- Arrest van 26 januari 2012

26/01/2012 - C.11.0318.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer bij een verkeersongeval meerdere motorrijtuigen betrokken zijn, moeten de respectieve verzekeraars het slachtoffer vergoeden en de last in beginsel elk voor een gelijk deel dragen; diegene die tot vergoeding van het slachtoffer overgaat, heeft een regresvordering tegen de andere aansprakelijkheidsverzekeraars voor wat hij boven zijn deel betaalt aan het slachtoffer.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0318.N

AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Roger Van Overstraetenplein 2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 24 april 2007 en 4 oktober 2010.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden wordt vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet.

2. Krachtens artikel 1251, 3°, Burgerlijk Wetboek gebeurt de indeplaatsstelling van rechtswege ten voordele van hem, die met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen.

3. Uit deze bepalingen volgt dat wanneer bij een verkeersongeval meerdere motorrijtuigen betrokken zijn, de respectieve verzekeraars het slachtoffer moeten vergoeden en de last in beginsel elk voor een gelijk deel moeten dragen.

Diegene die tot vergoeding van het slachtoffer overgaat, heeft op grond van artikel 1251, 3°, Burgerlijk Wetboek een regresvordering tegen de andere aansprakelijkheidsverzekeraars voor wat hij boven zijn deel betaalt aan het slachtoffer.

4. Artikel 29bis, § 4, eerste lid, WAM 1989 bepaalt dat de verzekeraar of het gemeenschappelijk waarborgfonds in de rechten van het slachtoffer treedt tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden.

Artikel 29bis, § 5, WAM 1989 bepaalt dat de regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing blijven op alles wat niet uitdrukkelijk bij dit artikel is geregeld.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling was van de wetgever dat de last van voormelde schade uiteindelijk moet gedragen worden door degene die in gemeen recht aansprakelijk is voor het ongeval, behoudens in zoverre het slachtoffer zelf schuld heeft aan het ongeval.

5. Hieruit volgt dat wanneer het slachtoffer door zijn schuld heeft bijgedragen tot de schade, de verzekeraar van een betrokken motorrijtuig die het slachtoffer heeft vergoed, de betaalde vergoeding op grond van artikel 29bis, § 4, eerste lid, WAM 1989 slechts kan terugvorderen van de aansprakelijke derde of zijn verzekeraar tot beloop van het bedrag waarop het slachtoffer naar gemeen recht aanspraak had kunnen maken, rekening houdend met de verdeling van aansprakelijkheid.

Hieruit volgt tevens dat de verzekeraar het deel van de betaalde vergoeding dat overeenstemt met het bedrag waarvoor het slachtoffer naar gemeen recht zelf moet instaan, op grond van artikel 1251, 3°, Burgerlijk Wetboek kan terugvorderen van elke verzekeraar van een medebetrokken motorrijtuig, elk volgens een gelijk deel.

6. De appelrechters stellen in het vonnis van 24 april 2007 vast dat volgens de eiseres de inzittenden van de wagen bestuurd door N. H., hun veiligheidsgordel niet droegen en de eiseres de aanstelling van een geneesheer-deskundige vordert om de gevolgen van het niet-dragen van de gordel te onderzoeken wat betreft het ontstaan, de verergering van de letsels en de duur van de helingsperiode en restletsels.

Zij oordelen verder dat:

- een getuigenverhoor noodzakelijk is om de aansprakelijkheden voor het ongeval te beoordelen;

- de inzittenden van het voertuig H. meer dan 14 jaar waren maar het niet-dragen van een veiligheidsgordel, voor zover bewezen, geen zware fout uitmaakt in de zin van artikel 29bis WAM 1989;

- het gevorderde deskundigenonderzoek inzake de gevolgen van het niet-dragen van de gordel door de inzittenden van dit voertuig vooralsnog niet relevant is.

7. De appelrechters weigeren aldus bij de beoordeling van de vordering van de verweerster in terugbetaling van de aan de inzittenden van het voertuig bestuurd door N. H. betaalde vergoedingen, de medeaansprakelijkheid van deze inzittenden te betrekken. Voorts verklaren zij, vooraleer uitspraak te doen over de aansprakelijkheidsverdeling tussen de bestuurders onderling, bedoelde vordering van de verweerster reeds tot beloop van de helft gegrond. Aldus verantwoorden ze hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Omvang van de cassatie

8. De vernietiging van het vonnis van 24 april 2007 in zoverre het oordeelt over de vordering van de verweerster voor haar uitgaven ten voordele van de inzittenden van het voertuig bestuurd door N. H., strekt zich in dezelfde mate uit tot het vonnis van 4 oktober 2010 dat er het gevolg van is.

Het tweede middel dat betrekking heeft op het vonnis van 4 oktober 2010, behoeft geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden vonnissen van 24 april 2007 en 4 oktober 2010 in zoverre zij oordelen over de vordering van de verweerster voor haar uitgaven ten voordele van de inzittenden van het voertuig bestuurd door N. H. en de kosten.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde vonnissen.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 26 januari 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • W.A.M. 1989

  • Artikel 29bis, § 1, eerste lid

  • Verkeersongeval

  • Meerdere motorrijtuigen betrokken

  • Verzekeraars

  • Slachtoffer

  • Schade

  • Verplichting tot vergoeding

  • Gevolg

  • Indeplaatsstelling

  • Regresvordering