd op grond van artikel 85bis, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (stuk nr. 1 van het dossier [van de eiser]);

[...] De rechtstreekse vordering van de onderaannemer wordt niet belemmerd door een derdenbeslag dat aan het instellen van de rechtsvordering voorafgaat, aangezien de schuld van de opdrachtgever ten aanzien van de beslagen debiteur niet tenietgaat ten gevolge van dat beslag, onder voorbehoud van de onbeschikbaarheid die eruit voortvloeit; het op 30 september 2005 ten verzoeke van de FOD Financiën gelegde derdenbeslag heeft geen weerslag op de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van (de verweerster)".

Grieven

Artikel 1798, inzonderheid eerste lid, bepaalt dat onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering hebben ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering word ingesteld.

Krachtens de artikelen 7, 8 en 9 van de Hypotheekwet is de schuldenaar gehouden zijn verbintenissen na te komen over zijn gehele vermogen. Zijn goederen vormen de gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers en de prijs ervan wordt onder hen naar evenredigheid verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan.

Artikel 85bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde luidt als volgt:

"§ 1. Na de in artikel 85 genoemde kennisgeving of betekening kan de met de invordering belaste ambtenaar, bij een ter post aangetekende brief, uitvoerend beslag onder derden leggen op de bedragen en zaken die de bewaarnemer of schuldenaar aan de belastingschuldige verschuldigd is of moet teruggeven. Het beslag wordt eveneens bij een ter post aangetekende brief aan de belastingschuldige aangezegd. Dit beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde. Het geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de met de invordering belaste ambtenaar, van een bericht van beslag als bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 2. Onder voorbehoud van het bepaalde in § 1, zijn op dit beslag de bepalingen toepasselijk van de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste en tweede lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt in handen van de met de invordering belaste ambtenaar."

Krachtens de artikelen 1451 en 1540 van het Gerechtelijk Wetboek mag de derde-beslagene vanaf de ontvangst van de akte houdende derdenbeslag, de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, niet meer uit handen geven, op straffe van gewoon schuldenaar te worden verklaard voor de oorzaken van het beslag; bijgevolg mag de derde niet langer betalen aan zijn schuldeiser noch aan enige andere persoon aan wie de bewuste schuldvordering ten goede komt; na en ten gevolge van het beslag wordt de schuldvordering onbeschikbaar.

In deze zaak hebben de appelrechters vastgesteld dat de FOD Financiën derdenbeslag heeft gelegd in de handen van de eiser, voordat de verweerster haar rechtstreekse vordering had ingesteld.

Bijgevolg kon [de verweerster] door de werking van het derdenbeslag, niet op regelmatige wijze en naar recht een rechtstreekse vordering tegen de eiser instellen.

De appelrechters die de rechtstreekse vordering van de verweerster gegrond verklaren, op grond dat "de rechtstreekse vordering van de onderaannemer [...] niet belemmerd [wordt] door een derdenbeslag dat aan het instellen van de rechtsvordering voorafgaat, aangezien de schuld van de opdrachtgever ten aanzien van de beslagen debiteur niet tenietgaat ten gevolge van dat beslag, onder voorbehoud van de onbeschikbaarheid die eruit voortvloeit" en dat "het op 30 september 2005 ten verzoeke van de FOD Financiën gelegde derdenbeslag [...] geen weerslag [heeft] op de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van (de verweerster)" miskennen de werking van het derdenbeslag en schenden bijgevolg alle in het middel vermelde wetsbepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Krachtens artikel 1798, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, hebben onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

Luidens artikel 8 Hypotheekwet van 16 december 1851 vormen de goederen van de schuldenaar de gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers en wordt de prijs ervan onder hen naar evenredigheid verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan.

Artikel 85bis Btw-wetboek geeft de administratie het recht, onder de voorwaarden die het vermeldt, een uitvoerend beslag onder derden te leggen dat, onder voorbehoud van wat het bepaalt, onderworpen is aan de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste en tweede lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek.

Krachtens de artikelen 1451 en 1540 Gerechtelijk Wetboek mag de derde-beslagene vanaf de ontvangst van de akte houdende derdenbeslag, de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, niet meer uit handen geven, op straffe van gewoon schuldenaar te worden verklaard voor de oorzaken van het beslag.

Bijgevolg leidt een beslag dat een schuldeiser van de aannemer in de handen van de opdrachtgever legt ertoe dat de aannemer zijn schuldvordering niet kan innen bij de opdrachtgever. Hierdoor verkeert de onderaannemer in de onmogelijkheid de in artikel 1798 Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering in te stellen.

Het arrest stelt vast, enerzijds, dat op 30 september 2005 in de handen van de eiser derdenbeslag werd gelegd op grond van artikel 85bis, § 1, Btw-wetboek en, anderzijds, dat de verweerster op 10 januari 2006 een rechtstreekse vordering tegen de eiser heeft ingesteld op grond van artikel 1798 Burgerlijk Wetboek.

Het arrest, dat oordeelt dat "de rechtstreekse vordering van de onderaannemer [...] niet belemmerd [wordt] door een derdenbeslag dat aan het instellen van de rechtsvordering voorafgaat, aangezien de schuld van de opdrachtgever ten aanzien van de beslagen debiteur niet tenietgaat ten gevolge van dat beslag, onder voorbehoud van de onbeschikbaarheid die eruit voortvloeit" en dat "het op 30 september 2005 [...] gelegde derdenbeslag [...] geen weerslag [heeft] op de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van de verweerster", schendt de in het middel vermelde wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 20 januari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Aannemingsovereenkomst

  • Onderaannemer

  • Rechtstreekse vordering

  • Derdenbeslag

  • Rechtstreekse vordering ingesteld na het derdenbeslag