- Arrest van 24 februari 2012

24/02/2012 - C.11.0394.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het vonnis verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de beslissing van de High Court niet strijdig is met de Belgische openbare orde en omkleedt deze regelmatig met redenen, wanneer het de naleving van het recht van verdediging van een partij in haar geheel en in het licht van alle omstandigheden van de zaak beoordeelt (1). (1) Zie HvJ, 2 april 2009, Gambazi, C-394/07.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0394.F

K. S.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

S. W.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het hof van cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, in laatste aanleg van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van 20 april 2010.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 31 januari 2012 conclusies neergelegd ter griffie.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes werd gehoord in zijn conclusies.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 34, punten 1 en 2, van de verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ;

- artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis stelt in substantie het volgende vast : 1. de eiser is bij vonnis van de Londense High Court van 19 april 2007 veroordeeld om, ten laatste op 19 juni 2007, aan de verweerster enerzijds een op het hoofd van hun gemeenschappelijk kind gekapitaliseerd onderhoudsgeld van 84.000 pond sterling (of 113.484 euro) en anderzijds een bedrag van 225.000 pond sterling (of 304.119 euro) te betalen teneinde haar in staat te stellen een woning te kopen om hierin zichzelf en hun gemeenschappelijk kind te huisvesten; 2. de verweerster heeft bij eenzijdig verzoekschrift, dat zij op 17 januari 2008 op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel heeft neergelegd, gevraagd om het vonnis van 19 april 2007 uitvoerbaar te verklaren; 3. de rechtbank heeft het verzoekschrift bij beschikking van 25 maart 2008 ontvankelijk verklaard en het vonnis van 19 april 2007 in België uitvoerbaar verklaard; 4. de eiser heeft, bij exploot van 1 juli 2008, tegen die beschikking derdenverzet aangetekend; 5. om zich te verzetten tegen de erkenning en de tenuitvoerlegging in België van het vonnis van 19 april 2007, voert de eiser de miskenning aan van de Belgische internationale openbare orde inzake de procedure, meer bepaald het gebrek aan redengeving, en 6. de eiser voert in substantie aan dat de beslissing van de High Court niet antwoordt op de middelen die hij heeft aangevoerd in zijn brief van 16 maart 2007 aan de rechter, terwijl de High Court een specifiek antwoord op elk van die middelen had moeten geven, en dat die beslissing zodoende artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt,

beslist vervolgens dat "de verordening Brussel I te dezen van toepassing is" en dat "artikel 34, 1, van die verordening bepaalt dat een buitenlandse beslissing niet wordt erkend indien de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat",

en verwerpt het middel waarin de eiser aanvoert dat de motiveringsplicht niet is nageleefd, verklaart het derdenverzet van de eiser tegen de beschikking van 25 maart 2008 ongegrond, bevestigt voor zover nodig die beschikking en veroordeelt de eiser in de kosten.

Het bestreden vonnis grondt die beslissing op de volgende redenen:

"Volgens de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, moet de rechterlijke beslissing op afdoende wijze de redenen preciseren waarop ze gebaseerd is, maar de omvang van die verplichting kan verschillen naargelang van de aard van de beslissing en moet beoordeeld worden in het licht van de omstandigheden van elk geval (...). Die verplichting houdt niet in dat er op elk argument een gedetailleerd antwoord moet worden gegeven (...). De beslissing van de Londense High Court preciseert in dit geval uitdrukkelijk dat ze kennisgenomen heeft van de door [de eiser] schriftelijk aangevoerde gegevens (...). [De eiser] heeft bewust ervoor gekozen om niet op de zitting te verschijnen en bewijst niet dat hij het nodige heeft gedaan om vertegenwoordigd te worden tijdens de procedure voor de High Court. Hij heeft zich dus uit eigen beweging tot één aanleg beperkt door geen enkel rechtsmiddel aan te wenden. De rechtbank kan niet gissen welke motivering zou zijn gegeven in het antwoord op de rechtsmiddelen die hij had kunnen aanwenden".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

Volgens artikel 34, punt 1, van de verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, wordt een buitenlandse beslissing niet erkend indien de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.

De openbare orde, waarvan de miskenning krachtens artikel 34, punt 1, van de verordening nr. 44/2001, de tenuitvoerlegging van de in de andere lidstaten gewezen vonnissen in de weg staat, omvat de basisregels van de rechtspleging en, met name, het recht op een eerlijk proces.

De niet-naleving, in de staat van herkomst, van de regels inzake het recht op een eerlijk proces, die zijn vastgelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, staat bijgevolg de erkenning en de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing in de weg.

Artikel 34, punt 1, van de (EG) verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 vereist in dat verband niet dat de miskenning van de procedurele openbare orde werd aangevoerd voor de gerechten van de staat waar de beslissing werd gewezen of nog dat de partij die zich op die miskenning beroept, in de lidstaat van herkomst alle beschikbare rechtsmiddelen heeft aangewend.

Een dergelijke vereiste ligt alleen vervat in artikel 34, punt 2, van de (EG) verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000, en dan nog uitsluitend wanneer de bij verstek veroordeelde verweerder aanvoert dat hij de gedinginleidende akte niet tijdig genoeg heeft ontvangen om zijn verdediging voor te bereiden.

De partij die, om zich te verzetten tegen de erkenning en de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing in de aangezochte lidstaat, aanvoert dat die beslissing werd gewezen met miskenning van de regels van het eerlijk proces, hoeft bijgevolg niet alle beschikbare rechtsmiddelen te hebben aangewend in de lidstaat van herkomst.

Dit geldt inzonderheid wanneer de partij die zich verzet tegen de erkenning en de tenuitvoerlegging, zoals te dezen juist aanvoert dat hij om financiële redenen geen beroep heeft kunnen doen op een raadsman om hem te verdedigen voor de gerechten van de lidstaat van oorsprong.

Het bestreden vonnis verantwoordt bijgevolg niet naar recht zijn beslissing om het middel te verwerpen waarin de eiser aanvoerde dat het vonnis van de Londense High Court van 19 april 2007, die de verweerster in België wou doen erkennen en ten uitvoer doen leggen, niet met redenen was omkleed en zodoende artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schond, op grond dat de eiser "zich dus uit eigen beweging tot één aanleg heeft beperkt door geen enkel rechtsmiddel aan te wenden en de rechtbank niet kan gissen welke motivering zou zijn gegeven in het antwoord op de rechtsmiddelen die hij had kunnen aanwenden" (schending van alle in de aanhef van het middel bedoelde bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet).

Het bestreden vonnis antwoordt, noch door de voormelde reden noch door de andere redenen, op het precieze middel uit de aanvullende en samenvattende conclusie waarin de eiser aanvoerde dat het standpunt van de verweerster, volgens hetwelk "de [eiser], indien hij van mening was dat het Engelse vonnis niet met redenen omkleed was, de hem door het Engelse recht ter beschikking gestelde interne rechtsmiddelen had moeten aanwenden om dat vonnis te doen wijzigen (...), niet gegrond is, noch naar recht noch in feite: haar standpunt is ten eerste niet gegrond naar recht, omdat het in een andere lidstaat gewezen vonnis dat strijdig is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet kan worden erkend en uitgevoerd in de andere lidstaten, nog afgezien van alle andere overwegingen over het al dan niet bestaan van rechtsmiddelen; het is ten tweede niet gegrond in feite, omdat de [eiser] geen reële toegang heeft gehad tot de Engelse rechtbanken". Het bestreden vonnis is dus daarenboven niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

(...)

Tweede onderdeel

Met de redenen die weergegeven worden in antwoord op het eerste onderdeel en deze die vergeefs bekritiseerd worden in het eerste middel, antwoordt het bestreden vonnis op de conclusie waarin de eiser aanvoerde dat hem niet kon worden verweten dat hij de interne rechtsmiddelen niet had aangewend.

Artikel 34, 1, van de EG-verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, bepaalt daarenboven dat een beslissing niet wordt erkend indien de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 2 april 2009 (C-394/07, G.) herhaald dat er op de openbare-ordeclausule enkel een beroep kan worden gedaan indien de erkenning of tenuitvoerlegging van de in een andere verdragsluitende staat gegeven beslissing op onaanvaardbare wijze zou botsen met de rechtsorde van de aangezochte staat doordat inbreuk op een fundamenteel beginsel zou worden gemaakt. De inbreuk zou moeten bestaan in een kennelijke schending van een rechtsregel die in de rechtsorde van de aangezochte staat van essentieel belang wordt geacht, of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht (punt 27). Een beperking van het recht van verdediging moet evenwel voldoen aan zeer strenge vereisten om niet te worden beschouwd als een kennelijke en buitensporige inbreuk op deze rechten en het staat aan de verwijzende rechter om in het licht van de concrete omstandigheden van het geval te beoordelen of dit het geval is (punten 33 en 34). De verenigbaarheid van de door de rechter van de staat van herkomst bevolen maatregel met de openbare orde van de aangezochte staat dient te worden beoordeeld in het licht van de procedure, beschouwd in haar geheel, en van alle omstandigheden (punt 40). De verwijzende rechter moet met name onderzoeken over welke rechtsmiddelen de betrokkene, na de uitspraak van de litigieuze beslissing, beschikte om de wijziging of de intrekking ervan te vorderen (punten 42 en 45).

Het bestreden vonnis beslist dat "de eerlijkheid van het proces, krachtens de vaststaande rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, in haar geheel moet worden beoordeeld", dat "[de eiser] te dezen geen enkel rechtsmiddel heeft aangewend en [dat] uit de enige jurisprudentiële beslissing [...] die hij aanvoert [...] geenszins kan worden afgeleid dat alle beschikbare rechtsmiddelen (hoger beroep of in voorkomend geval cassatieberoep), gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, gedoemd waren te mislukken, ongeacht of die rechtsmiddelen zouden zijn aangewend in het kader van een verzoek om rechtsbijstand dan wel betrekking hadden gehad op de grond van de zaak".

Om die redenen en om de redenen die zijn weergegeven in antwoord op het eerste onderdeel, waaruit blijkt dat het bestreden vonnis de naleving van eisers recht van verdediging in haar geheel en in het licht van alle omstandigheden van de zaak beoordeelt, verantwoordt het voormelde vonnis naar recht zijn beslissing dat de beslissing van de High Court niet strijdig is met de Belgische openbare orde en omkleedt deze regelmatig met redenen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 24 februari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Buitenlandse beslissing

  • Erkenning

  • Overeestemming met de Belgische openbare orde

  • Naleving van het recht van verdediging in de lidstaat van herkomst

  • Beoordeling door de Belgische rechter