- Arrest van 17 februari 2012

17/02/2012 - C.11.0451.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Degene die door zijn schuld een ander schade heeft berokkend, is verplicht ze te vergoeden en de getroffene heeft, in de regel, recht op de integrale vergoeding van de schade die hij heeft geleden (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2012 nr. ***.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0451.F

B.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. D.,

2. NATEUS nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Marche-en-Famenne van 17 februari 2011.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis dat uitspraak doet over de vordering tot vergoeding van de door de eiser geleden blijvende morele schade, verwerpt de kapitalisatiemethode die het vonnis had gebruikt om de schade te ramen, en het onderscheid tussen de geleden schade vanaf de consolidatie tot de dag van het vonnis en de toekomstige schade; het kent aldus als herstel van die schade het vaste bedrag van 27.480 euro toe en het baseert die beslissing op de onderstaande gronden:

"(De kapitalisatiemethode) is enkel [lees: niet] verantwoord wanneer, zoals hier, de basis zelf ex aequo et bono geraamd is en wanneer zij in de tijd kan variëren, rekening houdend met de gewenning en met de noodzakelijke aanpassing van de getroffene aan zijn lijden en aan de gevolgen ervan wanneer het zich mettertijd stabiliseert. In deze zaak kan de toekomstige morele schade enkel naar billijkheid worden geraamd.

Voor het overige geldt de verplichting voor de bodemrechter om een onderscheid te maken tussen de reeds geleden schade en de toekomstige schade enkel wanneer de rechter de kapitalisatieberekening gebruikt voor de raming van de schade; dat onderscheid heeft geen zin in geval van een forfaitaire raming, die gebaseerd is op de levensduur van [de getroffene] en op hetgeen voor hem in verhouding met zijn leeftijd noodzakelijk is (zie Cass., 21 april 1999, Pas., I, 230; Cass., 14 juni 1995, Pas., I, 627).

De regel volgens welke de rechter de schade moet ramen op het ogenblik dat hij uit-spraak doet, verbiedt hem niet het hoofdbedrag van de vergoeding te berekenen op het tijdstip dat de schade reeds vaststond, in haar geheel kon worden geraamd en derhalve kon worden vergoed, en zij verbiedt hem evenmin compensatoire interest op dat bedrag toe te kennen (zie Cass., 13 september 2000, R.G.A.R., 2001, nr. 13.343).

Hoewel die schade gespreid is over de tijd, kan zij worden vergoed, mits zij vaststaat en in haar geheel kan worden geraamd, vanaf de datum van de datum van de consolidatie (ibidem).

M.b.t. het bedrag dat per invaliditeitspercentage voor de morele schade moet worden toegekend, gelet op de leeftijd van de getroffene op het tijdstip van de consolidatie, bedraagt de som die enkel voor de morele schade wordt voorgesteld in de indicatieve tabel 2008, en waarvan de rechtbank vindt dat ze, in deze zaak, bijdraagt tot een billijke vergoeding van de schade, 687 euro.

Die schadepost bedraagt dus 27.480 euro (687x40), te vermeerderen met de compensatoire interest tegen de rentevoet van 5 pct. vanaf 1 januari 2001 (datum van de consolidatie)".

Grieven

In zijn aanvullende en syntheseconclusie in hoger beroep heeft (de eiser) eraan herinnerd dat "de kapitalisatiemethode van toepassing is op alle posten van de vordering zelfs als daarvoor een forfaitaire berekeningswijze mogelijk is, (...) dat voornoemd beginsel door de grote meerderheid van de bodemrechters wordt toegepast, dat hij de rechtspraak betreffende de morele schade en de economische schade door huishoudongeschiktheid ontleedt, omdat het hier twee schadeposten betreft waarvoor de rechtspraak eensgezind de kapitalisatiemethode gebruikt om de schade te ramen", en vervolgens vraagt hij dat zijn blijvende morele schade wordt geraamd volgens de kapitalisatiemethode en voert daartoe het volgende aan:

"1. Geleden schade van 1 januari 2001 tot 1 maart 2011

3.709 dagen x 25 euro x 43 pct. = 39.871,75 euro, te vermeerderen met de interest tegen de rentevoet van 5 pct. vanaf 1 januari 2006. Bijkomend, op grond van het verslag van deskundige W.: 3.709 dagen x 25 euro x 40 pct. = 37.090 euro te vermeerden met de interest tegen de rentevoet van 5 pct. vanaf 1 januari 2006.

2. Toekomstige schade na 1 maart 2011

Die schade zal worden gekapitaliseerd (zie hierboven aangehaalde rechtspraak en rechtsleer).

Levensannuïteiten - mannen - maandelijkse rente - rentevoet 3 pct. - leeftijd 64 jaar (geboren op 19 mei 1946): Tabellen van Levie 2007 (...) - Coëfficiënt: 13,53334 - Schade: (365 x 25 x 43 pct.) x 13,53334 = 44.396,69 euro".

De rechter mag, bij de beoordeling van het bedrag dat een door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade moet vergoeden, die schade enkel naar billijkheid ramen, als hij de redenen aangeeft waarom de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze, bijvoorbeeld de kapitalisatie, niet kan worden aangenomen en tevens vaststelt dat het onmogelijk is om de schade, zoals hij die heeft omschreven, anders te bepalen.

Die onmogelijkheid is niet relatief maar absoluut, zodat de rechter de schade slechts op forfaitaire wijze mag ramen, wanneer de door de getroffene voorgestelde raming volstrekt onmogelijk is.

Bovendien moet de schade in concreto worden geraamd met inachtneming van de concrete gegevens en feiten van de zaak.

Daaruit volgt dat de raming naar billijkheid niet kan worden verantwoord door de overweging dat, aangezien de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze zelf forfaitair is, de kapitalisatie niet verantwoord zou zijn; de rechter kan immers zijn forfaitaire raming van de schade niet in de plaats stellen van de raming door de getroffene op grond dat de basis van de kapitalisatieberekening zelf forfaitair is, aangezien de kapitalisatie van de schade op basis van een forfaitaire raming, inzonderheid wat de blijvende morele schade betreft, toegepast moet worden wanneer de getroffene daarom vraagt, tenzij de rechter vaststelt dat die berekening op zich onmogelijk is; kapitalisatie kan immers worden toegepast op elke tijdelijke of blijvende schade en sluit helemaal niet uit dat het te kapitaliseren dagelijks, maandelijks of jaarlijks basisbedrag aan de hand van een forfaitaire raming wordt bepaald.

De rechter mag evenmin de door de getroffene voorgestelde kapitalisatie vervangen door zijn eigen forfaitaire raming van de blijvende morele schade, onder het voorwendsel dat de getroffene zich maar moet schikken in zijn leed en dat zijn in-validiteit ten gevolge van dat leed zich mettertijd zou stabiliseren, aangezien die abstracte overwegingen de wiskundige berekening van de schade niet onmogelijk maken en niets te maken hebben met de raming in concreto van de schade.

Het bestreden vonnis verwerpt de kapitalisatiemethode die de eiser voorstelt om zijn morele schade te ramen en grondt die beslissing uitsluitend op de forfaitaire aard van de berekeningsbasis van de kapitalisatie en op de noodzaak voor de eiser om te wennen aan zijn leed en aan zijn invaliditeit ten gevolge van het ongeval die noch in gunstige noch in ongunstige zin zullen evolueren, maar het vermeldt niet dat die wiskundige berekening onmogelijk zou zijn en het geeft evenmin de redenen aan waarom dit wel zo zou zijn; het bestreden vonnis schendt bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek doordat het de schade niet in concreto raamt en doordat het de blijvende morele schade van de getroffene niet volledig vergoedt.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis dat uitspraak doet over de vordering tot vergoeding van de door de eiser geleden blijvende schade door huishoudongeschiktheid, verwerpt de kapitalisatiemethode die het vonnis had gebruikt om de schade te ramen, en het onderscheid tussen de geleden schade vanaf de consolidatie tot de dag van het vonnis en de toekomstige schade; het kent aldus als herstel van die schade het bedrag van 10.000 euro toe en het baseert die beslissing op de onderstaande gronden:

"Zoals hierboven werd verduidelijkt voor de blijvende morele schade, is de rechtbank van oordeel dat de door [de eiser] voorgestelde kapitalisatiemethode niet verantwoord is wanneer de basis zelf ex aequo et bono geraamd is en wanneer zij in de tijd kan variëren, wat in het bijzonder het geval is met de huishoudelijke activiteit, die neiging heeft af te nemen naarmate de getroffene ouder wordt. In deze zaak kan de toekomstige schade door huishoudongeschiktheid enkel naar billijkheid worden geraamd.

Voor het overige geldt de verplichting voor de bodemrechter om een onderscheid te maken tussen de reeds geleden schade en de toekomstige schade enkel wanneer de rechter de kapitalisatieberekening gebruikt voor de raming van de schade; dat onderscheid heeft geen zin in geval van een forfaitaire raming, die gebaseerd is op de overlevingstijd van [de getroffene] en op hetgeen voor hem in verhouding met zijn leeftijd noodzakelijk is (zie Cass., 21 april 1999, Pas., I, 230; Cass., 14 juni 1995, Pas., I, 627).

In deze zaak zal de toekenning van een ex aequo et bono op 10.000 euro vastgesteld bedrag, gelet op aard van het leed dat [eisers] huishoudgeschiktheid aantast, op zijn leeftijd op het tijdstip van de consolidatie, en op het in aanmerking genomen ongeschiktheidspercentage voor hem een passende schadevergoeding vormen".

Grieven

In zijn aanvullende en syntheseconclusie in hoger beroep herinnert de eiser eerst aan de beginselen die van toepassing zijn voor de raming van de blijvende schade en vordert hij dat zijn blijvende schade door huishoudongeschiktheid wordt geraamd volgens de kapitalisatiemethode. Hij voert daartoe het volgende aan:

"1. In hoofdorde

Periode van 1 januari 2001 tot 1 maart 2011

3.709 dagen x 6,13 euro x 43 pct. = 9.776,55 euro.

Subsidiair

3.709 dagen x 6,13 euro x 40 pct. = 9.044 euro

+ interest tegen 5 pct. vanaf 1 januari 2006

Schade na 1 maart 2011

(365 x 6,13 x 43 pct.) x 13,53334 = 13.020,48 euro

Subsidiair

(365 x 6,13 x 40 pct.) x 13,53334 = 12.112 euro".

De rechter mag, bij de beoordeling van het bedrag dat een door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade moet vergoeden, die schade enkel naar billijkheid ramen als hij de redenen aangeeft waarom de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze, bijvoorbeeld de kapitalisatie, niet kan worden aangenomen en tevens vaststelt dat het onmogelijk is om de schade, zoals hij die heeft omschreven, anders te bepalen.

Die onmogelijkheid is niet relatief maar absoluut, zodat de rechter de schade slechts op forfaitaire wijze mag ramen, wanneer de door de getroffene voorgestelde raming volstrekt onmogelijk is.

Bovendien moet de bodemrechter elke schadepost in concreto ramen met inachtneming van de concrete gegevens en feiten van de zaak die hem ter beoordeling zijn voorgelegd.

Daaruit volgt dat de raming naar billijkheid niet kan worden verantwoord door de overweging dat, aangezien de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze zelf forfaitair is, de kapitalisatie niet verantwoord zou zijn; de rechter kan immers zijn forfaitaire raming van de schade niet in de plaats stellen van de raming door de getroffene op grond dat de basis van de kapitalisatieberekening zelf forfaitair is, aangezien de kapitalisatie van de schade op basis van een forfaitaire raming, inzonderheid wat de blijvende schade door huishoudongeschiktheid betreft, toegepast moet worden wanneer de getroffene daar om vraagt, tenzij de rechter vaststelt dat die berekening op zich onmogelijk is; kapitalisatie kan immers worden toegepast op elke tijdelijke of blijvende schade en sluit helemaal niet uit dat het te kapitaliseren dagelijks, maandelijks of jaarlijks basisbedrag aan de hand van een forfaitaire raming wordt bepaald.

De rechter mag evenmin de door de getroffene voorgestelde kapitalisatie vervangen door zijn eigen forfaitaire raming van de blijvende schade door huishoudongeschiktheid, onder het voorwendsel dat de getroffene zich maar moet schikken in zijn leed en dat zijn invaliditeit ten gevolge van dat leed zich mettertijd zou stabiliseren, aangezien die abstracte overwegingen de wiskundige berekening van de schade niet onmogelijk maken en niets te maken hebben met de raming in concreto van de schade.

Het bestreden vonnis verwerpt de kapitalisatiemethode die de eiser voorstelt om zijn blijvende schade door huishoudongeschiktheid te ramen en grondt die beslissing uitsluitend op de forfaitaire aard van de berekeningsbasis van de kapitalisatie en op de noodzaak voor de eiser om te wennen aan zijn leed en aan zijn invaliditeit ten gevolge van het ongeval die noch in gunstige noch in ongunstige zin zullen evolueren, maar het vermeldt niet dat die wiskundige berekening onmogelijk zou zijn en het geeft evenmin de redenen aan waarom dit wel zo zou zijn; het bestreden vonnis schendt bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek doordat het de schade niet in concreto raamt en doordat het de blijvende schade van de getroffene door huishoudongeschiktheid niet volledig vergoedt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Degene die door zijn schuld aan een ander schade heeft berokkend, is verplicht ze te vergoeden en de getroffene heeft, in de regel, recht op de integrale vergoeding van de schade die hij heeft geleden.

De rechter raamt in concreto de schade die door een onrechtmatige daad is veroorzaakt.

Hij mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de reden aangeeft waarom hij de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.

Eerste middel

De eiser voerde in zijn appelconclusie m.b.t. de blijvende arbeidsongeschiktheid aan dat de raming naar billijkheid een subsidiair karakter heeft en dat de kapitalisatiemethode moet worden gebruikt voor alle punten van de vordering zelfs als daarvoor een forfaitaire berekeningswijze mogelijk is. Voor de reeds geleden morele schade van 1 januari 2001 tot 1 maart 2011, vorderde hij in hoofdzaak 3.709 dagen x 25 euro x 43 %, of een bedrag van 39.871,75 euro, en, voor de toekomstige morele schade na 1 maart 2011, eiste hij dat de schade zou worden gekapitaliseerd volgens de door hem aangegeven formule.

Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser "de vergoeding van zijn blijvende morele schade vordert volgens de forfaitaire berekeningswijze en vervolgens voor de toekomstige schade de kapitalisatiemethode gebruikt".

Het bestreden vonnis dat overweegt dat "die methode niet kan worden verantwoord wanneer [...] de basis zelf [naar billijkheid] wordt geraamd" en "in de tijd kan variëren, rekening houdend met de gewenning en met de noodzakelijke aanpassing van de getroffene aan zijn lijden en aan de gevolgen ervan wanneer het zich mettertijd stabiliseert", maar niet de omstandigheden, eigen aan de zaak, vermeldt die de variatie van de forfaitaire grondslag in de tijd verantwoorden, miskent de verplichting om de schade in concreto te ramen.

Het middel is gegrond

Tweede middel

De eiser voerde in zijn appelconclusie m.b.t. de economische schade door huishoudongeschiktheid aan dat de raming naar billijkheid een subsidiair karakter heeft en dat de kapitalisatiemethode moet worden gebruikt voor alle punten van de vordering, zelfs als daarvoor een forfaitaire berekeningswijze mogelijk is. Voor de reeds geleden economische schade door huishoudongeschiktheid van 1 januari 2001 tot 1 maart 2011, vorderde hij in hoofdorde 3.709 dagen x 6,13 euro x 43 %, of een bedrag van 9.776,55 euro, en, voor de toekomstige economische schade door huishoudongeschiktheid na 1 maart 2011, eiste hij dat die schade zou worden gekapitaliseerd volgens de door hem aangegeven formule.

Het bestreden arrest dat overweegt dat "de kapitalisatiemethode [...] niet kan worden verantwoord wanneer [...] de basis zelf [naar billijkheid] wordt geraamd" en "in de tijd kan variëren, wat in het bijzonder het geval is met de huishoudelijke activiteit, die neiging heeft af te nemen naarmate de getroffene ouder wordt", maar niet de omstandigheden, eigen aan de zaak, vermeldt die de variatie van de forfaitaire grondslag in de tijd verantwoorden, miskent de verplichting om de schade in concreto te ramen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de vergoeding van de blijvende morele schade en van de schade door huishoudongeschiktheid, alsook over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Aarlen, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare te-rechtzitting van 17 februari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Vergoeding

  • Voorwerp