- Arrest van 8 maart 2012

08/03/2012 - C.11.0124.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Zodra de bodemrechter een andersluidende beslissing omtrent de betwiste rechten heeft genomen, houdt de beslissing in kort geding van rechtswege op uitwerking te hebben; de beslissing van de kortgedingrechter heeft aldus uitwerking tot op het ogenblik van de andersluidende beslissing van de bodemrechter en zonder dat aan deze laatste beslissing in kort geding terugwerkende kracht wordt verleend (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0124.N

CITY MOTORS GROEP nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 89,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

CITROËN BELUX nv, met zetel te 1000 Brussel, IJzerplein 7,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 november 2010.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 8 februari 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 gecoördineerde Grondwet;

- de artikelen 19, 23 t/m 28, 584 en 1039 Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Na zoals in eerste aanleg de concessieovereenkomst ontbonden te hebben verklaard ten nadele van eiseres, verwerpt het bestreden arrest de door eiseres tegen verweerster ingestelde vordering tot schadevergoeding, met inbegrip van de schadevergoeding wegens de foutieve wijze waarop verweerster de door de kort gedingrechter bevolen voorlopige verderzetting van de overeenkomst uitvoerde, en dit op grond van volgende motieven:

37. Het besluit luidt dan ook dat [verweerster] terecht en rechtsgeldig de tussen partijen bestaande concessieovereenkomst heeft ontbonden bij toepassing van artikel XVIII van het contract van 13 mei 2003.

Hieruit volgt dat de vorderingen van [eiseres] tot betaling van de vergoedingen op grond van de artikelen 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 terecht werden verworpen door de eerste rechter.

Aangezien het hof ten gronde beslist dat de concessie rechtsgeldig door [verweerster] werd beëindigd op 1 juni 2004, kan deze laatste evenmin worden veroordeeld tot het vergoeden van de schade die [eiseres] beweert te hebben geleden ingevolge de (wijze van) verdere uitvoering van de concessie na deze datum, die door de voorzitter in kort geding werd bevolen.

Deze verdere uitvoering werd uitdrukkelijk gevorderd door [eiseres] en betwist door [verweerster], zodat [eiseres] niet kan voorhouden dat zij daartoe werd gedwongen.

[Verweerster] heeft in ieder geval geen enkele fout begaan die het toekennen van enige schadevergoeding te haren laste zou rechtvaardigen.

(...) "

Grieven

Eerste onderdeel

1. Artikel 584 Gerechtelijk Wetboek verleent aan de voorzitter in kort geding de bevoegdheid om in spoedeisende zaken bij voorraad uitspraak te doen. Overeenkomstig artikel 1039 kunnen zijn beschikkingen geen nadeel toebrengen aan de zaak en zijn zij uitvoerbaar bij voorraad.

Bedoeld om de situatie van partijen te regelen in afwachting van een beslissing ten gronde, genieten de beschikkingen van de rechter in kort geding voor die periode en binnen de perken van de opgelegde maatregel van een zeker gezag van gewijsde en gaan zij in kracht van gewijsde wanneer ze niet meer vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep (artikelen 19 en 23 t/m 28 Gerechtelijk Wetboek).

De omstandigheid dat de beschikkingen in kort geding geen uitspraak doen over de materiële rechten waarover partijen betwisting voeren, doet inderdaad geen afbreuk aan het bestaan van de opgelegde voorlopige maatregel en dus aan de verplichting tot uitvoering van die maatregel voor de tijd waarvoor zij is genomen.

Zo de beslissing over de grond van de zaak van aard is om een einde te stellen aan de maatregelen die de situatie voorlopig regelden, kan zij het bestaan van de beschikking in kort geding voor de periode waarvoor zij was genomen niet retroactief teniet doen.

Hieruit volgt dat indien de beschikking in kort geding aan een procespartij bevel gaf tot een welbepaalde handeling en die partij de handeling niet uitvoerde waardoor de wederpartij schade ondervond, die wederpartij zich op het bestaan van de beschikking in kort geding kan beroepen om vergoeding te bekomen van de schade die zij door de niet-uitvoering heeft geleden.

2. Te dezen staat onbetwistbaar vast dat de voorzitter van de rechtbank bij beschikking van 24 juni 2004 beslist heeft tot verdere uitvoering van de concessieovereenkomst in afwachting dat de rechter ten gronde uitspraak zou hebben gedaan over de geldigheid van de door verweerster aan eiseres ter kennis gebrachte opzeg op 1 juni 2004.

Verweerster diende die beschikking bijgevolg correct uit te voeren. De omstandigheid dat de appelrechters ten gronde uiteindelijk besluiten dat verweerster rechtsgeldig een einde stelde aan de overeenkomst op 1 juni 2004, doet hieraan geen afbreuk.

Het bestreden arrest oordeelt bijgevolg ten onrechte dat "[verweerster] evenmin kan worden veroordeeld tot het vergoeden van de schade die [eiseres] beweert te hebben geleden ingevolge de (wijze van) verdere uitvoering van de concessie na deze datum, die door de voorzitter in kort geding werd bevolen".

3. Door aldus te beslissen, miskent het bestreden arrest het (beperkte) gezag en de kracht van gewijsde van de beschikking in kort geding van 24 juni 2004 en schendt het bijgevolg de artikelen 19, 23 t/m 28, 584 en 1039 Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel

1. In haar syntheseconclusie in beroep, neergelegd op 26 juli 2010, vroeg eiseres als bijkomende vordering vergoeding voor de schade die zij leed doordat verweerster de beschikking van de voorzitter in kort geding van 24 juni 2004 miskende door bij de verdere uitvoering van de concessieovereenkomst eiseres te beconcurreren. Zij stelde hierdoor een schade van ongeveer 350.000 euro per jaar te lijden en vroeg tegenpartij te veroordelen tot een provisioneel bedrag van 2.100.000 euro , waarvan de door de kort gedingrechter toegekende provisies konden worden afgetrokken.

Ter ondersteuning van de foutieve uitvoering door verweerster van de beschikking in kort geding houdende bevel tot verdere uitvoering van de concessieovereenkomst in afwachting van de beslissing ten gronde, riep eiseres het arrest in dat het hof van beroep te Brussel, zetelend in kort geding, op 30 augustus 2006 had gewezen.

Meer bepaald voerde eiseres aan dat in dat arrest was beslist dat de door eiseres overgelegde stukken aantoonden dat verweerster agenten waarmee ze samenwerkte aanspoorde om met een andere concessiehouder te werken, dat verweerster rechtstreeks de klanten van eiseres benaderde en een derde concessiehouder benoemde in de dichte nabijheid van de vestiging van eiseres. Met verwijzing naar hetzelfde arrest voegde eiseres eraan toe dat het een fout uitmaakt om een rechterlijk bevel te miskennen.

2. Na op onwettige wijze te hebben geoordeeld dat verweerster niet kon worden veroordeeld tot schadevergoeding voor de wijze van uitvoering van de beschikking in kort geding (zie eerste onderdeel), beslist het arrest - ten overvloede - dat "[verweerster] in ieder geval geen enkele fout heeft begaan die het toekennen van enige schadevergoeding te haren laste zou rechtvaardigen".

Met die zeer algemene verwerping van enige fout in hoofde van verweerster die aanleiding zou geven tot schadevergoeding voor eiseres antwoordt het bestreden arrest niet op het boven vermeld verweer van eiseres gesteund op het in kort geding gewezen arrest van 30 augustus 2006, zowel voor wat betreft de aard van de fouten, als voor wat betreft het bewijs van die fouten, als voor wat betreft het recht op schadevergoeding wegens die fouten.

3. Bij gebrek aan antwoord op dit middel van eiseres, is het bestreden arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het bijgevolg artikel 149 Grondwet.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 19, 23 t/m 28, 584 en 1039 Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Na zoals in eerste aanleg de concessieovereenkomst ontbonden te hebben verklaard ten nadele van eiseres, willigt het bestreden arrest de tegeneis van verweerster grotendeels in door eiseres te veroordelen tot terugbetaling van de sommen die verweerster haar op grond van de beschikkingen in kort geding had betaald, begroot op een totaal bedrag van 1.861.648,53 euro meer intresten vanaf 7 juni 2010, en dit op grond van volgende motieven:

"Wat de tegeneis van [verweerster] betreft, heeft de eerste rechter terecht voor recht gezegd dat de concessieovereenkomst van 13 mei 2003 rechtmatig op 1 juni 2004 werd ontbonden ten laste van [eiseres] en aldus sedert 1 juni 2004 is beëindigd, zodat deze niet langer dient te worden verder gezet door [verweerster].

[Verweerster] vordert eveneens terecht de terugbetaling van de provisies die zij krachtens voormelde beschikkingen in kort geding heeft moeten betalen. In de procedure in kort geding werd immers uitdrukkelijk beslist dat het ging om provisies op hetgeen de bodemrechter zou toekennen en dat niets belette dat de vordering van [eiseres] ten gronde zou worden verworpen, met als gevolg dat de toegekende provisies zouden moeten worden teruggegeven (zie arrest van het hof van 30 augustus 2006).

In ieder geval dient het hof, ingevolge zijn huidige beslissing ten gronde, de uitwerking van de in kort geding bevolen maatregel te doen ophouden en de oorspronkelijke situatie te herstellen.

De betaalde provisies vertegenwoordigen een totaal bedrag in hoofdsom van 450.000 euro plus 1.411.648,53 euro, hetgeen niet wordt betwist door [eiseres].

(...)."

Grieven

Eerste onderdeel

1. Artikel 584 Gerechtelijk Wetboek verleent aan de voorzitter in kort geding de bevoegdheid om in spoedeisende zaken bij voorraad uitspraak te doen. Overeenkomstig artikel 1039 kunnen zijn beschikkingen geen nadeel toebrengen aan de zaak en zijn zij uitvoerbaar bij voorraad.

Bedoeld om de situatie van partijen te regelen in afwachting van een beslissing ten gronde, genieten de beschikkingen van de rechter in kort geding voor die periode en binnen de perken van de opgelegde maatregel van een zeker gezag van gewijsde en gaan zij in kracht van gewijsde wanneer ze niet meer vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep (artikelen 19 en 23 t/m 28 Gerechtelijk Wetboek).

De omstandigheid dat de beschikkingen in kort geding geen uitspraak doen over de materiële rechten waarover partijen betwisting voeren, doet inderdaad geen afbreuk aan het bestaan van de opgelegde voorlopige maatregel en dus aan de verplichting tot uitvoering van die maatregel voor de tijd waarvoor zij is genomen.

Zo de beslissing over de grond van de zaak van aard is om een einde te stellen aan de maatregelen die de situatie voorlopig regelden, kan zij het bestaan van de beschikking in kort geding voor de periode waarvoor zij was genomen niet retroactief teniet doen.

De beschikking wordt retroactief teniet gedaan wanneer de rechter ten gronde beslist tot terugbetaling van een in kort geding toegewezen geldsom wanneer die geldsom niet werd toegewezen als voorschot op het bedrag dat voorwerp is van het eigenlijke geschil ten gronde, maar wel als dwangmiddel bij een bevel om iets te doen of als schadevergoeding of voorschot op schadevergoeding wegens de niet-uitvoering van dat bevel.

Anders dan in het eerste geval, is de verschuldigdheid van de geldsom in die laatste situaties immers niet afhankelijk van de uitslag van de procedure ten gronde, maar wel van de uitvoering van de maatregel in kort geding, maatregel waarvan het bestaan zich opdringt voor de duur waarvoor zij werd genomen.

2. Ter verantwoording van de veroordeling van eiseres tot terugbetaling van alle provisies die zij in kort geding ontving, verwijst het bestreden arrest te dezen eerst naar een overweging uit het in kort geding gewezen arrest van 30 augustus 2006 (zie tweede onderdeel) en stelt het vervolgens - ten overvloede - dat "in ieder geval het hof [van beroep], ingevolge zijn huidige beslissing ten gronde, de uitwerking van de in kort geding bevolen maatregelen dient te doen ophouden en de oorspronkelijke situatie dient te herstellen".

Door ten gronde te beslissen dat verweerster rechtsgeldig een einde stelde aan de concessieovereenkomst per 1 juni 2004, komt inderdaad een einde aan de in kort geding genomen maatregelen die erop gericht waren de commerciële activiteiten tussen partijen voorlopig verder te zetten.

Dit betekent inderdaad dat de beschikkingen in kort geding geen verdere uitwerking meer kunnen krijgen omdat het gezag en de kracht van gewijsde van beschikkingen in kort geding slechts gelden binnen de duur waarvoor ze werden genomen en binnen de perken van de getroffen maatregelen.

Dit betekent evenwel niet dat alle gevolgen van die beschikkingen moeten worden tenietgedaan alsof er geen beschikkingen zijn geweest. Dit zou neerkomen op een ontkenning van het voormeld (beperkt) gezag en kracht van gewijsde van de beschikkingen in kort geding.

Op grond van dit onderscheid zijn de in kort geding toegewezen geldsommen als voorschot op de ten gronde gevorderde vergoeding wegens onrechtmatige opzegging van de overeenkomst terugbetaalbaar, terwijl de geldsommen toegewezen als schadevergoeding of als provisie op schadevergoeding wegens niet-uitvoering van de in kort geding bevolen voorlopige verderzetting van de overeenkomst behouden blijven.

3. Door te oordelen dat de beslissing ten gronde ertoe leidt dat partijen moeten worden teruggeplaatst in de situatie alsof er geen beschikkingen in kort geding zijn geweest en om die reden te beslissen tot terugbetaling van alle provisionele bedragen die op grond van de beschikkingen in kort geding werden betaald, zonder na te gaan wat die geldsommen precies beoogden te dekken, miskent het bestreden arrest het (beperkt) gezag en de kracht van gewijsde van de beschikkingen in kort geding en schendt het bijgevolg de artikelen 19, 23 t/m 28, 584 en 1039 Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel

1. Te dezen staat onbetwistbaar vast dat de voorzitter van de rechtbank bij beschikking van 24 juni 2004 beslist heeft tot verdere uitvoering van de concessieovereenkomst in afwachting dat de rechter ten gronde uitspraak zou doen over de geldigheid van de door verweerster aan eiseres ter kennis gebrachte opzeg op 1 juni 2004.

In een daarop volgende procedure in kort geding, die uitgemond is in een arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 augustus 2006, werd aan eiseres een provisioneel bedrag toegekend van 450.000 euro en de aanstelling van een deskundige bevolen met het oog op het bepalen van een eventuele maandelijks provisionele toelage. Hierna volgden nog andere beschikkingen in kort geding die bijkomende provisies toekenden aan eiseres.

Weliswaar stelt het arrest van 30 augustus 2006 in een reeks overwegingen dat "de toewijzing van hetgeen door [eiseres] wordt gevorderd, is vereist om het gevaar voor haar bedrijf af te wenden en de inwilliging ervan brengt ook geen nadeel toe aan de zaak zelf" en dat "de toekenning van een bedrag slechts als voorschot geldt en al ligt het wel in de bedoeling dat de bodemrechter later niet minder zou toekennen dan de kort gedingrechter, niets belet dat hij de vordering alsnog verwerpt met als gevolg dat de toegekende provisie moet worden teruggegeven".

Die motieven worden gevolgd door overwegingen over het eigenlijke geschil ten gronde, namelijk de vraag of de beëindiging van de overeenkomst door verweerster per 1 juni 2004 al dan niet rechtmatig was. Het arrest sluit die motieven af met de overweging: "In die gedachtengang zijn er geen redenen om aan te nemen dat [eiseres] geen vergoeding zal toegekend krijgen wegens de opzegging die haar op 1 juni 2004 is betekend".

Daarnaast stelt het in kort geding gewezen arrest echter ook vast dat "daarenboven [eiseres] ook aanvoert dat [verweerster] aan de in kort geding bevolen voortzetting van de relaties niet behoorlijk gevolg heeft gegeven en zij wijt haar penibele toestand ook hieraan".

Na te hebben herhaald dat verweerster zich inderdaad niet aan het bevel in kort geding heeft gehouden en te hebben gesteld dat "miskenning van een rechterlijk bevel evenzeer foutief is en grond tot schadeloosstelling oplevert", overweegt het arrest: "Vandaar heeft [eiseres] haar vordering uitgebreid tot vergoeding van schade die werd geleden wegens het verder verlieslatend exploiteren van de concessie".

Het is dus op grond van een dubbele reeks motieven, enerzijds motieven die een vergoeding wegens onrechtmatige beëindiging van de concessieovereenkomst betreffen en anderzijds motieven die een vergoeding wegens schade uit niet-correcte uitvoering van het bevel tot voorlopige verderzetting van de commerciële relaties betreffen, dat het arrest in kort geding besluit om aan eiseres een provisie van 450.000 euro toe te kennen en een deskundige aan te stellen met het oog op het bepalen van bijkomende provisionele toelagen, die uiteindelijk in navolgende beschikkingen werden toegekend.

2. Uit het - weliswaar beperkt - gezag en de kracht van gewijsde van beschikkingen in kort geding (zie eerste onderdeel) volgt dat enkel dat deel van de provisies dat betrekking heeft op de vergoeding wegens beëindiging van de concessieovereenkomst door eiseres dient terugbetaald.

Het deel van de provisies dat betrekking heeft op een schadevergoeding wegens miskenning van het in kort geding bevolen bevel tot voorlopige verderzetting van de overeenkomst daarentegen blijft aan eiseres verworven. Er anders over oordelen zou neerkomen op het retroactief teniet doen van de beschikking in kort geding en dus op een miskenning van haar (beperkt) gezag en kracht van gewijsde.

3. Te dezen beslist het bestreden arrest dat eiseres de volledige som van de in kort geding bekomen provisies aan verweerster moet terugbetalen.

Het arrest steunt die beslissing op de overweging dat "in de procedure in kort geding immers uitdrukkelijk werd beslist dat het ging om provisies op hetgeen de bodemrechter zou toekennen en dat niets belette dat de vordering van [eiseres] ten gronde zou worden verworpen, met als gevolg dat de toegekende provisies zouden moeten worden teruggegeven (zie arrest van het hof van 30 augustus 2006)".

In de mate het bestreden arrest hiermee oordeelt dat het in kort geding gewezen arrest van 30 augustus 2006 enkel provisies toekende op de vergoeding voor onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst, wat tot de eigenlijke betwisting ten gronde behoorde, steunt het bestreden arrest op een onvolledige lezing van het arrest in kort geding.

Uit de bovenstaande analyse van het arrest in kort geding blijkt immers dat de toegekende provisies evenzeer betrekking hebben op een schadevergoeding wegens niet-uitvoering door verweerster van de in kort geding bevolen maatregel tot voorlopige verderzetting van de commerciële relaties.

4. Door dat aspect van de in kort geding toegekende provisies niet in het arrest van 30 augustus 2006 te lezen, miskent het bestreden arrest de bewijskracht van het bedoelde arrest in kort geding (bijgevoegd) en schendt het bijgevolg de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 24 Gerechtelijk Wetboek, heeft iedere eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf de uitspraak.

Krachtens artikel 26 Gerechtelijk Wetboek, blijft het gezag van gewijsde bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.

2. Krachtens artikel 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.

Krachtens artikel 1039, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, brengen de beschikkingen in kort geding geen nadeel toe aan de zaak zelf.

3. Uit de voormelde bepalingen volgt dat zodra de bodemrechter een andersluidende beslissing omtrent de betwiste rechten heeft genomen, de beslissing in kort geding van rechtswege ophoudt uitwerking te hebben.

De beslissing van de kortgedingrechter heeft aldus uitwerking tot op het ogenblik van de andersluidende beslissing van de bodemrechter en zonder dat aan deze laatste beslissing in kort geding terugwerkende kracht wordt verleend.

De niet-naleving van de beslissing in kort geding tot aan de andersluidende beslissing van de bodemrechter kan aanleiding geven tot schadevergoeding, in de mate dat de schade het specifieke gevolg is van de niet-uitvoering van de rechterlijke beslissing in kort geding als dusdanig en niet van de niet-eerbiediging van de voorgehouden rechten van de eiser in kort geding, waarvan de aanspraken door de bodemrechter ongegrond werden bevonden.

4. De appelrechters oordelen dat de verweerster de concessie rechtsgeldig heeft beëindigd op 1 juni 2004 en zij om die reden niet kan veroordeeld worden tot het vergoeden van de schade die de eiseres beweert te hebben geleden ingevolge de wijze van verdere uitvoering van de concessie na deze datum, die door de voorzitter in kort geding werd bevolen.

Zij geven aldus te kennen dat de door de eiseres aangevoerde schade niet in aanmerking komt voor vergoeding omdat die het gevolg is van de wijze van uitvoering van de concessie na de datum waarop ze rechtsgeldig werd beëindigd en niet van de niet-uitvoering van de beslissing in kort geding als dusdanig.

5. Door aldus te oordelen miskennen de appelrechters het gezag van gewijsde van de beslissing in kort geding niet en evenmin de kracht van gewijsde ervan.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. De in het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde reden schraagt de beslissing van de appelrechters.

7. Het onderdeel dat opkomt tegen een overtollige reden is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

8. In zoverre het onderdeel aanvoert dat in kort geding definitieve vergoedingen werden toegekend wegens het niet-naleven van de in kort geding bevolen verderzetting van de concessie, mist het feitelijke grondslag.

9. Waar de beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf, belet de omstandigheid dat in kort geding provisies werden toegekend wegens het niet-naleven van de eveneens in kort geding bevolen verderzetting van de concessieovereenkomst, niet dat de bodemrechter de terugbetaling van de aldus toegekende provisies beveelt, wanneer hij, zoals te dezen, oordeelt dat de beweerde schade het gevolg is van de wijze van uitvoering van de concessieovereenkomst na de datum waarop ze rechtsgeldig werd beëindigd en niet van de niet-uitvoering van de beslissing in kort geding als dusdanig.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

10. De appelrechters oordelen niet dat het arrest van 30 augustus 2006 enkel provisies toekent wegens de onrechtmatige beëindiging van de concessieovereenkomst en niet wegens de niet-naleving van het rechterlijk bevel tot verderzetting van die concessieovereenkomst.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 669,59 euro en voor de verweerster op 175,27 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 8 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Beslissing

  • Gezag van gewijsde

  • Uitwerking

  • Andersluidende beslissing van de bodemrechter