- Arrest van 15 maart 2012

15/03/2012 - F.11.0012.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die, in een geval waarin een Btw-boete van 200 % werd opgelegd wegens het gebruik door de belastingplichtige van een valse naam bij de aankoop van goederen om zich zodoende ‘in het zwart’ te kunnen bevoorraden, vaststelt dat het de eerste overtreding is van de belastingplichtige, en de fraude het algemeen belang schaadt en concurrentieverstorend is, heeft op grond van die gegevens wettig kunnen oordelen dat de opgelegde boete onevenredig was en moest verminderd worden tot 75 procent van de ontdoken belasting.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0012.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de e.a. inspecteur, ontvanger van het btw-ontvangkantoor te Gent 2, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 108,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

M. M.,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 22 oktober 2009 op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 16 februari 2007.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 70, § 1, eerste lid, Btw-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84, derde lid, Btw-wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1, laatste lid, KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten (hierna: KB nr. 41) zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

3. De appelrechter oordeelt dat :

- hij, bij de toetsing van de administratieve geldboete, rekening mag houden met het feit dat de inbreuk een eerste overtreding van de verweerster is ;

- dit gegeven evenwel geen vermindering van de boete tot 50 procent rechtvaardigt, waartoe de eerste rechter besloot;

- de betwisting over de gegevens op basis waarvan de rechter de boete kan verminderen tot een boete die hij evenredig acht, niet gelijkaardig is aan de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het Hof van 13 februari 2009, vermits de verweerster enkel inroept dat het een eerste overtreding is.

Op grond hiervan vermindert de appelrechter de administratieve geldboete tot 75 procent omdat het gaat om de eerste overtreding en omdat dit percentage ook rekening houdt met het feit dat de fraude het algemeen belang schaadt en concurrentieverstorend is.

Op die gronden kon de appelrechter wettig beslissen dat de opgelegde boete onevenredig was en moest verminderd worden tot 75 procent van de ontdoken belasting.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 158,75 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 15 maart 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Administratieve sancties met repressief karakter

  • Wettelijkheid van de sanctie

  • Evenredigheid met de inbreuk

  • Toetsingsrecht van de rechter

  • Beoordelingscriteria

  • Pertinente elementen