- Arrest van 2 maart 2012

02/03/2012 - C.10.0569.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De openbare werkgever die, krachtens zijn wettelijke of reglementaire verplichtingen, een loon moet betalen aan zijn personeelslid zonder daarvoor arbeidsprestaties te ontvangen, heeft recht op vergoeding wanneer hij aldus schade lijdt (1). (1) Cass. 12 nov. 2008, AR P.07.1531.F, AC, 2008, nr. 627.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0569.F

DELTA LLOYD LIFE nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ETHIAS DROIT COMMUN, vereniging van onderlinge verzekeringen,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van 26 mei 2010 in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Luik.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan:

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 3, eerste lid, b) en 14, inzonderheid § 2 en 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;

- artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekering.

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek om aan de verweerster in haar hoedanigheid van gesubrogeerde in de rechten van de Intercommunale AIOMS, werkgever van mevrouw P., de door haar wegens de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid van de getroffene betaalde bedragen terug te betalen, namelijk de hoofdsom van 176.900,55 euro, het bedrag van de uitgekeerde renten en de wiskundige reserve. Het beslist aldus op grond dat "(de verweerster) haar rechtsvordering grondt op artikel 1382 Burgerlijk Wetboek wat door de (eiseres) wordt betwist.

De openbare werkgever kan tegen de derde die aansprakelijk is voor het arbeidsongeval van zijn personeelslid en tegen diens verzekeraar zowel een vordering tot subrogatie instellen op grond van artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 als een rechtstreekse vordering op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek.

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek is degene die een ander schade berokkent gehouden deze integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schadeveroorzakende handeling niet zou zijn verricht.

In de huidige stand van de wetgeving sluit geen enkele bepaling het verhaal dat de openbare werkgever op de aansprakelijke derde kan uitoefenen, uit van het gemeen recht inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid.

Die twee artikelen (1382 Burgerlijk Wetboek en 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967) hebben dezelfde aard zodat beide verhaalmiddelen naast elkaar staan zonder voorrang van de ene boven de andere.

De rechtstreekse vordering van de werkgever sluit het wettelijk verhaal dat laatstgenoemde kan gronden op indeplaatsstelling niet uit, daar beide verhaalmiddelen voldoen aan de voorwaarden die er eigen aan zijn.

Het staat aan de (verweerster) die haar verhaal grondt op artikel 1382 Burgerlijk Wetboek te bewijzen dat de bij die bepaling gestelde voorwaarden vervuld zijn en daartoe moet zij aantonen dat de verzekerde van de (eiseres) een fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met de zogezegde schade.

De geneesheren hebben zowel naar gemeen recht als volgens het arbeidsongevallenrecht een gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid van 23 pct. aangenomen en de consolidatiedatum vastgesteld op 1 januari 1997.

De (verweerster) vordert de vergoeding van de schade die de openbare werkgever gedurende het tijdvak van blijvende arbeidsongeschiktheid geleden heeft, namelijk de betaalde renten en de wiskundige reserve of het totaalbedrag van 176.900,55 euro dat niet wordt betwist.

De (eiseres) betwist daarentegen het recht van de (verweerster) om rechtstreeks verhaal uit te oefenen en baseert zich daartoe met name op de arresten van het Hof van cassatie van 9 januari 2006, 28 en 2008, 12 november 2008 en 30 juni 2009.

Rechtspraak doet geen enkele verbindende rechtsregel ontstaan.

De rechtbank kan zich niet aansluiten bij de zienswijze volgens welke de uitgekeerde rente ten laste zou moeten blijven van de werkgever.

De schade van de openbare werkgever bestaat in de wettelijke verplichting om een rente te betalen zonder enige tegenprestatie vanwege de bediende, omdat hij die bedragen niet had moeten betalen indien het ongeval niet had plaatsgevonden.

Uit de wet blijkt niet dat die verplichting, evenmin als die tot betaling van het loon gedurende het tijdvak van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, definitief ten laste valt van de werkgever. Zulks is integendeel in strijd met de indeplaatsstelling die plaatsvindt uit kracht van de wet.

In de huidige stand van de wetgeving mag geen onderscheid worden gemaakt tussen de regeling die geldt voor de gedurende het tijdvak van tijdelijke arbeidsongeschiktheid betaalde lonen en die welke geldt voor de gestorte renten.

Het verhaal van de (verweerster) is bijgevolg gegrond tot beloop van het bedrag van 176.900,55 euro".

Grieven

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek is eenieder die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de fout waarover hij zich beklaagt, niet zou zijn begaan.

De openbare werkgever die op grond van zijn wettelijke en reglementaire verplichtingen een loon dient te betalen aan zijn personeelslid zonder een tegenprestatie te ontvangen, heeft recht op een vergoeding wanneer hij aldus schade lijdt.

Krachtens artikel 14, § 2, van de wet van 3 juli 1967 blijven de in artikel 1 bedoelde personen of instellingen gehouden tot betaling van de in artikel 3, b), van die wet bepaalde rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid.

Wanneer overeenkomstig die wet de openbare werkgever de verplichting heeft een rente te betalen wegens gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid hoewel zijn personeelslid een tegenprestatie levert, kan de betaling van die rente en van het daartoe vastgestelde kapitaal noch voor die overheid noch voor de partij die krachtens artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 in haar rechten gesubrogeerd is, als een schade worden aangemerkt in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, hoewel die werkgever krachtens artikel 14, § 3, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 van rechtswege in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen treedt welke het slachtoffer kan doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het ongeval en zulks tot het bedrag van de renten en van het bedrag gelijk aan het kapitaal dat die renten vertegenwoordigt, en hoewel de werkgever zich genoodzaakt ziet een uitgave te doen die hij zonder het ongeval niet had moeten doen.

Het bestreden vonnis dat de veroordeling van de eiseres om aan de verweerster het bedrag terug te betalen van de uitkeringen die zij heeft moeten doen wegens de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid, hierop grondt dat die bedragen "niet hadden moeten worden betaald indien het ongeval niet had plaatsgevonden" en dat "uit de wet niet blijkt dat de verplichting (om een rente te betalen) definitief ten laste valt van de werkgever en dat zulks integendeel in strijd is met de indeplaatsstelling die plaatsvindt uit kracht van de wet", schendt derhalve alle in het middel vermelde wetsbepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De openbare werkgever die, krachtens zijn wettelijke of reglementaire verplichtingen, een loon moet betalen aan zijn personeelslid zonder daarvoor arbeidsprestaties te ontvangen, heeft recht op vergoeding wanneer hij aldus schade lijdt.

Wanneer de openbare werkgever, wettelijk of reglementair, verplicht is om zijn personeelslid, naast een loon, ook een rente uit te betalen wegens diens gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid, hoewel hij van hem een tegenprestatie ontvangt, is de betaling van die rente of van het kapitaal dat daartoe is gevestigd, geen schade in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

De appelrechters die oordelen dat de eiseres de uitgaven wegens de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid van de verweerster niet had moeten doen indien het ongeval niet had plaatsgevonden en dat uit de wet niet blijkt dat die verplichting tot betaling van een rente definitief ten laste valt van de werkgever, wat in strijd is met de indeplaatsstelling uit kracht van de wet, verantwoorden niet naar recht hun beslissing waarbij zij hun veroordeling van de eiseres tot terugbetaling van het bedrag van die uitkeringen aan de verweerster gronden op de voormelde artikelen.

Het middel is gegrond.

De verweerster voert aan dat de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek in onderling verband met de overige wetsbepalingen waarvan het middel de schending aanvoert, als ze aldus worden uitgelegd dat de betaling van de rente die haar werkgever aan een personeelslid van de openbare dienst verschuldigd is wegens een blijvende arbeidsongeschiktheid, als een te vergoeden schade moet worden beschouwd terwijl de betaling van de aan dat personeelslid gedurende een tijdvak van tijdelijke arbeidsongeschiktheid verschuldigde bezoldiging wel als een dergelijke schade moet worden beschouwd, een discriminatie inhouden die in strijd is met de grondwettelijke regels van de gelijkheid van de Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie in de uitoefening van de hen toegekende rechten en vrijheden die in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn vastgelegd.

De verweerster klaagt niet een onderscheid aan dat zou voortvloeien uit de wetsbepalingen die zij aangeeft, maar zij oefent kritiek uit op de gevolgen van de toepassing van die wetsbepalingen op feitelijke toestanden die onderling verschillen al naargelang de openbare werkgever al dan niet arbeidsprestaties van zijn personeelslid ontvangt.

Er bestaat dus geen grond om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Hoei, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Materiële schade

  • Openbare werkgever

  • Personeelslid, slachtoffer van een ongeval

  • Wettelijke of reglementaire verplichting tot betaling van loon

  • Geen tegenprestaties

  • Schade die aanleiding geeft tot vergoeding