- Arrest van 13 maart 2012

13/03/2012 - P.11.1183.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 227, §1, AWDA, dat bepaalt dat bij uitbreiding van artikel 226 AWDA en onverminderd het bepaalde in de artikelen 66, 67, 69 en 505 Strafwetboek, zij, ten laste van wie wordt bewezen dat ze aan een smokkelfeit hebben deelgenomen als verzekeraars, als hebbende laten verzekeren of als belanghebbende op om het even welke wijze, worden gestraft met de tegen de daders gestelde straffen, is van toepassing op het door artikel 436 Programmawet 2004 en artikel 39 Accijnswet 1997 bedoelde misdrijf van zich als dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende te hebben schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en het vervoer van energieproducten waarvan de herkomst niet is gestaafd door regelmatige aankoopfacturen onder verbruiksregime en die worden onttrokken aan de voorgeschreven debitering die de heffing van de accijnsrechten verzekert (1). (1) De wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, werd opgeheven door artikel 49 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1183.N

I

L. V.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Johan Cambier, advocaat bij de balie te Oudenaarde.

II

M. V. D. M.,

beklaagde,

eiser,

beide cassatieberoepen tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum "Ter Plaeten", Sint-Lievenslaan 27,

vervolgende partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 mei 2011.

De eiser I voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser II voert geen middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert aan dat het arrest de eiser I als chauffeur van een vrachtwagen met illegale benzine ten onrechte heeft beschouwd als een belanghebbende; het criterium van belanghebbende komt niet voor in de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controle daarop (hierna Accijnswet 1997); de eiser I mocht als chauffeur van de vrachtwagen ervan uitgaan dat de accijns op de benzine reeds was voldaan en hij kan zich dan ook niet schuldig hebben gemaakt aan het onttrekken aan accijns.

2. De eiser I werd met de telastlegging A vervolgd om zich op 4 augustus 2006 als dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende te hebben schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en het vervoer in een tankwagen van 22.000 liter benzine waarvan de herkomst niet was gestaafd door regelmatige aankoopfacturen van deze energieproducten onder verbruiksregime en die werd onttrokken aan de voorgeschreven debitering, die de heffing van de accijnsrechten verzekert.

Dit misdrijf is strafbaar gesteld door artikel 436 van de programmawet van 27 december 2004 (hierna Programmawet 2004) en op het ogenblik van de feiten tevens door artikel 39 Accijnswet 1997.

3. Artikel 227, § 1, AWDA bepaalt dat bij uitbreiding van artikel 226 AWDA en onverminderd het bepaalde in de artikelen 66, 67, 69 en 505 Strafwetboek, zij, ten laste van wie wordt bewezen dat ze aan een smokkelfeit hebben deelgenomen als verzekeraars, als hebbende laten verzekeren of als belanghebbende op om het even welke wijze, worden gestraft met de tegen de daders gestelde straffen.

Artikel 227, § 1, AWDA is van toepassing op het door artikel 436 Programmawet 2004 en artikel 39 Accijnswet 1997 bedoelde misdrijf.

Het middel dat ervan uit gaat dat de deelnemingsvorm "belanghebbende op om het even welke wijze" niet van toepassing is op dit misdrijf, faalt in zoverre naar recht.

4. Met artikel 227, § 1, AWDA viseert de wetgever alle vormen van deelneming, ook die welke niet binnen het toepassingsgebied van de artikelen 66, 67 en 69 Strafwetboek vallen. Belanghebbende in de zin van artikel 227, § 1, AWDA is de derde die, wetende dat hij zijn medewerking verleent aan het misdrijf, zich verstaat met de dader of daders van de fraude hetzij om een voordeel uit de fraude te verkrijgen hetzij om de fraude te vergemakkelijken of toe te laten dat ze blijft voortbestaan, en die ook het opzet heeft om dit te doen.

5. De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde heeft deelgenomen "als belanghebbende op om het even welke wijze" in de zin van artikel 227, § 1, AWDA.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

6. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter, is het niet ontvankelijk.

7. Het arrest (p. 5-6) oordeelt op de volgende eigen en van het beroepen vonnis overgenomen gronden dat de eiser I zich als belanghebbende aan de telastlegging A heeft schuldig gemaakt:

- de eiser I verklaarde dat hij een paar weken vóór de feiten werd gecontacteerd door de eiser II om voor hem af en toe een transportje te doen in België, dat hij mocht factureren (beroepen vonnis, p. 6);

- de eiser I was de bestuurder van de vrachtwagen waarin de illegale benzine werd vervoerd (arrest, p. 6);

- de benzine in de vrachtwagen was van illegale herkomst en er kan dus geen accijns zijn voldaan aangezien deze benzine niet op een reguliere manier in omloop mocht worden gebracht (beroepen vonnis, p. 9);

- er is daarenboven geen bewijs dat de benzine door een Belgische firma werd geleverd (beroepen vonnis, p. 9);

- de niet-conforme samenstelling, de afwezigheid van officiële documenten en de betwiste leverancier wijzen erop dat het hier om een frauduleuze levering van benzine gaat (beroepen vonnis, p. 9);

- volgens artikel 6 Accijnswet 1997 doet de fabricage, de invoer of de onttrekking op onregelmatige wijze de accijnsverplichting ontstaan (beroepen vonnis, p. 9);

- de eiser I kon niet onwetend zijn omtrent het frauduleus karakter van de levering aangezien het transport werd uitgevoerd zonder transport- of accijnsdocumenten, zonder vrachtbrief, zonder laadbon (arrest, p. 5-6) en met een verkeerde ADR-plaat (beroepen vonnis, p. 9);

- dergelijke tekortkomingen zijn niet aannemelijk voor een professionele vervoerder (beroepen vonnis, p. 10);

- alle documenten die hadden kunnen leiden tot enige identificatie van de herkomst van de producten werden moedwillig achterwege gelaten (beroepen vonnis, p. 10);

- door in te stemmen met een vervoer dat niet vergezeld was van een vrachtbrief hielp de eiser I mee aan het verdoezelen van de herkomst van het product (beroepen vonnis, p. 10);

- de handelswijze van de eiser I, namelijk het uitvoeren van een transport zonder de vereiste documenten, zonder nazicht van de lading en zonder de herkomst van de lading goed te kennen, is alleen maar verklaarbaar als de eiser I als professioneel vervoerder weet had van het frauduleus karakter van het transport (beroepen vonnis, p. 11).

Op die gronden kon het arrest de eiser I schuldig verklaren aan de telastlegging A "als belanghebbende op om het even welke wijze" en is die beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 112,06 euro waarvan de eiser I en II elk 56,03 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 13 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Energieproducten onder verbruiksregime

  • Energieproducten waarvan herkomst niet gestaafd door regelmatige aankoopfacturen

  • Energieproducten onttrokken aan de voorgeschreven debitering die de heffing van accijnsrechten verzekert

  • Voorhanden hebben en vervoer

  • Artikel 436, Programmawet 2004 en 39, Accijnswet 1997

  • Deelneming als belanghebbende

  • Artikel 227, § 1, AWDA

  • Toepasselijkheid