- Arrest van 17 februari 2012

17/02/2012 - C.10.0742.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In het kader van de bemiddeling in strafzaken speelt het onweerlegbaar vermoeden van de fout van de dader in het voordeel van de gesubrogeerde in de rechten van het slachtoffer dat bij de bemiddeling in strafzaken werd betrokken.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0742.F

P&V verzekeringen, gemeenschappelijke verzekeringskas tegen arbeidsongevallen,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

F. B.,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 23 november 2010.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Krachtens artikel 216ter, § 4, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, vervalt de strafvordering wanneer de dader voldaan heeft aan alle door hem aanvaarde voorwaarden.

In het kader van de bemiddeling in strafzaken bepaalt artikel 216ter, § 4, tweede lid, dat het verval van de strafvordering geen afbreuk doet aan de rechten van de gesubrogeerden in de rechten van het slachtoffer of van de slachtoffers die niet werden betrokken in de procedure bedoeld in § 1 en dat tegenover hen de fout van de daders als onweerlegbaar wordt vermoed.

Daaruit volgt dat het door die bepaling ingestelde vermoeden in het voordeel speelt van de gesubrogeerde in de rechten van het slachtoffer dat bij de bemidde-ling in strafzaken werd betrokken.

Het arrest stelt vast dat "het geschil betrekking heeft op de regresvordering die [de eiseres] [...] in de hoedanigheid van arbeidsongevallenverzekeraar instelt tegen [de verweerder] [...] ten gevolge van het feit dat deze door zijn fout schade zou hebben veroorzaakt door een ambulancier te verwonden".

Het arrest stelt, met overneming van de redenen van het beroepen vonnis, vast dat "[twee ambulanciers] op 29 mei 2000 klacht hebben ingediend tegen [de ver-weerder] wegens opzettelijke slagen en verwondingen" dat er "volgens [de eise-res], [...] op 17 april 2001 een bemiddeling in strafzaken is getroffen", dat "[de eiseres] van oordeel is dat de procedure van de bemiddeling in strafzaken en het verval van de strafvordering geen afbreuk aan zijn rechten had kunnen doen" en dat "tegenover haar de fout van de dader als onweerlegbaar moet worden ver-moed".

Het arrest dat de vordering van de eiseres niet-gegrond verklaart op grond dat "de procedure van de bemiddeling in strafzaken niet de mogelijkheid biedt als vast-staand aan te nemen dat [de verweerder] een fout heeft begaan", schendt artikel 216ter, § 4, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre is het middel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis en raadsheren Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare rechts-zitting van 17 februari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Bemiddeling in strafzaken

  • Verval van de strafvordering

  • Onweerlegbaar vermoeden van de fout van de dader

  • Slachtoffer betrokken bij de bemiddeling in strafzaken

  • Gesubrogeerde in de rechten van het slachtoffer