- Arrest van 20 maart 2012

20/03/2012 - P.11.1774.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een vonnisgerecht heeft niet de rechtsmacht om de regelmatigheid van de beslissingen van het onderzoeksgerecht rechtstreeks of onrechtstreeks te onderzoeken of te beoordelen (1). (1) Cass. 5 april 2006, AR P.06.0322.F, AC, 2006, nr. 205.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1774.N

A M G J V W,

beklaagde, gedetineerd,

eiser,

met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 oktober 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, elf middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart eisers verzet ontvankelijk, evenals het door hem ingestelde hoger beroep, behoudens in zoverre het gericht is tegen de beschikkingen van het beroepen vonnis die hem vrijspreken.

2. Het spreekt de eiser eveneens vrij voor de feiten van de telastleggingen A.1, G.1.c en d, G.2.g en G.3.

3. In zoverre daartegen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 28bis, 47sexies, 47octies en 235ter Wetboek van Strafvordering: het bestreden arrest oordeelt dat ingevolge het eerdere arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de controle overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid of wettigheid van het proactief onderzoek niet langer ter discussie staat, evenmin als de bepaling van de zogenaamde onder- of bovengrens ervan; aldus verleent het bestreden arrest aan het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de BOM-controle een inhoud die het nooit kan hebben overeenkomstig artikel 235ter, en evenmin heeft luidens de bewoordingen van dat arrest zelf; het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling heeft zich immers niet uitgesproken over de proactieve recherche, maar enkel over de bijzondere opsporingsmethoden welke in het kader daarvan werden aangewend.

5. Overeenkomstig artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering kunnen de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, niet meer opgeworpen worden voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na het debat voor de kamer van inbeschuldigingstelling. Wel zijn de bepalingen van deze paragraaf van artikel 235bis niet van toepassing ten aanzien van de partijen die pas na de verwijzing naar het vonnisgerecht in de rechtspleging betrokken zijn, behalve indien de stukken uit het dossier worden verwijderd overeenkomstig artikel 131, § 2, of overeenkomstig artikel 235bis, § 6.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen bij schriftelijke vordering van de federale procureur van 29 december 2009 gelast werd met de controle overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering;

- bij tussenarrest van 20 mei 2010 de kamer van inbeschuldigingstelling, "door partijen verzocht om tevens toepassing te maken van artikel 235bis Wetboek Strafvordering", het debat hiervoor heropende;

- na het tussenarrest van 20 mei 2010 de beslissing tot bevestiging van het bestaan van machtigingen tot observatie en tot infiltratie van 18 september 2008, evenals het proces-verbaal van de federale gerechtelijke politie van 25 september 2008 overeenkomstig de artikelen 47septies en 47novies Wetboek van Strafvordering aan het strafdossier werden toegevoegd;

- nadat het openbaar ministerie en de partijen, waaronder de eiser, in het kader van de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering in de gelegenheid werden gesteld hun standpunt naar voor te brengen, de kamer van inbeschuldigingstelling in haar arrest van 24 juni 2010 vaststelde dat de procureur des Konings van Hasselt op 10 mei 2006 de voorafgaande en schriftelijke toestemming voor een proactieve recherche rond de eiser overeenkomstig artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering had verleend;

- de kamer van inbeschuldigingstelling in hetzelfde arrest oordeelde dat "de proactieve recherche, inbegrepen de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 28bis, 47sexies en 47octies Wetboek Strafvordering. De ernstige aanwijzingen voor de ten laste gelegde feiten en het redelijk vermoeden zoals omschreven in artikel 28bis Wetboek Strafvordering waren aanwezig en blijken uit het hoger genoemd proces-verbaal 005390/2008, het aanvankelijk proces-verbaal van 17 september 2008 en de processen-verbaal van 18 september 2008 (stukken 9 e.v., 20 e.v. en 24 e.v.). Uit deze processen-verbaal van 17 en 18 september 2008 kan tevens worden opgemaakt dat de zogenaamde bovengrens van de proactieve recherche werd nageleefd. Op dat ogenblik werd besloten dat er enerzijds voldoende beeldvorming was tot stand gekomen en anderzijds dat er voldoende concrete aanwijzingen werden verzameld om een reactief onderzoek op te starten. Die concrete aanwijzingen werden verwoord in de schriftelijke antwoord- en vervangende conclusie van het openbaar ministerie (blz. 3). Het vinden van een door V W op 15 augustus 2008 achtergelaten oplaadcode was hierbij cruciaal. Dezelfde processen-verbaal tonen aan dat de aangewende bijzondere opsporingsmethoden tijdens de proactieve recherche beantwoorden aan de voorwaarden van proportionaliteit en subsidiariteit." en dat "geen onregelmatigheden, nietigheden of schendingen werden vastgesteld met betrekking tot de opeenvolging van de bevoegde magistraten en hun vervanging of delegatie, evenmin met betrekking tot de door hen gestelde onderzoeksdaden of uitgeschreven bevestigingen van de machtigingen tot bijzondere onderzoeksmethoden";

- de kamer van inbeschuldigingstelling tot slot oordeelde dat het strafdossier in het kader van de controle op grond van de artikelen 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering volledig is, geen nietigheden, onregelmatigheden of schendingen van verdragrechtelijke of wettelijke bepalingen kunnen weerhouden worden en er evenmin onregelmatigheden werden begaan bij de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden;

- het door de eiser tegen het arrest van 24 juni 2010 ingestelde cassatieberoep verworpen werd bij arrest van het Hof van 21 september 2010.

Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht dat ingevolge het eerdere arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de controle overeenkomstig de artikelen 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid of wettigheid van het proactief onderzoek niet langer ter discussie staat, evenmin als de bepaling van de zogenaamde onder- of bovengrens.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28bis Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers verzoek tot voeging van het verslag dat vermoedelijk werd opgesteld door de federale gerechtelijke politie van Hasselt in vermoedelijk mei 2006 en dat de aanleiding was om een proactief onderzoek op te starten; dit verslag diende immers gevoegd te worden om een debat toe te laten "over de regelmatigheid van de machtiging tot proactief onderzoek uitgaande van de procureur des Konings evenals over het behalen van de ondergrens teneinde, conform artikel 28bis Wetboek van Strafvordering, een proactief onderzoek te kunnen opstarten".

8. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat de appelrechters oordelen dat de regelmatigheid of wettigheid van het proactief onderzoek niet langer ter discussie staat, evenmin als de bepaling van de zogenaamde onder- of bovengrens. Zij dienden dan ook eisers verzoek dat hierop betrekking had, niet verder te beantwoorden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door enerzijds te motiveren dat het niet aan de vonnisrechter toekomt de onder- of bovengrens van een proactief onderzoek te beoordelen en anderzijds de vrijspraak te bevestigen voor de telastlegging A.1, gesteund op de wering van stukken door de overschrijding van de bovengrens, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.

10. De appelrechters spreken de eiser vrij voor het heromschreven feit van de telastlegging A.1 "bij gebrek aan afdoend bewijs". Zij verwijzen hiervoor niet naar de redenen van het eerste vonnis.

Het middel dat een tegenstrijdigheid in de motivering aanvoert, berust op een onjuiste lezing van het arrest.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: de appelrechters hebben de rechtmatigheidstoets die vereist is voor de niet-openbaarmaking van bewijsmateriaal, onvoldoende uitgevoerd; het arrest oordeelt ten onrechte dat de BOM-controle, uitgevoerd door de kamer van inbeschuldigingstelling, voldeed aan de wettelijke criteria en dat de wetgever bedoeld heeft aan de verdediging geen inzagerecht van het vertrouwelijk dossier te verlenen zowel tijdens het gerechtelijk onderzoek als tijdens de behandeling ten gronde.

12. Een vonnisgerecht heeft niet de rechtsmacht om de regelmatigheid van de beslissingen van het onderzoeksgerecht rechtstreeks of onrechtstreeks te onderzoeken of te beoordelen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

13. Het feit dat de inverdenkinggestelde ook tijdens de behandeling ten gronde geen inzage krijgt van het vertrouwelijk dossier, levert op zich geen schending op van artikel 6 EVRM. Dit is voor de inverdenkinggestelde weliswaar een beperking van zijn recht van verdediging die evenwel verantwoord is door de noodzaak de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken af te schermen, alsmede de veiligheid van de uitvoerders te vrijwaren en hun identiteit af te schermen.

Deze beperking van het recht op tegenspraak blijft over de hele duur van het proces uitzonderlijk en wordt gecompenseerd door het feit dat de regelmatigheid van de uitgevoerde opsporingsmethoden getoetst wordt door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, namelijk de kamer van inbeschuldigingstelling, die onaantastbaar vaststelt dat de gegevens van het open dossier, waaronder het proces-verbaal van uitvoering en deze van het proactief onderzoek, overeenstemmen met de gegevens van het vertrouwelijk dossier.

Tevens kan de beklaagde voor de feitenrechter op basis van het open dossier al zijn rechtsmiddelen tegen de aangewende opsporingsmethoden aanwenden.

Rekening houdend met het feit dat de stukken uit het vertrouwelijk dossier niet als bewijs kunnen worden gebruikt, wordt hierdoor het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde niet aangetast.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

14. De appelrechters die met overname van de redenen van het beroepen vonnis, aangevuld met eigen redenen, aldus oordelen, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vijfde middel

15. Het middel voert schending aan van de artikelen 28bis, 47septies, 47octies, 47novies en 235ter Wetboek van Strafvordering: er werd geen enkel stuk van de gehele fase van het proactief onderzoek aan het dossier toegevoegd; het arrest oordeelt dat uitsluitend de kamer van inbeschuldigingstelling kennisneemt van het vertrouwelijk dossier en dat de wetgever uitdrukkelijk geen inzagerecht heeft verleend aan de verdediging; de kamer van inbeschuldigingstelling kan evenwel nooit gevat worden van een controle van een proactief dossier waarin geen bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie zijn uitgevoerd; de verdediging moet voor de feitenrechter ten volle het debat kunnen voeren over de regelmatigheid van een proactief onderzoek.

16. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat:

- de kamer van inbeschuldigingstelling niet alleen een BOM-controle overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering uitgevoerd heeft, maar in dat kader het debat heropend heeft teneinde een controle overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering uit te voeren;

- ter uitvoering van het tussenarrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 20 mei 2010 meerdere stukken die verband hielden met het proactief onderzoek, aan het dossier werden gevoegd;

- de kamer van inbeschuldigingstelling bij arrest van 24 juni 2010 oordeelde dat "de proactieve recherche, inbegrepen de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 28bis, 47sexies en 47octies Wetboek Strafvordering";

- het door de eiser tegen het arrest van 24 juni 2010 ingestelde cassatieberoep verworpen werd bij arrest van het Hof van 21 september 2010.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Zesde middel

17. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 28bis en 47 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het komt de feitenrechter toe de overschrijding van de onder- en bovengrens van de proactieve recherche te beoordelen, minstens voor de aspecten die geen betrekking hebben op de tijdens het proactief onderzoek aangewende bijzondere opsporingsmethoden; door de niet-tijdige overgang van een proactieve naar een reactieve fase niettegenstaande de stand van het onderzoek noopte tot dergelijke overgang, werd eisers recht van verdediging miskend.

18. In zoverre het middel het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, of gericht is tegen het door het openbaar ministerie gevoerde onderzoek, is het niet ontvankelijk.

19. Voor het overige kunnen, zoals in het antwoord op het eerste middel werd vermeld, de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, overeenkomstig artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering niet meer opgeworpen worden voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering.

Deze controle werd voor dit dossier uitgevoerd bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen van 24 juni 2010.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Zevende middel

20. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 40 Wet Politieambt: op grond van de informatie waarover de onderzoekers en het openbaar ministerie beschikten in januari 2008, zoals bij wijze van voorbeeld blijkt uit het proces-verbaal nr. 6810/2008 van 18 september 2008, diende alsdan te worden overgegaan tot het opstellen van een proces-verbaal; door zulks niet te doen werd eisers recht van verdediging miskend.

21. Het middel komt op tegen het oordeel van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen van 24 juni 2010 dat:

- de proactieve recherche liep tot 17 september 2008;

- geen nietigheden of onregelmatigheden, noch schendingen van verdragrechtelijke of wettelijke bepalingen kunnen worden weerhouden;

- "de proactieve recherche, inbegrepen de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 28bis, 47sexies en 47octies Wetboek Strafvordering."

Het door de eiser tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep werd verworpen bij arrest van het Hof van 21 september 2010.

Het middel is niet ontvankelijk.

Achtste middel

22. Het middel voert schending aan van artikel 28bis Wetboek van Strafvordering: op 15 augustus 2008, tijdens de fase van het proactief onderzoek, blijkt de undercoveragent een door de eiser gebruikte herlaadcode te hebben kunnen recupereren; niettegenstaande hierover niets terug te vinden is in het dossier, dient aangenomen te worden dat deze code vervolgens door de undercoveragent inbeslaggenomen werd; niettegenstaande dergelijke inbeslagname tijdens de fase van het proactief onderzoek elke wettelijke basis ontbeert, oordelen de appelrechters dat deze inbeslagname gerechtvaardigd is.

23. Artikel 28bis, § 3 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de handelingen van het opsporingsonderzoek, dat zich ook uitstrekt over de proactieve recherche, de inbeslagneming van de zaken, vermeld in de artikelen 35 en 35ter, kunnen inhouden.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Negende middel

24. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: de appelrechters verwerpen ten onrechte eisers verzoek over te gaan tot een confrontatie met de undercoveragenten met de reden dat slechts een relatieve bewijswaarde aan de verklaringen van de undercoveragenten wordt gehecht en dat hun oordeel niet hoofdzakelijk op die verklaringen steunt; de eiser heeft zich evenwel geen oordeel kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de undercoveragenten; de appelrechters laten ook na in te gaan "op het door de verdediging gestelde uitlokkingsverweer, welk verweer effectief niet door de verdediging kon worden gevoerd door het ontbreken van iedere inzage in het BOM-dossier".

25. Artikel 6.3.d EVRM waarborgt het recht van de beklaagde om getuigen à charge of à décharge op te roepen; die bepaling verhindert niet dat de rechter onaantastbaar de noodzaak en de relevantie van een gevraagd getuigenverhoor beoordeelt en die vraag afwijst mits hij het recht van de partijen om een zodanig bewijs te leveren, niet miskent.

In zoverre faalt het middel naar recht.

26. Met overname van de redenen van de eerste rechter die zij met eigen redenen aanvullen, oordelen de appelrechters dat:

- zij slechts een relatieve bewijswaarde hechten aan de verklaringen van de undercoveragent en geenszins hoofdzakelijk steunen op diens verklaring;

- "rekening houdende met de gevoerde procedure, de gevoerde BOM-procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling, de behandeling ter zitting, de stukken die voorliggen, het gegeven dat twee undercoveragenten verslag deden en hun bevindingen aan elkaar kunnen worden getoetst, het feit dat beklaagden getuigen konden oproepen en er zo onder meer op verzoek van de eiser en tweede beklaagde getuigen werden gehoord i.v.m. de uitlatingen van de eiser over de undercoveragenten, en met het gegeven dat de rechtbank en de beklaagden de verslagen in verband met de bevindingen van de undercoveragenten kunnen toetsen aan objectieve gegevens, onder meer de bij de huiszoekingen aangetroffen goederen (vb. de kaart), het door de undercoveragent Billy met (de eiser) opgenomen gesprek, de sms-berichten, (vb. tussen de eiser en Billy) en telefonische gesprekken (vb. het gesprek met derde beklaagde)" zij voldoende ingelicht zijn om, vooral op basis van andere bewijselementen dan die verklaringen, de waarheid te achterhalen en de schuld vast te stellen.

Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

27. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 67 tot 69) beantwoorden de appelrechters eisers verweer omtrent het uitlokkingsverweer.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Tiende middel

28. Het middel voert schending aan van de artikelen 90ter en 90quater Wetboek van Strafvordering: de typeformulering die identiek is aan alle beschikkingen tot telefoontap, beantwoordt niet aan de vereiste opgave van "de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen"; deze motiveringsverplichting is voorgeschreven op straffe van nietigheid; de appelrechters hadden het bewijsmateriaal dat werd verkregen op grond van de nietige afluistermaatregelen, moeten uitsluiten.

29. Artikel 90quater, § 1, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de beschikking tot machtiging van de bewakingsmaatregel op grond van artikel 90ter op straffe van nietigheid de redenen vermeldt waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen.

De loutere vermelding dat andere onderzoeksmiddelen niet volstaan, voldoet niet aan de bijzondere motiveringsvereiste. De beschikking moet vermelden waarom de maatregel concreet onontbeerlijk is.

De naleving van de motiveringsverplichting is evenwel niet aan een bepaalde wettelijke voorgeschreven of uitdrukkelijke bewoording onderworpen. Ze kan blijken uit de samenhang van de bewoordingen van de beschikking.

30. Het arrest oordeelt met overname van de redenen van de eerste rechter dat:

- de verscheidene alinea's van de beschikkingen die de tapmaatregel bevelen, samen gelezen dienen te worden;

- de alinea waarin een concreet relaas wordt gegeven omtrent de gegevens uit het onderzoek, alsook de alinea omtrent de ernstige aanwijzingen niet alleen dienstig zijn voor de motivering overeenkomstig artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering, maar tevens voor de motivering overeenkomstig artikel 90quater, § 1, tweede lid, 2°;

- er aanwijzingen bestonden dat de telefoonnummers gebruikt werden bij het plegen van drugsdelicten, lidmaatschap aan criminele organisatie en witwasmisdrijven;

- het van het allergrootste belang is dat de activiteiten en de identiteiten van de betrokkenen worden nagegaan, vastgesteld en omschreven;

- de leden van die organisatie zeer voorzichtig te werk gingen, erg achterdochtig waren en zeer regelmatig van gsm-nummer wisselden;

- de telefoonnummers herladen werden via herlaadcodes, wat het inderdaad aannemelijk maakt dat de klassieke middelen niet volstonden, zoals de beschikkingen vermelden;

- toepassing van de bewakingsmaatregel onontbeerlijk was om de waarheid aan het licht te brengen;

- het feit dat bepaalde tapbeschikkingen gelijkaardige bewoordingen bevatten, normaal is rekening houdende met het gegeven dat onderzoek werd gedaan naar één bepaalde criminele organisatie met een bepaalde manier van werken, bij voorbeeld wat betreft het gebruik van telefoonnummers;

- hetzelfde geldt voor de beschikkingen waarbij een maatregel van direct afluisteren of een verlenging werd bevolen.

Aldus geeft het arrest te kennen dat de bekritiseerde beschikkingen zich niet beperken tot de loutere vaststelling dat de andere onderzoeksdaden niet volstaan. Het onderzoekt de bewoordingen van die beschikkingen in hun onderlinge samenhang en oordeelt dat de onderzoeksrechter met het geheel van de redenen, vermeld in zijn beschikkingen, de feitelijke gegevens aangeeft waarom volgens hem de bevolen maatregelen concreet onontbeerlijk zijn om de waarheid aan het licht te brengen. Hierdoor is de beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Elfde middel

31. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 90ter, 90quater en 90quinquies Wetboek van Strafvordering: de appelrechters stellen ten onrechte dat de eerste rechter zou geoordeeld hebben dat de verlenging van de tapmaatregelen niet volledig zou beantwoorden aan de motiveringsplicht; door te verwijzen naar een onbestaande motivering in het beroepen vonnis, voldoen de appelrechters niet aan hun motiveringsplicht; de typeformulering die identiek is aan alle beschikkingen tot verlenging van de telefoontap, beantwoordt niet aan de vereiste opgave van "de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen"; voor sommige beschikkingen beantwoordt zij evenmin aan de verplichting tot opgave van "de omstandigheden die de verlenging van de maatregel wettigen"; deze motiveringsverplichting is voorgeschreven op straffe van nietigheid; de appelrechters hadden het bewijsmateriaal dat werd verkregen op grond van de nietige afluistermaatregelen, moeten uitsluiten.

32. De eerste rechter had geoordeeld dat:

- de machtigingen tot telefoontaps, tot direct afluisteren en tot verlenging van die maatregelen voldoen aan de wettelijke voorwaarden;

- voor het opnieuw opstarten van twee maatregelen van direct afluisteren niet voldaan werd aan de motiveringsverplichting van artikel 90quinquies Wetboek van Strafvordering de nieuwe en ernstige omstandigheden te vermelden, wat op straffe van nietigheid is voorgeschreven;

- het afluisteren met betrekking tot het voertuig van medebeklaagde Robert Van Vroenhoven, bevolen bij beschikking van 17 januari 2009, en het afluisteren in de chalet van dezelfde medebeklaagde, bevolen bij beschikking van 6 januari 2009 en verscheidene malen verlengd, dan ook uit het debat moeten worden geweerd.

33. De appelrechters nemen wat de telefoontaps, het direct afluisteren en de verlenging van die maatregelen betreft, de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter over. Zij voegen er evenwel aan toe: "Voor zoveel als nodig moet het [hof van beroep] evenwel met de eerste rechter vaststellen dat het bevel van de verlenging van de tapbevelen, niet volledig beantwoordt aan de motiveringsplicht (zoals voorzien in art. 90quinquies in fine Sv.). De nieuwe ernstige omstandigheden die de verlenging verantwoorden zijn niet formeel vermeld, doch dit mankement is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid (art. 90quater). Aangezien noch de betrouwbaarheid is aangetast noch het recht van verdediging is geschonden door dit mankement, besliste de eerste rechter terecht dat de tapgesprekken ingevolge de verlengingbeschikking wel als regelmatig bewijs dienstig kunnen zijn."

34. Artikel 90quinquies, in fine, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Indien nieuwe en ernstige omstandigheden de maatregelen bedoeld in artikel 90ter noodzakelijk maken, kan de onderzoeksrechter een nieuwe maatregel bevelen, met inachtneming van de formaliteiten omschreven in de artikelen 90ter en 90quater, in dat geval moet de beschikking de precieze nieuwe en ernstige omstandigheden vermelden die een nieuwe maatregel noodzakelijk maken en wettigen."

35. Alhoewel de appelrechters in hun bijkomende redengeving melding maken van "de verlenging van de tapbevelen", blijkt uit hun verwijzing naar de beslissing van de eerste rechter en naar het gebrek aan vermelden van de nieuwe en ernstige omstandigheden, zoals voorgeschreven door artikel 90quinquies, in fine, Wetboek van Strafvordering, dat de onregelmatigheid waarvan zij melding maken, niet het bevel van de verlenging van de tapbevelen betreft, maar in werkelijkheid het opnieuw opstarten van twee maatregelen van direct afluisteren.

Het Hof vermag deze materiële vergissing recht te zetten.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

36. De eerste rechter heeft de eiser schuldig verklaard aan alle hem ten laste gelegde feiten, behoudens deze van de telastleggingen A.1, G.1.c en d, G.2.g en G.3, zonder rekening te houden met de stukken die uit het debat geweerd werden.

37. De appelrechters verklaren de eiser schuldig aan alle hem ten laste gelegde feiten, behoudens deze van de telastleggingen A.1, G.1.c en d, G.2.g en G.3, met verwijzing "naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter. Die redengeving maakt het [hof van beroep] tot de zijne en beschouwt die als alhier herhaald."

Aldus houden zij, net zoals de eerste rechter, geen rekening met het door hen niettegenstaande het vastgestelde motiveringsgebrek toch dienstig als bewijs geachte opnieuw opstarten van twee maatregelen van direct afluisteren.

In zoverre het middel opkomt tegen een overtollige reden die de beslissing niet schraagt en die het geheel van de overige zelfstandige redenen op grond waarvan de appelrechters de strafvordering ten laste van de eiser gedeeltelijk gegrond verklaren, onaangetast laat, is het niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

38. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 113,55 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 20 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Beslissingen

  • Onderzoek en beoordeling van de rechtmatigheid

  • Bevoegdheden van het vonnisgerecht