- Arrest van 25 januari 2012

25/01/2012 - P.11.1821.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bodemrechter die in feite heeft vastgesteld dat verschillende misdrijven de uitvoering zijn van een zelfde strafbaar opzet kan slechts één straf, namelijk de zwaarste, opleggen; die regel verbiedt de rechter om de straffen voor de minder zware telastleggingen toe te passen, zelfs als die een bijkomende sanctie bevatten die zwaarder is dan die welke samen met de opslorpende straf kan worden opgelegd (1). (1) Cass. 13 jan. 1999, AR P.98.1521.F, AC, 1999, nr. 21.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1821.F

I. M. C.,

mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

S. L., procureur des Konings,

II. B.-C. C.,

mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. ETABLISSEMENTS DAUNE HABARU nv,

2. ALLIANZ BELGIUM nv,

3. M. T.,

4. J. G.,

5. LA SAPINIERE bvba.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 30 september 2011.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van M. C.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de strafvordering

Ambtshalve middel : schending van de artikelen 25, 65, 80, 84, 327, eerste lid, 470 en 471 Strafwetboek

Krachtens artikel 65 Strafwetboek kan de bodemrechter, die in feite heeft vastgesteld dat verschillende misdrijven de uitvoering zijn van een zelfde strafbaar opzet, slechts één straf, namelijk de zwaarste straf opleggen.

Die regel verplicht de rechter ertoe de voor de lichtere misdrijven voorgeschreven straffen buiten beschouwing te laten, zelfs als die straffen voorzien in een zwaardere bijkomende sanctie dan die welke samen met de opslorpende straf kan worden opgelegd.

Het arrest verklaart de eiser schuldig aan het feit dat hij in staat van wettelijke herhaling een collectief misdrijf door eenheid van opzet heeft gepleegd, bestaande uit afpersing met geweld of bedreiging door twee of meerdere personen en bedreiging met bevel of onder voorwaarde.

Het eerste misdrijf wordt bij wet gestraft met tien tot vijftien jaar opsluiting die, na aanneming van verzachtende omstandigheden, vervangen wordt door een gevangenisstraf van zes maanden tot tien jaar. Artikel 84 Strafwetboek biedt de rechter de mogelijkheid om daar een geldboete van zesentwintig tot duizend euro aan toe te voegen. Die geldboete is facultatief.

Het tweede misdrijf wordt bij wet gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en een geldboete van honderd tot duizend euro. Die geldboete is verplicht.

Aangezien de zwaarste straf de straf is met de langste duur, is het zwaarst gestrafte misdrijf, afpersing in bende.

Het arrest vermeldt dat de eerste rechter, die de strafmaat heeft vastgesteld op tweeënveertig maanden gevangenisstraf, "verzuimd heeft daar een verplichte geldboete aan toe te voegen, aangezien de telastlegging uit artikel 327, eerste lid, hier de zwaarste is". Naast de voormelde gevangenisstraf veroordelen de appelrechters de eiser dus tot een geldboete van driehonderd euro.

Aangezien afpersing met verzwarende omstandigheid, zoals hierboven gezegd, zwaarder gestraft wordt dan het misdrijf bedoeld in artikel 327, hebben de appelrechters de toevoeging van die geldboete niet naar recht kunnen verantwoorden door het verplichte karakter ervan, vermits de zwaarste hier toepasselijke straf alleen in een facultatieve geldboete voorziet.

De geldboete is een bestanddeel van de opgelegde straf zodat de onwettigheid zich uitstrekt tot de gehele straf en tot de bijdrage aan het Bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Zij heeft daarentegen geen invloed op de schuldigverklaring.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is, behoudens de onwettigheid die hierna moet worden ongedaan gemaakt, overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van de tweede eiser, enerzijds, in zoverre het gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de vijfde verweerster en, anderzijds, in zoverre het gericht is tegen de beslissingen die, op de burgerlijke rechtsvorderingen van de derde en vierde verweerder, uitspraak doen over de omvang van de schade.

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de gehele aan

M. C. opgelegde straf en over de bijdrage aan het Bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eerste eiser in de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de andere helft ten laste van de Staat.

Veroordeelt de tweede eiser in de kosten van zijn cassatieberoep.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre

Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 25 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier

Tatiana Fenaux .

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verschillende misdrijven

  • Eenheid van strafbaar opzet